ECLI:NL:RBOBR:2026:4874

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
10 juli 2026
Publicatiedatum
10 juli 2026
Zaaknummer
26/1581 en 26/1433
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:83 AwbArt. 8:86 AwbArt. 7:11 AwbArt. 3:2 AwbArt. 5:1 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Aanpassing last onder dwangsom voor bescherming gladde slang op fietspad Cartierheide

De gemeente Bladel was verplicht gesteld om het fietspad door de Cartierheide ontoegankelijk te maken voor fietsers ter bescherming van de strikt beschermde gladde slang. De voorzieningenrechter oordeelt dat de last onder dwangsom onduidelijk is omdat deze ook de winterperiode omvat, waarin de gladde slang in winterslaap is en geen overtreding kan plaatsvinden.

De voorzieningenrechter stelt vast dat de actieve periode van de gladde slang ligt tussen 1 april en 31 oktober, afhankelijk van het weer, en dat de last onder dwangsom daarom moet worden beperkt tot deze periode. De begunstigingstermijn om aan de last te voldoen is voldoende, mede omdat tijdelijke verkeersmaatregelen zonder verkeersbesluit kunnen worden getroffen.

De belangen van recreanten en lokale ondernemers wegen niet zwaarder dan het belang van de bescherming van de gladde slang. De voorzieningenrechter vernietigt het bestreden besluit, wijzigt de last onder dwangsom, heft de voorlopige voorziening op per 17 juli 2026 en veroordeelt het college tot vergoeding van griffierecht en proceskosten aan eiseres.

Uitkomst: De last onder dwangsom wordt beperkt tot de actieve periode van de gladde slang en de voorlopige voorziening wordt opgeheven.

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Bestuursrecht
zaaknummers: SHE 26/1581 OW NA en SHE 26/1433 OW NA
uitspraak van de voorzieningenrechter van 10 juli 2026 op het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening in de zaken tussen

[eiseres] , uit [vestigingsplaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. J.L. Stoop),
en

het college van Gedeputeerde Staten van Noord Brabant, het college

(gemachtigden: mr. E.C.S.F. Frenken, mr. L.M.C. Cloodt en. [naam] ).
Als derde-partij neemt aan de zaken deel: [naam] , uit [vestigingsplaats] .

Samenvatting

In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter over het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening van de gemeente Bladel met betrekking tot een aan de gemeente opgelegde last onder dwangsom om het fietspad door de Cartierheide ontoegankelijk te maken voor fietsers of andere effectieve maatregelen te treffen ter bescherming van de daar voorkomende gladde slangen. De voorzieningenrechter beslist direct op het beroepschrift en past de last onder dwangsom aan. Hij ziet daarna geen aanleiding meer voor een voorlopige voorziening en heft de eerder getroffen voorlopige voorziening op met ingang van 17 juli 2026. Hierna zal de voorzieningenrechter uitleggen hoe hij tot dit oordeel is gekomen.

Procesverloop

1. Eiseres heeft tegen het besluit van 1 april 2026 (bestreden besluit) beroep ingesteld en een voorlopige voorziening ingediend.
1.1.
Bij de uitspraak van 2 juni 2026 heeft de voorzieningenrechter het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening met toepassing van artikel 8:83, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) toegewezen en het bestreden besluit van 1 april 2026 geschorst zonder zitting en de zaak verwezen naar een zitting om te beoordelen of deze voorziening moet worden gewijzigd of opgeheven.
1.2.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 3 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiseres, de gemachtigden van het college en namens de derde partij [naam] en [naam] vergezeld van [naam] .
1.3.
Omdat de voorzieningenrechter na afloop van de zitting tot de conclusie is gekomen dat nader onderzoek niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak beslist hij ook op het beroep van eiseres daartegen. [1]

Feiten en omstandigheden

2. De voorzieningenrechter gaat bij de beoordeling van deze zaak uit van de volgende relevante feiten en omstandigheden.
- Op 12 juli 2024 heeft de ‘ [derde-partij] ’ een verzoek om handhaving ingediend met betrekking tot de openstelling van het fietspad dat is gelegen op de Cartierheide. Dit fietspad loopt ter hoogte van De Pan 11, 5527 JC in Hapert over de percelen, kadastraal bekend als Perceel Hoogeloon, sectie G, nummer 380, sectie B, nummers 432 en 2282 en sectie D, nummer 263. Het begin en het einde van het fietspad liggen in Bladel. Het fietspad is rond het jaar 2000 aangelegd.
  • Het fietspad doorkruist het leefgebied van de gladde slang. De gladde slang heeft in bijlage IV onder a van de Europese Habitatrichtlijn een strikt beschermde status.
  • Het college heeft aan eiseres met het besluit van 3 januari 2024, een ontheffing verleend tot en met 1 augustus 2028, voor het beschadigen of vernielen van de voortplantings- en rustplaatsen en voor het opzettelijk verstoren van individuen van de gladde slang
  • Ter realisatie van, onder meer, nieuwe fietspaden heeft de gemeenteraad van de gemeente Bladel op 9 november 2023 het bestemmingsplan ‘Cartierheide’ vastgesteld. Tegen dit bestemmingsplan is beroep ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling). Hierin heeft de Afdeling nog geen uitspraak gedaan.
  • Op 3 januari 2024, heeft het college van B&W van de gemeente Bladel (B&W) een omgevingsvergunning aan eiseres verleend voor de aanleg van het westelijk deel van het nieuwe fietspad. Deze omgevingsvergunning is onherroepelijk.
  • Eiseres is nog niet begonnen met de aanleg van het nieuwe fietspad en is in afwachting van de uitspraak van de Afdeling inzake voormeld bestemmingsplan.
  • Op 15 augustus 2024 heeft het college een controle uitgevoerd bij het bestaande fietspad en in 3 uur tijd 250 fietsers geteld in beide richtingen. Op de controledatum waren er geen waarschuwingsborden geplaatst en waren er geen maatregelen getroffen om de gladde slang van het fietspad te weren.
  • Het college heeft een voornemen kenbaar gemaakt om handhavend op te treden. Eiseres heeft een zienswijze ingediend.
  • In 2025 zijn ook controles uitgevoerd waarbij is vastgesteld dat er niets is veranderd ten opzichte van de vorige controle.
2.1.
In de last onder dwangsom van 22 mei 2025 heeft het college eiseres gelast om de overtreding van artikel 11.46, eerste lid, onder a van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal), het opzettelijk doden van de gladde slang door het openstellen van het fietspad door de Cartierheide
,binnen twee maanden te beëindigen en beëindigd te houden, door ervoor te zorgen dat het doden van de gladde slang aldaar wordt voorkomen. Indien niet tijdig aan de lastgeving is voldaan moet eiseres een dwangsom betalen van € 5.000,- per constatering per week, dat laatstgenoemd artikel niet wordt nageleefd, met een maximum van € 50.000,-. Als (voorbeelden van) herstelmaatregelen heeft GS in de last het volgende aangegeven:
- het fietspad voor fietsers ontoegankelijk te maken;
- andere effectieve maatregelen treffen om de gladde slangen te beschermen, te bepalen door een ecologisch adviseur, deskundig op het gebied van slangen.
2.2.
Met het bestreden besluit van 1 april 2026 heeft het college de begunstigingstermijn verlengd tot 5 juni 2026, het door eiseres ingediende bezwaar voor het overige ongegrond verklaard en de last onder dwangsom voor het overige dus gehandhaafd. In het advies van de hoor- en adviescommissie is opgenomen dat in verband met de winterslaapperiode van de gladde slang, in de periode november tot april geen overtreding kan plaatsvinden. Het bestreden besluit is door de voorzieningenrechter in de uitspraak van 2 juni 2026 geschorst.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

Vooraf
3. Tussen partijen is niet in geschil en ook de voorzieningenrechter is van oordeel dat sprake is van een overtreding van artikel 11.46, eerste lid, aanhef en onder a van het Bal. Eiseres is eigenaar van het fietspad. Doordat eiseres het fietspad openstelt voor fietsers en fietsers er over laat rijden tijdens de actieve periode van de gladde slang zonder beschermende maatregelen te treffen, worden (jonge exemplaren van) gladde slangen die het fietspad oversteken of er op gaan liggen, doodgereden. Eiseres is ermee bekend dat het fietspad een essentieel leefgebied van de gladde slang doorkruist en dat gladde slangen op dat fietspad worden aangereden. Met het openstellen van het fietspad aanvaardt eiseres willens en wetens de niet te verwaarlozen kans dat hierdoor gladde slangen worden gedood en daarom is sprake van (voorwaardelijk) opzet. Eiseres kan dus als overtreder worden aangemerkt..
3.1.
Partijen zijn het er ook over eens dat tijdens de winterslaapperiode van de gladde slang, in de periode van 1 november tot 1 april géén overtreding van de last kan plaatsvinden. Partijen hebben verschillende opvattingen en standpunten over de duur en de aanvang van de actieve periode van de slangen. De voorzieningenrechter is gebleken dat de actieve periode afhankelijk is van het weer maar in ieder geval kan liggen tussen 1 april en 1 oktober. Kwetsbare jonge slangen zijn vooral vanaf juli tot 1 oktober actief en komen dan ook op het fietspad. Volwassen soorten komen op het fietspad vanaf eind april tot eind oktober, afhankelijk van het weer.
Behandeling beroepsgronden
4. Eiseres voert aan dat de last geen seizoensbeperking bevat en strekt tot het "beëindigen en beëindigd houden" van de overtreding, dus ook in de winterperiode als de gladde slang niet actief is.
4.1.
Het college heeft opgemerkt dat uit het bestreden besluit zou voortvloeien dat de last niet overtreden kan worden in de winterslaapperiode van de gladde slang. In het bestreden besluit wordt verwezen naar het advies van de hoor- en adviescommissie (commissie). Deze heeft vastgesteld dat in de periode november tot april voormelde overtreding niet kan plaatsvinden.
4.2.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat de overtreding van artikel 11.46, eerste lid, onder a, van het Bal uitsluitend kan plaatsvinden gedurende het actieve seizoen van de gladde slang. In de winterperiode kan niet worden gezegd dat eiseres de niet te verwaarlozen kans aanvaard dat de slangen worden gedood, omdat die slangen in die periode niet actief zijn (en dus normaliter ook niet op het fietspad komen). Met andere woorden, dan is geen sprake van (voorwaardelijk) opzet. Dan is ook geen sprake van een overtreding van artikel 11.46, eerste lid, onder a, Bal.
4.3.
De last onder dwangsom is met het bestreden besluit niet gewijzigd. Deze last strekt tot het beëindigen en beëindigd houden van de overtreding. Als eiseres het fietspad in de winterperiode openstelt, verbeurt zij een dwangsom omdat zij de overtreding niet beëindigd houdt. Dat was, gezien het advies van de commissie, kennelijk niet de bedoeling van het college. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter had het dan echter op de weg van het college gelegen om in het bestreden besluit de last uitdrukkelijk te beperken tot de actieve periode van de gladde slangen. Het college kon niet volstaan met de enkele verwijzing naar het advies van de hoor- en adviescommissie en de last verder ongewijzigd laten. De last is dus onduidelijk en gaat verder dan noodzakelijk is. Deze beroepsgrond slaagt dus en het bestreden besluit op bezwaar komt in aanmerking voor vernietiging. De voorzieningenrechter kan zelf in de zaak te voorzien en de last onder dwangsom aanpassen en behandelt daarom de overige bezwaren.
5. Eiseres voert, kort gezegd, aan dat de begunstigingstermijn van 2 maanden ontoereikend is. Voor het geheel of gedeeltelijk afsluiten van het fietspad is namelijk een formeel verkeersbesluit nodig. Het nemen van dit besluit neemt meer dan twee maanden in beslag, waarna bovendien ook nog rechtsmiddelen tegen dat besluit openstaan. Het onttrekken aan de openbaarheid van het fietspad vereist ook een besluit van de gemeenteraad en dat duurt nog langer omdat de gemeenteraad van Bladel niet iedere maand vergadert. Het bedenken en treffen van effectieve maatregelen op of bij het fietspad die de gladde slang beschermen, kost ook veel tijd.
5.1.
In het besluit op bezwaar van 1 april 2026 heeft het college de begunstigingstermijn verlengd tot 5 juni 2026 en heeft hierbij betrokken dat eiseres al veel tijd heeft gehad om de overtreding te beëindigen, tijd waarin de overtreding is voortgezet.
5.2.
Het college komt bij het bepalen van de lengte van de begunstigingstermijn en bij het al dan niet verlengen daarvan, beslisruimte toe. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling is voor de vraag of een begunstigingstermijn redelijkerwijs kan worden gesteld, slechts van belang of binnen de aan de orde zijnde termijn aan de last kan worden voldaan. [7] Bij het bepalen van de lengte van de begunstigingstermijn geldt als uitgangspunt dat deze termijn niet wezenlijk langer mag zijn dan nodig om de overtreding te kunnen beëindigen. Een begunstigingstermijn mag echter ook niet korter zijn dan nodig is om de overtreding te kunnen beëindigen, [8] zeker in dit geval waar het gaat om een beschermde diersoort uit bijlage IV onder a van de Habitatrichtlijn. De begunstigingstermijn moet ook worden afgestemd op wat eiseres zou moeten kunnen doen. Dit verschilt van geval tot geval en betreft een objectieve beoordeling.
5.3.
De vraag is dus kortgezegd of eiseres tijdig aan de last kon voldoen. De voorzieningenrechter is van oordeel dat eiseres meer dan voldoende tijd heeft gehad om aan de last te voldoen door het nieuwe fietspad aan te leggen. Eiseres heeft een bestemmingsplan vastgesteld dat in werking is getreden. Zij had al lang alle benodigde omgevingsvergunningen kunnen hebben. Zij heeft de benodigde ontheffing voor het verleggen van het fietspad. Het is de keuze van eiseres zelf geweest om de procedure bij deze rechtbank en de uitkomst van de bestemmingsplanprocedure bij de Afdeling af te wachten.
5.4.
De voorzieningenrechter is verder van oordeel dat eiseres op zeer korte termijn zou kunnen voldoen aan de last door een tijdelijke verkeersmaatregel te treffen en het fietspad te sluiten voor alle verkeer van juli 2026 tot en met oktober 2026. De plaatsing van een verkeersbord of het treffen van maatregelen waarmee het fietsverkeer op het fietspad wordt verboden vergt op grond van artikel 15 eerste Pro en tweede lid van de Wegenverkeerswet 1994 normaliter een verkeersbesluit. Op basis van artikel 35 van Pro het Besluit administratieve bepalingen van het wegverkeer is een verkeersbesluit niet nodig voor het tijdelijk plaatsen van verkeersborden of het treffen van tijdelijke maatregelen als sprake is van een ernstige tijdelijke aantasting van milieubelangen. Daar schaart de voorzieningenrechter ook de belangen van de strikt beschermde gladde slang onder. Een definitief verkeersbesluit en onttrekkingsbesluit kunnen worden genomen in de daarop volgende winterperiode, waarna een tweede tijdelijke maatregel waarschijnlijk niet meer nodig zal zijn.
5.5.
De begunstigingstermijn was naar het oordeel van de voorzieningenrechter daarom lang genoeg.
6. Eiseres vindt het onevenredig om het fietspad (tijdelijk) af te sluiten. Het fietspad is een belangrijke recreatieve route voor de regio, van economisch belang voor lokale ondernemers en recreanten en een dagelijkse route voor scholieren en forenzen. Die zijn volgens eiseres onvoldoende betrokken bij het bestreden besluit. De kosten van het treffen van tijdelijke beschermingsmaatregelen zijn dusdanig hoog dat eiseres deze niet zal gaan treffen, zeker nu het fietspad in de nabije toekomst zal worden verlegd.
6.1.
Het college heeft geen aanleiding gezien om het algemene belang (het belang van het behoud van de gladde slang) minder zwaar te wegen dan de door eiseres genoemde belangen.
6.2.
De derde partij heeft aangegeven dat de lokale horeca-ondernemingen bereikbaar blijven omdat fietsers ook langs andere fietsknooppunten deze ondernemers kunnen bereiken.
6.3.
Er is geen sprake van concreet zicht op legalisatie van de overtreding.
6.4.
De voorzieningenrechter stelt vast dat in dit geval handhavend wordt opgetreden in het belang van de bescherming van de gladde slang [9] , die op grond van zijn vermelding op bijlage IV onder a van de Europese Habitatrichtlijn strikt beschermd moet worden. Dit betreft de hoogst haalbare beschermingsstatus in de Europese Unie.
6.5.
Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is het handhavingsbesluit op zich geschikt om de strikt beschermde gladde slang te beschermen. Met tijdelijke verkeersmaatregelen kan eiseres voldoende maatregelen treffen om verkeer over het fietspad te voorkomen. Het afsluiten van het fietspad (of het treffen van maatregelen bij het fietspad) voor de bescherming van de gladde slang tijdens de actieve periode ook noodzakelijk. Er is geen sprake van een overtreding van geringe aard en ernst nu het hier de overtreding het opzettelijk doden van de strikt beschermde gladde slang betreft.
6.6.
Resteert de vraag of de maatregel in dit concrete geval evenwichtig is. De voorzieningenrechter stelt vast dat de door eiseres gestelde belangen van scholieren en forenzen beperkt zijn. De Cartierheide ligt afgelegen. Ter zitting heeft het college desgevraagd bevestigd dat er met name recreanten over het fietspad rijden en maar weinig forenzen en scholieren. De omrijdroute voor scholieren is, zo heeft het college ter zitting aangegeven, slechts twee minuten langer. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter zijn er voldoende andere fietspaden in de omgeving waarover recreanten kunnen rijden. Bovendien kunnen zij ook wandelen over de Cartierheide. De omstandigheid dat handhavend optreden mogelijk ernstige financiële gevolgen heeft voor eiseres, biedt op zichzelf geen grond voor het oordeel dat dit optreden onevenredig is in verhouding tot het daarmee te dienen belang. [10] Eiseres kan er bovendien voor kiezen om het nieuwe fietspad sneller aan te leggen en heeft daarvoor ook voldoende gelegenheid gehad. In de door eiseres gestelde belangen en omstandigheden ziet de voorzieningenrechter geen reden waarom het college zou moeten afzien van handhaving.

Conclusie en gevolgen

7. De voorzieningenrechter heeft voldoende informatie om met toepassing van artikel 8:86 van Pro de Awb uitspraak te doen in de hoofdzaak.
7.1.
Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit onvoldoende duidelijk is en omdat een last is opgelegd tijdens de winterperiode (wanneer geen sprake is van een overtreding). Het besluit is dus in strijd met artikel 7:11 Awb Pro en artikel 11.46, eerste lid, onder a, van het Bal. De voorzieningenrechter vernietigt daarom het bestreden besluit.
7.2.
De voorzieningenrechter ziet aanleiding om zelf in de zaak te voorzien en de last onder dwangsom als volgt te wijzigen: “
Om de overtreding te beëindigen en beëindigd te houden moet u ervoor zorgen dot het doden van de gladde slang in de periode van 1 april tot 31 oktober door het openstellen van het fietspad door de Cartierheide wordt voorkomen”. |De rest van de last onder dwangsom kan worden gehandhaafd. De voorzieningenrechter bepaalt dat deze uitspraak in de plaatst treedt van het vernietigde bestreden besluit.
7.3.
De voorzieningenrechter heft de getroffen voorlopige voorziening op met ingang van 27 juli 2026. Dit biedt het college voldoende gelegenheid om een tijdelijke verkeersmaatregel te treffen.
7.4.
Omdat het beroep gegrond wordt verklaard moet het college het griffierecht aan eiseres vergoeden en krijgt eiseres ook een vergoeding van haar proceskosten. Het college moet deze vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt eiseres een vast bedrag per proceshandeling. Eiseres heeft in bezwaar gevraagd om vergoeding van de proceskosten. De gemachtigde heeft een bezwaarschrift ingediend, de hoorzitting bijgewoond, een beroepschrift ingediend, een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend en heeft aan de zitting van de voorzieningenrechter deelgenomen. In bezwaar heeft elke proceshandeling een waarde van € 666,-. In beroep heeft elke proceshandeling een waarde van € 934,-. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 4.134,-.

Beslissing

De voorzieningenrechter:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het bestreden besluit
  • herroept het besluit van 22 mei 2025 in die zin dat de last als volgt wordt gewijzigd:
  • bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit;
  • heft de voorlopige voorziening in de uitspraak van 2 juni 2026 op met ingang van 17 juli 2026;
  • bepaalt dat het college het griffierecht van € 397,- aan eiseres moet vergoeden;
  • veroordeelt het college tot betaling van € 4.134,- aan proceskosten aan eiseres.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J.H.M Verhoeven, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. S.H. Snoeij, griffier.
De voorzieningenrechter is niet in de
gelegenheid om deze uitspraak te ondertekenen.
Uitgesproken in het openbaar op 10 juli 2026.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen deze uitspraak voor zover deze gaat over de voorlopige voorziening staat geen hoger beroep open.

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving

Algemene wet bestuursrecht (Awb)
artikel 3:2 van Pro de Awb
Bij de voorbereiding van een besluit vergaart het bestuursorgaan de nodige kennis omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen.

artikel 5:1 van Pro de Awb

1. In deze wet wordt verstaan onder overtreding: een gedraging die in strijd is met het bepaalde bij of krachtens enig wettelijk voorschrift.
2 Onder overtreder wordt verstaan: degene die de overtreding pleegt of medepleegt.
3 Overtredingen kunnen worden begaan door natuurlijke personen en rechtspersonen. Artikel 51, tweede en derde lid, van het Wetboek van Strafrecht is van overeenkomstige toepassing.

artikel 7:12 van Pro de Awb

1. De beslissing op het bezwaar dient te berusten op een deugdelijke motivering, die bij de bekendmaking van de beslissing wordt vermeld. Daarbij wordt, indien ingevolge artikel 7:3 van Pro het horen is afgezien, tevens aangegeven op welke grond dat is geschied.
Richtlijn 92/43/EEG inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna (Habitatrichtlijn)
(…)
Bijlage IV van de Habitatrichtlijn(Dier- en plantensoorten van communautair belang die strikt moeten worden beschermd)
De soorten die in deze bijlage voorkomen, worden aangeduid door:
  • de naam van de soort of van de ondersoort of
  • door de verzamelnaam van de soorten die behoren tot een hoger taxon of tot een aangegeven deel van dit taxon.
(…)
a.
a)DIEREN
(…)
REPTIELEN
(…)
SAURIA
Lacertidae
(…)
Lacerta vivipara pannonica (ondersoort van) levendbarende hagedis)
(…)
(…)
OPHIDIA
Colubridae
(…)
Coronella austriaca (gladde slang)
(…)
Omgevingswet (Ow)
artikel 1.1 van de Ow (begripsbepalingen)
1. De bijlage bij deze wet bevat begripsbepalingen voor de toepassing van deze wet en de daarop berustende bepalingen.

artikel 5.1 van de Ow (omgevingsvergunningplichtige activiteiten wet)

1. (…)
2. Het is verboden zonder omgevingsvergunning de volgende activiteiten te verrichten:
(…)
g. een flora- en fauna-activiteit,
voor zover het gaat om een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen geval.
bijlage bij artikel 1.1 van de Ow
A. Begrippen
(…)
flora- en fauna-activiteit:activiteit met mogelijke gevolgen voor van nature in het wild levende dieren of planten
Besluit activiteiten leefomgeving (Bal)
artikel 1.1 van het Bal (begripsbepalingen)
Bijlage I bevat begripsbepalingen voor de toepassing van dit besluit.
(…)
Hoofdstuk 11. Activiteiten die de natuur betreffen
(…)
§ 11.2.3. Flora- en fauna-activiteiten: omgevingsvergunning soorten habitatrichtlijn
artikel 11.46 van het Bal (aanwijzing vergunningplichtige gevallen soorten habitatrichtlijn: schadelijke handelingen)
1. Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder g, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een flora- en fauna-activiteit te verrichten, geldt voor:
a. het in hun natuurlijk verspreidingsgebied
opzettelijk dodenof opzettelijk vangen van in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onder a, bij de habitatrichtlijn, bijlage II bij het verdrag van Bern of bijlage I bij het verdrag van Bonn;
(…)
2. Het verbod geldt niet als:
a. het verrichten van de activiteit op grond van een andere wet is toegestaan en is voldaan aan artikel 16, eerste lid, van de habitatrichtlijn; of
b. de activiteit uitvoering geeft aan:
1°. een instandhoudingsmaatregel als bedoeld in de artikelen 3, eerste lid en tweede lid, onder b, c en d, en 4, eerste lid, eerste zin, en tweede lid, van de vogelrichtlijn of artikel 6, eerste lid, van de habitatrichtlijn; of
2°. een passende maatregel als bedoeld in artikel 6, tweede lid, van de habitatrichtlijn.
3. (…).
bijlage I. bij artikel 1.1 van het Bal (begrippen)
A. Begrippen
(…)
wet: Omgevingswet
Wegenverkeerswet 1994 (WVW)
artikel 2 van Pro de WVW
2 De krachtens deze wet vastgestelde regels kunnen voorts strekken tot:
a.het voorkomen of beperken van door het verkeer veroorzaakte overlast, hinder of schade alsmede de gevolgen voor het milieu, bedoeld in de Wet milieubeheer;

artikel 15 van Pro de WVW

1. De plaatsing of verwijdering van de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen verkeerstekens, en onderborden voor zover daardoor een gebod of verbod ontstaat of wordt gewijzigd, geschiedt krachtens een verkeersbesluit.
2. Maatregelen op of aan de weg tot wijziging van de inrichting van de weg of tot het aanbrengen of verwijderen van voorzieningen ter regeling van het verkeer geschieden krachtens een verkeersbesluit, indien de maatregelen leiden tot een beperking of uitbreiding van het aantal categorieën weggebruikers dat van een weg of weggedeelte gebruik kan maken.
Besluit administratieve bepalingen inzake het wegverkeer (BABW)
artikel 34 van Pro het BABW
Door het bevoegd gezag dan wel door het openbaar lichaam, dat het beheer heeft over een weg of, indien geen openbaar lichaam het beheer heeft, door de eigenaar van de weg kunnen in de hierna genoemde omstandigheden en voor de duur van die omstandigheden verkeerstekens als bedoeld in artikel 12, worden geplaatst alsmede maatregelen als bedoeld in artikel 15, tweede lid, van de wet, worden uitgevoerd:
a. ingeval van de uitvoering van werken, opdooi, de doorweekte toestand van een weg of weggedeelte, dreigend gevaar of andere dringende omstandigheid van voorbijgaande aard;
b. ingeval van een door het wegverkeer veroorzaakte ernstige aantasting van voorbijgaande aard van de in het tweede lid, onder a, van artikel 2 van Pro de wet genoemde belangen.

artikel 35 van Pro het BABW

De plaatsing van verkeerstekens en het uitvoeren van maatregelen, bedoeld in artikel 34, kunnen geschieden zonder een daaraan ten grondslag liggend verkeersbesluit.

Voetnoten

1.artikel 8:86 van Pro de Awb maakt dat mogelijk.
2.Het betreffende fietspad over de Cartierheide
3.Gladde slang, jong exemplaar (ter illustratie)
4.En voor het beschadigen of vernielen van vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van de levendbarende hagedis.
5.Betreffende de ontheffing.
9.(en de levendbarende hagedis)