Uitspraak
RECHTBANK OOST-BRABANT
uitspraak van de meervoudige kamer van 5 juni 2026 in de zaak tussen
Als derde-partij neemt aan de zaak deel: gemeente Bladel, vergunninghoudster,
Samenvatting
Procesverloop
4. Met het bestreden besluit van 23 september 2024 op het bezwaar van eiseressen is het college bij de ontheffing gebleven, zij het dat nog een aanvullend voorschrift aan de verleende ontheffing is verbonden.
Eiseressen hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
Beoordeling door de rechtbank
1 augustus 2028 een ontheffing verleend op grond van artikel 3.8, eerste lid, en artikel 3.10, tweede lid, van de Wnb voor het beschadigen of vernielen van de voortplantings- en rustplaatsen en voor het opzettelijk verstoren van individuen van de gladde slang [1] en voor het beschadigen of vernielen van vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van de levendbarende hagedis. [2] De ook gevraagde ontheffing voor het opzettelijk doden van de gladde slang en de levendbarende hagedis is afgewezen, omdat deze verbodsbepalingen volgens het college niet worden overtreden.
Eiseressen stellen dat een alternatief dat verder van het leefgebied van de gladde slang afligt uit het oogpunt van voorkoming van verstoringen en aanrijdingen is te verkiezen boven het gekozen voorkeursalternatief. In dit verband wijzen zij op een alternatief veel verder naar de oostkant van het bosgebied. Het feit dat een dergelijk alternatief lange tijd de voorkeursvariant was gelet op het advies van Royal Haskoning van 7 februari 2020, toont volgens hen aan dat het een serieus te nemen alternatief is. Volgens eiseressen zijn bij het nemen van het bestreden besluit de factoren die hebben meegewogen bij de alternatievenafweging niet helder in kaart gebracht. Daarbij wijzen zij erop dat in het bestreden besluit wordt vermeld dat bij de keuze voor een alternatief tracé eigendomsposities en de bereidheid tot medewerking een rol hebben gespeeld, maar dat deze aspecten niet eerder als criteria naar voren zijn gebracht in de ‘trade-off matrix fietspaden Cartierheide’ van Royal Haskoning van 10 maart 2021, waarin diverse varianten zijn overwogen.
Daarmee heeft het college naar het oordeel van de rechtbank zijn standpunt, dat er geen andere bevredigende oplossing is waarmee de nagestreefde doelstelling op een bevredigende manier kan worden bereikt en die minder of geen negatieve effecten met zich zal brengen voor de gladde slang en de levendbarende hagedis, voldoende gemotiveerd.
Deze beroepsgrond slaagt niet.
Nu het college volgens eiseressen niet had mogen uitgaan van een mortaliteit 0, had op grond van artikel 3.8, vijfde lid, onder c, van de Wnb in het bestreden besluit moeten worden beoordeeld wat het effect van het nieuwe tracé is op de instandhoudingsdoeleinden van de gladde slang en de levendbarende hagedis. Dit is ten onrechte niet gebeurd. Daarbij wijzen eiseressen erop dat de algehele verbreding van het fietspadennetwerk intensiever fietsverkeer met zich zal brengen, wat naar verwachting zal leiden tot een toename van slachtoffers onder de gladde slang en de levendbarende hagedis.
Met betrekking tot de mortaliteit heeft het college gesteld dat op basis van de aanwezige leefgebieden van de gladde slang en de levendbarende hagedis mortaliteit ten gevolge van fietsbewegingen en ander verkeer alleen nog kan optreden in de zone die is gelegen in het rood omcirkelde gebied, omdat enkel op die locatie sprake is van doorkruising van leefgebieden of van migratiezones van het ene leefgebied naar het andere leefgebied. Om die reden is alsnog een voorschrift aan de vergunning verbonden dat voorziet in het aanleggen en instandhouden van een scherm aan beide zijden van het tracé van het fietspad voor zover dat is gelegen binnen het rood omcirkelde gebied, zoals opgenomen in het bestreden besluit. Tezamen met de voorgeschreven maatregelen met betrekking tot de schermen en faunapassages in het primaire besluit is mortaliteit uitgesloten, aldus het college. Hierom is ook de staat van instandhouding geborgd.
De rechtbank stelt voorop dat het bestuursorgaan op het advies van een deskundige mag afgaan, nadat het is nagegaan of dit advies op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen, de redenering daarin begrijpelijk is en de getrokken conclusies daarop aansluiten. Deze verplichting volgt uit artikel 3:2 van Pro de Algemene wet bestuursrecht. Als een partij concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de zorgvuldigheid van de totstandkoming van het advies, de begrijpelijkheid van de in het advies gevolgde redenering of het aansluiten van de conclusies daarop naar voren heeft gebracht, mag het bestuursorgaan niet zonder nadere motivering op het advies afgaan. [4]
Gelet op de in het rood gearceerde gebied te treffen maatregelen en de maatregelen die op grond van het primaire besluit moeten worden getroffen voor locaties waar het fietspad leefgebied van de gladde slang of levendbarende hagedis doorkruist, is de rechtbank van oordeel dat het college op goede gronden ervan heeft kunnen uitgaan dat de mortaliteit nul is en dat met de verleende ontheffing geen afbreuk wordt gedaan aan de gunstige staat van instandhouding van de gladde slang of levendbarende hagedis. Weliswaar kan niet worden uitgesloten dat er nog steeds aanvaringsslachtoffers onder deze soorten kunnen voorkomen vanwege het gebruik van het fietspad, maar gezien de te treffen maatregelen, de voorgeschreven monitoring van deze maatregelen en de voorgeschreven bijstelling van die maatregelen indien nodig, is geen sprake van voorwaardelijk opzet gericht op de dood van deze soorten. De rechtbank ziet hierin dan ook geen aanleiding om het bestreden besluit te vernietigen.
Gerekend vanaf het indienen van het bezwaarschrift op 15 februari 2024 heeft de procedure in totaal twee jaar en vier maanden geduurd. Dat betekent dat de redelijke termijn van twee jaar is overschreden en eiseressen recht hebben op een vergoeding van (immateriële) schade, omdat zij te lang hebben moeten wachten op een uitspraak en er geen sprake is van bijzondere omstandigheden die aanleiding kunnen zijn voor een verlenging van de termijn.
Naar het oordeel van de rechtbank dient de overschrijding van de redelijke termijn te worden toegerekend aan zowel het college als aan de rechtbank. Daarbij overweegt de rechtbank dat het bestreden besluit is genomen zeven maanden na het indienen van het bezwaar en dat de beroepsfase twintig maanden heeft geduurd.
Conclusie en gevolgen
Beslissing
- verklaart het beroep ongegrond;
- bepaalt dat de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid) een schadevergoeding aan eiseressen is verschuldigd van € 375,00 wegens overschrijding van de redelijke termijn;
- veroordeelt het college tot betaling van een schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn aan eiseressen tot een bedrag van € 125,00.
mr. C.N. van der Sluis, leden, in aanwezigheid van mr.J.F.M. Emons, griffier.
Informatie over hoger beroep
Wet natuurbescherming (oud)
(…).