ECLI:NL:RBOBR:2026:4876

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
13 juli 2026
Publicatiedatum
10 juli 2026
Zaaknummer
82-017856-23
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 273f SrArt. 284 SrArt. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor langdurige mensenhandel en dwang met arbeidsuitbuiting

De rechtbank Oost-Brabant heeft verdachte veroordeeld voor mensenhandel en dwang in de periode van november 2011 tot juni 2023. Verdachte heeft het slachtoffer, een kwetsbare vrouw, langdurig uitgebuit door haar te huisvesten en op te nemen met het oogmerk van uitbuiting, haar dagelijks zwaar fysiek werk te laten verrichten zonder loon en haar te laten wonen onder erbarmelijke omstandigheden.

De rechtbank stelde vast dat verdachte meerdere dwangmiddelen inzette, waaronder dreiging met geweld, misbruik van een kwetsbare positie en feitelijk overwicht. Het slachtoffer had geen reële keuze om te stoppen met werken of te vertrekken. Verdachte trok opzettelijk financieel voordeel uit deze uitbuiting. De rechtbank sprak verdachte vrij van overtreding van de Arbeidsomstandighedenwet wegens onvoldoende bewijs.

De rechtbank kende het slachtoffer een schadevergoeding toe van €201.523,71, bestaande uit materiële en immateriële schade. Verdachte kreeg een gevangenisstraf van 24 maanden opgelegd, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar, mede vanwege de overschrijding van de redelijke termijn. Daarnaast werd een contactverbod met het slachtoffer opgelegd.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 24 maanden gevangenisstraf, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, en betaling van €201.523,71 schadevergoeding wegens langdurige mensenhandel en dwang.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Locatie 's-Hertogenbosch
Strafrecht
Parketnummers: 82-017856-23 en 82-323236-23 (ter terechtzitting gevoegd)
Datum uitspraak: 13 juli 2026
Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [1970] ,
ingeschreven in de Basisregistratiepersonen op het adres:
[adres] .
Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 27 september 2023, 20 december 2023, 28 februari 2024, 20 maart 2024, 6 november 2024, 20 november 2024, 22 januari 2025, 8 juni 2026, 9 juni 2026 en 2 juli 2026 (sluiting).
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaardingen van 25 augustus 2023 (82-017856-23) en 7 december 2023 (82-323236-23). De tenlastelegging in de zaak 82-017856-23 is op het onderzoek ter terechtzitting van 20 december 2023 gewijzigd en beide zaken zijn op die terechtzitting gevoegd.
De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. Aan verdachte is, feitelijk en kort samengevat weergegeven, ten laste gelegd dat zij:
82-017856-23
zich in de periode van 1 november 2011 tot en met 27 juni 2023 te Kamerik heeft schuldig gemaakt aan mensenhandel, door [slachtoffer] (1) te werven, huisvesten en opnemen met het oogmerk van uitbuiting, (2) te dwingen of bewegen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van arbeid of diensten en (3) opzettelijk voordeel te trekken uit de uitbuiting van die [slachtoffer] , terwijl zij wist dat die [slachtoffer] autistisch en/of verstandelijk beperkt en/of kwetsbaar en/of gemakkelijk te beïnvloeden was en/of geen onderkomen elders had, waardoor voor die [slachtoffer] een (afhankelijkheids)situatie is ontstaan waaraan zij zich niet heeft kunnen onttrekken en/of ten gevolge waarvan zij geen weerstand aan verdachte heeft kunnen bieden.
82-323236-23
Feit 1
in de periode van 1 november 2011 tot en met 27 juni 2023 te Kamerik, door geweld of een andere feitelijkheid en/of door bedreiging met geweld of enige andere feitelijkheid gericht tegen die ander, [slachtoffer] wederrechtelijk heeft gedwongen iets te doen, niet te doen en/of te dulden.
Feit 2
in de periode van 1 november 2011 tot en met 27 juni 2023 te Kamerik als werkgever handelingen heeft verricht en/of nagelaten in strijd met de Arbeidsomstandighedenwet terwijl daardoor, naar zij wist of redelijkerwijs moest weten, levensgevaar of ernstige schade aan de gezondheid van [slachtoffer] ontstond of te verwachten was.

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaardingen geldig zijn. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in de vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

Bewijs.

Inleiding.
Op 16 augustus 2022 werd een melding van fraude gemaakt bij de Fiscale Inlichtingen- en Opsporingsdienst. Deze melding bevatte signalen van arbeidsuitbuiting van [slachtoffer] , geboren op [1990] te Maarssen (hierna: [slachtoffer] ). De uitbuiting zou hebben plaatsgevonden op het bedrijf van verdachte, te weten ' [bedrijf 1] ' gelegen te Kamerik (hierna: [bedrijf 1] ). De signalen van arbeidsuitbuiting bestonden uit het feit dat [slachtoffer] werkzaamheden zou verrichten in ruil voor slechts kost en inwoning. [slachtoffer] zou bij verdachte werkzaam zijn gedurende een periode van 15 jaren, waarbij zij 7 dagen in de week lange dagen zou werken. [slachtoffer] zou tevens zijn gehuisvest op het terrein van verdachte. [slachtoffer] werd beschreven als autistisch en niet in staat om goed voor zichzelf te zorgen. De opsporingsdiensten hebben verdachte na vervolgonderzoek op 27 juni 2023 aangehouden op [bedrijf 1] . Hierna is nog meer opsporingsonderzoek verricht, hetgeen heeft geleid tot de dagvaarding van verdachte voor de op de tenlastelegging vermelde feiten. Verder is er een ontnemingsvordering aangebracht, die gelijktijdig met de strafzaak inhoudelijk is behandeld. De beslissing op die vordering is in een apart vonnis vastgelegd.
Het standpunt van de officier van justitie.
De officier van justitie acht alle tenlastegelegde feiten wettig en overtuigend bewezen, zoals uitgewerkt in het schriftelijk requisitoir van 8 juni 2026.
Ten aanzien van de mensenhandel (82-017856-23) heeft de officier van justitie betoogd dat sprake is van de dwangmiddelen dreiging met geweld en één of meer andere feitelijkheden, van misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en van een kwetsbare positie. Verder is er – gelet op de aard en duur van de tewerkstelling, de beperkingen die het voor [slachtoffer] meebrengt en vanwege het economische voordeel dat daarmee door verdachte wordt behaald – sprake van een oogmerk van uitbuiting. Daarnaast kan uit de uiterlijke verschijningsvorm vol opzet worden afgeleid, aldus de officier van justitie. Tot slot kan het huisvesten en opnemen (sub 1), het dwingen en bewegen van [slachtoffer] zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van arbeid (sub 4) en van het opzettelijk voordeel trekken (sub 6) bewezen worden. Van het tenlastegelegde medeplegen dient verdachte te worden vrijgesproken.
Ten aanzien van feit 1 van 82-323236-23 heeft de officier van justitie grotendeels verwezen naar zijn betoog ten aanzien van de mensenhandel. Daarbij komt dat volgens de officier van justitie eveneens sprake is van de onder dit feit tenlastegelegde geweld en dwang door enige andere feitelijkheid. Door de inzet van de dwangmiddelen is [slachtoffer] wederrechtelijk gedwongen de in de tenlastelegging opgenomen dingen te doen, niet te doen en te dulden. Dit met uitzondering van het afstaan van de inkomsten van haar krantenwijk en haar pinpas.
Met betrekking tot het onder feit 2 van 82-323236-23 tenlastegelegde heeft de officier van justitie aangevoerd dat verdachte moet worden aangemerkt als werkgever van [slachtoffer] in de zin van artikel 1, eerste lid van de Arbeidsomstandighedenwet, en dat zij in die hoedanigheid heeft tekortgeschoten in de op haar rustende verplichtingen jegens [slachtoffer] door de arbeid niet zodanig te organiseren dat daarvan geen nadelige invloed is uitgegaan op de veiligheid en gezondheid van [slachtoffer] . Verdachte schreeuwde tegen [slachtoffer] en bejegende haar agressief, boos, intimiderend, denigrerend en overheersend. Verder sloeg en schopte verdachte haar, trok zij aan haar haren en greep haar naar haar keel. [slachtoffer] kreeg verder ook geen bedrijfskleding van verdachte: [slachtoffer] had volgens getuige Eikelenboom geen werkschoenen en liep geregeld mank omdat een paard op haar voet had gestaan. Ook moest [slachtoffer] met gevaarlijke machines werken, zo reed ze op een shovel en/of tractor die niet gekeurd waren en waar geen remmen op zaten. Door de wijze waarop verdachte met [slachtoffer] omging, waarbij de officier van justitie ook heeft verwezen naar de tenlastegelegde feitelijkheden als genoemd in de tenlastelegging van de mensenhandelverdenking, kon en is ernstige schade aan de (psychische) gezondheid van [slachtoffer] ontstaan.
Het standpunt van de verdediging.
De verdediging heeft, overeenkomstig de inhoud van de aan de rechtbank overgelegde pleitnota van 9 juni 2026, het volgende aangevoerd.
Met betrekking tot de getuigen die belastend over verdachte hebben verklaard heeft de verdediging opgemerkt dat zij om uiteenlopende reden onbetrouwbaar dan wel ongeloofwaardig zijn. De getuigen zijn bovendien beïnvloed doordat bij de start van de politieverhoren aan hen is gevraagd wat zij onder arbeidsuitbuiting verstonden. Daarmee zijn de verhoren al een stuk minder onbevangen dan in het kader van de waarheidsvinding wenselijk is en dat is onomkeerbaar. Wat de verdediging betreft is daarmee sprake van een onherstelbaar vormverzuim in het voorbereidend onderzoek waarvan de gevolgen niet blijken uit de wet. Primair dienen de belastende getuigenverklaringen daarom te worden uitgesloten van het bewijs, subsidiair dient bij de bewijswaardering rekening te worden gehouden met genoemde wijze van beïnvloeding.
De verdediging heeft met betrekking tot de tenlastegelegde mensenhandel (82-017856-23) samengevat het volgende aangevoerd.
Niet kan worden bewezen dat verdachte enig tenlastegelegd dwangmiddel heeft ingezet, dat [slachtoffer] (daardoor) is uitgebuit, noch dat verdachte het oogmerk van uitbuiting had.
Evenmin kan worden bewezen dat verdachte, door middel van een dwangmiddel, met het oogmerk van uitbuiting [slachtoffer] heeft geworven, opgenomen of gehuisvest (sub 1).
Verdachte heeft [slachtoffer] met goede intenties, en dus niet met het oogmerk tot uitbuiting, opgevangen en gehuisvest toen zij rond haar 18e dakloos dreigde te raken. [slachtoffer] heeft vervolgens werkzaamheden verricht op [bedrijf 1] , maar zich daarbij nooit in een uitbuitingssituatie bevonden. Uit de verklaringen van [slachtoffer] blijkt dat zij bewust en vrijwillig bij verdachte is komen wonen. [slachtoffer] heeft haar liefde voor het werken met paarden en het buitenzijn benadrukt, en ze hechtte waarde aan het zelf kunnen indelen van haar tijd bij [bedrijf 1] . Zij heeft in al haar verklaringen aangegeven goed te zitten op [bedrijf 1] , dit ondanks de eventuele voorvallen die zouden hebben plaatsgevonden. In haar laatste verklaring geeft zij daarbij zelfs aan dat zij niet eerder weg is gegaan omdat [bedrijf 1] een veilige haven was voor haar. Zij vond het daar goed genoeg, zo zegt ze. Haar verklaringen laten dan ook zien dat er in ieder geval geen sprake was van een situatie waarin zij feitelijk geen andere keuze had dan op [bedrijf 1] te blijven werken en daar te wonen.
Verder kan niet worden bewezen dat verdachte [slachtoffer] heeft gedwongen of bewogen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van arbeid met het oogmerk tot uitbuiting (sub 4).
Vastgesteld kan worden dat [slachtoffer] stalwerkzaamheden verrichtte in [bedrijf 1] . Deze werkzaamheden deed zij in wisselende samenstelling met onder andere verdachte, [betrokkene 1] , [betrokkene 2] , stagiaires en anderen. Structureel aanwezige getuigen verklaren dat het paardenwerk 2 à 3 uur per dag in beslag nam, dat het geen fulltime baan was en dat de werkzaamheden vrij in te delen zijn. Er is geen objectief bewijs voorhanden waaruit blijkt dat sprake is geweest van structureel excessieve arbeid die een ernstige inbreuk heeft gevormd op de persoonlijke vrijheid en waardigheid van [slachtoffer] . Uit de verklaringen van verdachte blijkt dat de werkzaamheden van [slachtoffer] beperkt in omvang waren zonder vaste afspraken en dat de afspraken niet structureel waren opgelegd. Bovendien verrichtte [slachtoffer] de werkzaamheden op eigen initiatief en op momenten dat het haar uitkwam. Daarbij woonde zij in haar eigen chalet zonder dat zij hier huur voor hoefde te betalen. [slachtoffer] had een sleutel en kon altijd vrijelijk het terrein verlaten. De suggestie dat sprake zou zijn van structurele arbeid gedurende lange dagen en uren is in belangrijke mate gebaseerd op inschattingen en indrukken van derden, en niet op concrete en objectieve vaststellingen. De verdediging betwist ook uitdrukkelijk de deskundigenrapportage van Paard en Advies.
Daarnaast kan niet worden bewezen dat verdachte, indien zou worden aangenomen dat er wel sprake was van een uitbuitingssituatie, daaruit opzettelijk voordeel heeft getrokken (sub 6). Uit het dossier volgt namelijk dat [bedrijf 1] een hobby was, en dat er geen economische (winst)doelen werden nagestreefd.
Primair heeft de verdediging verzocht verdachte vrij te spreken van de mensenhandel wegens het ontbreken van wettig en overtuigend bewijs. Subsidiair heeft zij verzocht om een partiële vrijspraak waar het de tenlastegelegde strafverzwarende kwalificatie van in vereniging en misbruik van kwetsbare positie betreft.
Met betrekking tot feit 1 van 82-323236-23 heeft de verdediging eveneens vrijspraak bepleit, grotendeels op dezelfde gronden als het vrijspraakverweer voor feit 1 van 82-017856-23. Daarnaast voert de verdediging aan dat als verdachte al heeft gedreigd [slachtoffer] eruit te zetten of te laten vertrekken, dit geen wederrechtelijke dwang oplevert..
Ook voor feit 2 van 82-323236-23 heeft de verdediging vrijspraak bepleit aangezien geen sprake is geweest van een arbeidsverhouding en aangezien [slachtoffer] geen levensgevaar heeft gelopen en evenmin sprake is geweest van ernstig gevaar voor schade aan de gezondheid.
Voor het geval de rechtbank een of meerdere feiten wel bewezen acht heeft de verdediging twee voorwaardelijke verzoeken gedaan, namelijk het verzoek tot het horen van zes getuigen en het verzoek tot het verrichten van een contra-expertise.
Het oordeel van de rechtbank.

Bewijsmiddelen 82-017856-23 en 82-323236-23 feit 1 (mensenhandel en dwang).

Omwille van de leesbaarheid van het vonnis wordt voor wat betreft de door de rechtbank gebezigde bewijsmiddelen verwezen naar de uitwerking daarvan in de bewijsbijlage die als bijlage I van dit vonnis deel uitmaakt. De bewijsmiddelen dienen in onderling verband en samenhang bezien te worden. De inhoud van die bijlage dient als hier herhaald en ingelast te worden beschouwd.

Bewijsoverwegingen 82-017856-23 (mensenhandel).

Het juridisch kader van mensenhandel, artikel 273f Sr.
Uit de wetsgeschiedenis kan worden afgeleid dat de mensenhandelbepaling in artikel 273f, eerste lid, Wetboek van Strafrecht (Sr) kan worden opgedeeld in verschillende kernhandelingen:
  • mensenhandel in het algemeen: handelingen die worden ondernomen ter verwezenlijking van het einddoel: uitbuiting (waaronder de gedragingen in sub 1),
  • aan mensenhandel gerelateerde vormen van uitbuiting (waaronder de gedragingen in sub 4) en
  • het trekken van profijt uit uitbuiting (daaronder begrepen de gedraging in sub 6).
De rechtbank moet in deze zaak beoordelen of verdachte zich (al dan niet samen met een ander) ten opzichte van [slachtoffer] schuldig heeft gemaakt aan mensenhandel in de zin van artikel 273f, lid 1, sub 1, 4 en 6 Sr). Bij die beoordeling geldt onderstaand juridisch kader.
Sub 1; handelen met een oogmerk van uitbuiting
In artikel 273f, eerste lid Sr, sub 1 zijn diverse handelingen strafbaar gesteld voor zover deze worden gefaciliteerd door een dwangmiddel en met het oogmerk van uitbuiting worden verricht.
Handelingen
De handelingen (werven, huisvesten en opnemen) hebben elk een neutrale en feitelijke betekenis en kunnen worden begrepen aan de hand van dagelijks taalgebruik. Zij dienen ruim te worden uitgelegd.
Dwangmiddelen
De in deze zaak relevante dwangmiddelen zijn ‘dreiging met geweld’, ‘dreiging met een andere feitelijkheid’, ‘misbruik van uit feitelijke omstandigheden voorvloeiend overwicht’ en ‘misbruik van een kwetsbare positie’. De inzet van een dwangmiddel dient ertoe te leiden dat iemand in een uitbuitingssituatie (‘een situatie die de gelegenheid tot uitbuiting schiep’) belandt of dat iemand wordt belet zich aan een uitbuitingssituatie te onttrekken.
Bij dreiging met geweld of een andere feitelijkheid hoeft het geweld of de andere feitelijkheid niet daadwerkelijk te zijn toegepast, maar wordt ermee gedreigd met het doel iemand in een situatie van uitbuiting te krijgen of houden. Feitelijkheden zijn in het algemeen alle handelingen die niet onder ‘geweld’ vallen. Wel moeten deze handelingen van zodanige aard zijn, dat zij in de gegeven omstandigheden leiden tot een zodanige psychische druk dat het slachtoffer hieraan geen weerstand kon bieden.
De misbruikdwangmiddelen, te weten ‘misbruik van uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht’ en ‘misbruik van een kwetsbare positie’ hebben feitelijke betekenis. Deze dwangmiddelen, die objectief moeten worden vastgesteld, kunnen elkaar deels overlappen. Deze misbruikdwangmiddelen kunnen veelal uit de omstandigheden worden afgeleid. De verdachte moet zich daarbij wel bewust zijn geweest van de relevante feitelijke omstandigheden van de betrokkene waaruit het overwicht voortvloeide of verondersteld wordt voort te hebben gevloeid, in die zin dat voorwaardelijk opzet ten aanzien van die omstandigheden bij hem aanwezig moet zijn. Datzelfde geldt voor gevallen waarin sprake is van een kwetsbare positie van het slachtoffer.
Indien tot een bewezenverklaring wordt gekomen van een van deze twee misbruikdwangmiddelen dient het feitelijk bewezenverklaarde hieraan invulling te geven.
Bij het misbruik maken van (1) een uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht is er sprake van een relationele ongelijkheid of van het brengen in een dergelijke situatie van ongelijkheid, waardoor de keuzevrijheid van het slachtoffer is beperkt. Misbruik kan worden verondersteld indien een tewerkgestelde in een situatie verkeert of komt te verkeren, die niet gelijk is aan de omstandigheden waarin een mondige werknemer in Nederland pleegt te verkeren.
Ten aanzien van het misbruik maken van (2) een anders ‘kwetsbare positie’ geeft artikel 273f, zesde lid, Sr aan dat hieronder
medewordt begrepen een situatie waarin een persoon geen andere werkelijke of aanvaardbare keuze heeft dan het misbruik te ondergaan.
(Oogmerk van) uitbuiting
Het begrip ‘uitbuiting’ heeft de wetgever niet gedefinieerd. De vraag of (en zo ja, wanneer) sprake is van ‘uitbuiting’ in de zin van artikel 273f Sr lid 1, is niet in algemene termen te beantwoorden, maar is sterk verweven met de omstandigheden van het geval. Bij de beantwoording van die vraag komt in gevallen als de onderhavige onder meer betekenis toe aan de aard en duur van de tewerkstelling, de beperkingen die zij voor de betrokkene meebrengt en het economisch voordeel dat daarmee door de tewerksteller wordt behaald. Bij de weging van deze en andere relevante factoren dienen de in de Nederlandse samenleving geldende maatstaven als referentiekader te worden gehanteerd.
.
Uitbuiting veronderstelt een bepaalde mate van onvrijwilligheid, die ziet op de onmogelijkheid om zich aan een situatie te onttrekken. Het slachtoffer wordt in een situatie gebracht of gehouden waarin hij of zij redelijkerwijs geen andere keuze heeft dan zich te laten exploiteren. Het aanwenden van een dwangmiddel beïnvloedt de wil, waaronder is begrepen de keuzemogelijkheid van het slachtoffer, in die zin dat het leidt tot het ontbreken van vrijwilligheid waartoe ook behoort het ontbreken of de vermindering van de mogelijkheid een bewuste keuze te maken. Wanneer gebruik is gemaakt van een dwangmiddel is instemming van het slachtoffer met de beoogde of bestaande uitbuiting daarom niet relevant.
De daadwerkelijke uitbuiting hoeft bij de beoordeling van artikel 273f, eerste lid, sub 1 Sr nog niet te hebben plaatsgevonden, voldoende is de (onmiskenbare) bedoeling van de dader. Voor het oogmerk van uitbuiting is vereist dat het handelen van verdachte, naar hij moet hebben beseft, als noodzakelijk en dus door hem gewild gevolg meebracht dat de ander door hem werd of zou kunnen worden uitgebuit. Het oogmerk van de dader dient te zijn gericht op de uitbuiting, voorwaardelijk opzet is niet voldoende.
Sub 4; uitbuiting
Artikel 273f, eerste lid, sub 4 Sr ziet op de daadwerkelijke uitbuiting. Het gaat er hierbij om een ander met een dwangmiddel (dezelfde als genoemd in sub 1) te dwingen of te bewegen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van arbeid of onder de in sub 1 genoemde omstandigheden enige handeling te ondernemen waarvan hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat die ander zich daardoor daartoe beschikbaar stelt.
De Hoge Raad heeft uitgemaakt dat, hoewel ‘uitbuiting’ als zodanig niet in de tekst van sub 4 is opgenomen, dit daarin wel moet worden ingelezen en daarmee een impliciet bestanddeel daarvan vormt. De gedragingen, bedoeld in sub 4, kunnen slechts als mensenhandel worden bestraft, indien uit de bewijsvoering volgt dat zij zijn begaan onder omstandigheden waarbij uitbuiting kan worden verondersteld.
Het onderscheid met betrekking tot de dwangmiddelen in sub 1 en sub 4 zit in het gegeven dat in sub 1 het dwangmiddel ziet op de handeling werven, vervoeren, etc., terwijl in sub 4 het dwangmiddel direct is gelinkt aan het laten werken. Het ‘zich beschikbaar stellen’ is daarbij voldoende, wat betekent dat er ook hier niet daadwerkelijk gewerkt hoeft te zijn om tot een voltooid delict te komen.
Sub 6; voordeel trekken uit de uitbuiting
Strafbaar op grond van artikel 273f, eerste lid, sub 6 Sr is degene die opzettelijk voordeel trekt uit de uitbuiting van een ander. Het opzet dient gericht te zijn op zowel het voordeel trekken als de uitbuiting van een ander. Een dwangmiddel is hier niet nodig.
De betrouwbaarheid van verklaringen.
De rechtbank stelt met betrekking tot de verklaringen van [slachtoffer] voorop dat zij in al haar verhoren door de tijd heen consistent en gedetailleerd heeft verklaard. Dit maakt dat de verklaringen van [slachtoffer] de rechtbank betrouwbaar voorkomen. Daarbij heeft zij in haar allereerste verklaringen, toen zij nadrukkelijk niet de wens had om [bedrijf 1] en verdachte te verlaten, al wel belastend over verdachte verklaard. Daartegenover heeft zij ook positieve elementen belicht over de omstandigheden waaronder zij woonde en werkte. Ook dat draagt naar het oordeel van de rechtbank bij aan de betrouwbaarheid van haar verklaringen. Bovendien vinden haar verklaringen steun in meerdere, van die verklaring onafhankelijke bewijsmiddelen, waaronder de camerabeelden van [bedrijf 1] , de bevindingen met betrekking tot haar woonsituatie, opgenomen en afgeluisterde telefoongesprekken, chatberichten, getuigenverklaringen en voor een deel ook de verklaringen van verdachte zelf. De rechtbank gaat bij de beoordeling van het bewijs dan ook uit van de juistheid van de verklaringen van [slachtoffer] en neemt haar verklaringen als uitgangspunt.
De rechtbank stelt voorop dat zij slechts een aantal van de vele getuigenverklaringen uit het dossier voor het bewijs bezigt, en dat de verweren van de verdediging met betrekking tot de betrouwbaarheid van de getuigenverklaringen die door de rechtbank niet voor het bewijs worden gebezigd daarom onbesproken blijven.
De rechtbank heeft in de bewijsmiddelen, naast de verklaringen van [slachtoffer] , getuigenverklaringen opgenomen van [getuige 1] , [getuige 2] , [getuige 3] en [getuige 4] . De rechtbank is van oordeel dat deze getuigenverklaringen betrouwbaar zijn en dat deze getuigen geloofwaardig hebben verklaard. De getuigenverklaringen ondersteunen elkaar namelijk over en weer op cruciale punten en zijn ook consistent met andere bewijsmiddelen, waaronder de verklaringen van [slachtoffer] en de camerabeelden. Dat de getuigen niet bij alle gebeurtenissen waarover zij verklaren zelf fysiek aanwezig waren, doet niet af aan de betrouwbaarheid van hun verklaringen, mede nu zij juist duidelijk aangeven wat zij wel en niet zelf hebben waargenomen.
De rechtbank overweegt dat het vragen naar het begrip arbeidsuitbuiting door de verhorende verbalisanten aan het begin van de verhoren niet met zich brengt dat de getuigen dermate zijn beïnvloed dat de verklaringen onwaar zijn. De getuigen verklaren immers ook heel duidelijk indien zij iets niet hebben gezien, zoals bijvoorbeeld geweld, of als ze iets niet weten. Daarnaast heeft ten aanzien van de getuigen [getuige 1] , [getuige 2] en [getuige 4] nog te gelden dat de verdediging in de gelegenheid is geweest ze hierover te bevragen bij de rechter-commissaris en dat die verhoren evenmin aanknopingspunten hebben opgeleverd om van beïnvloeding door de start van de verhoren te kunnen spreken. Van een onherstelbaar vormverzuim is dan ook geen sprake. Gelet daarop ziet de rechtbank geen reden om deze getuigenverklaringen uit te sluiten van het bewijs of anderszins gevolgen te verbinden aan de inleiding van de verhoren.
De feiten en omstandigheden in deze zaak.
Voordat de rechtbank het juridisch kader zal toepassen in deze zaak, zal zij eerst een aantal feiten en omstandigheden vaststellen waar de rechtbank bij de beoordeling van uitgaat. Op grond van de inhoud van de bewijsmiddelen stelt de rechtbank de volgende feiten en omstandigheden vast.
De woonsituatie van [slachtoffer]
Nadat [slachtoffer] op haar 18e dakloos dreigde te raken heeft verdachte [slachtoffer] aangeboden om bij [bedrijf 1] te komen wonen, in een chalet dat (onder meer) aan verdachte toebehoorde. In ruil voor de bewoning van het chalet zou [slachtoffer] werkzaamheden verrichten op [bedrijf 1] , werkzaamheden die zij gedurende een eerdere stageperiode ook al (deels) deed. Daarnaast zou [slachtoffer] haar pony Sultan, waaraan zij erg gehecht was, kunnen blijven stallen op [bedrijf 1] . [slachtoffer] heeft dit aanbod geaccepteerd; het was vertrouwd bij verdachte en ze had plezier in haar werkzaamheden met de paarden.
Er is niets op papier gezet over het permanente verblijf van [slachtoffer] in het chalet. Er is alleen een mondelinge overeenkomst gesloten dat [slachtoffer] maandelijks een vast bedrag van € 200,- zou betalen voor de huur van het chalet. Dat verdachte ter zitting tijdens de inhoudelijke behandeling dit bedrag als vergoeding voor het gebruik van gas, water en licht heeft geduid en nadrukkelijk niet als huur, schuift de rechtbank gelet op de eerdere eigen verklaring van verdachte bij de arbeidsinspectie en de verklaring van [slachtoffer] als ongeloofwaardig ter zijde. Na een jaar is het bedrag aan huur verhoogd naar € 300,- per maand. Deze huur is ook telkens door [slachtoffer] betaald aan verdachte. [slachtoffer] heeft verklaard dat zij geen vergoeding voor gas, water- en licht hoefde te betalen omdat zij in ruil daarvoor werkte op [bedrijf 1] . [slachtoffer] hoefde ook geen stallingskosten te betalen voor Sultan maar moest in ruil daarvoor fulltime voor verdachte gaan werken.
[slachtoffer] woonde op zichzelf in het chalet, maar heeft verklaard dat zij door de lange dagen die zij moest werken geen energie meer had om het huishouden te doen en zichzelf te verzorgen. Verbalisanten die het chalet hebben betreden hebben een verwaarloosde situatie beschreven. Overal door de woning lagen kledingstukken, op het aanrecht in de keuken lagen meerdere beschimmelde etensresten, de badkamer was vrijwel onbegaanbaar waarbij de wastafel volledig beschimmeld was en het toilet en douchegedeelte deels beschimmeld. In de woon- en slaapkamer lagen beschimmelde etensresten, uitwerpselen van ongedierte, gebruikt en beschimmeld etensgerei en losliggende vloerdelen. Overal in de woning zaten spinnenwebben. Verdachte wist dat het chalet vies was.
[slachtoffer] heeft verklaard dat zij meerdere keren op het punt heeft gestaan om haar spullen te pakken en weg te gaan omdat het te zwaar voor haar werd. Doordat zij – in ieder geval voor haar gevoel – nergens anders naartoe kon, is zij bij verdachte gebleven.
De aard en duur van de werkzaamheden van [slachtoffer]
Op grond van de verklaringen van [slachtoffer] , verschillende getuigen en camerabeelden stelt de rechtbank vast dat [slachtoffer] gedurende de hele tenlastegelegde pleegperiode, dus voor de duur van ruim 11 jaren, 7 dagen per week een groot aantal uren per dag werkzaamheden verrichtte die direct verband hielden met [bedrijf 1] en de verzorging van de aldaar gestalde paarden. Verdachte had hierin een sturende en leidinggevende rol, waarbij [slachtoffer] de werkzaamheden zelfstandig uitvoerde. De werkzaamheden bestonden uit fysiek werk dat voor het overgrote deel iedere dag moest worden gedaan om een goede verzorging van de paarden te garanderen. Het mesten van de paardenstallen deed [slachtoffer] tot en met 2018 samen met [betrokkene 1] en daarna alleen. De overige werkzaamheden deed [slachtoffer] grotendeels of volledig alleen.
Op grond van de gedetailleerde verklaring van [slachtoffer] over hoe een gemiddelde dag op [bedrijf 1] er voor haar uitzag gaat de rechtbank uit van (gemiddeld) 7,25 werkzame uren per dag, met uitzondering van zondag. De verklaring van [slachtoffer] dat zij gedurende de gehele pleegperiode van maandag tot en met zaterdag ongeveer 7 uur en op zondag ongeveer 4 uur aan het werk was op [bedrijf 1] wordt ondersteund door camerabeelden, een deskundigenrapport van Paard en Advies over het benodigde aantal uren om [bedrijf 1] draaiende te houden en getuigenverklaringen. Dat dit aantal uren van dag tot dag en ook in de loop van het aantal jaren varieerde is evident, maar dat er dagelijks een groot aantal uren (zoals ten laste is gelegd) fysiek werk werd verricht door [slachtoffer] kan genoegzaam uit de bewijsmiddelen worden afgeleid. De hulp die [slachtoffer] tot en met 2018 kreeg van [betrokkene 1] zag alleen op het mesten van de stallen, waardoor [slachtoffer] toen ongeveer 1 tot 2 uren per dag minder werkte dan de periode vanaf 2019 waarin zij veelal alleen de stallen mestte.
[slachtoffer] is door verdachte nooit verloond voor de werkzaamheden die zij op [bedrijf 1] verrichte, zij heeft überhaupt nooit enige financiële vergoeding gehad voor haar werkzaamheden, dit terwijl zij wel maandelijks een vast bedrag betaalde voor huur van het chalet. Ook heeft [slachtoffer] geen vakantiedagen gehad en liet verdachte [slachtoffer] , wanneer zij ziek was, doorwerken op [bedrijf 1] . Als [slachtoffer] te lang pauze nam in haar chalet om bijvoorbeeld een broodje te eten dan kreeg zij op haar kop van verdachte dat zij te lang was weggebleven. Verdachte hield [slachtoffer] veelal in de gaten.
Fysiek en verbaal geweld
Op grond van de verklaringen van [slachtoffer] ondersteund door de verklaringen van verdachte zelf stelt de rechtbank verder vast dat verdachte [slachtoffer] meermaals fysiek heeft mishandeld door haar te slaan, te schoppen, aan haar haren te trekken en [slachtoffer] bij de keel te grijpen. Deze mishandelingen waren gerelateerd aan de werkzaamheden van [slachtoffer] . De geweldshandelingen die [slachtoffer] beschrijft, vonden plaats op [bedrijf 1] en ontstonden naar aanleiding van frustratie bij verdachte over het niet of niet goed uitvoeren van de werkzaamheden door [slachtoffer] . Verdachte was ook regelmatig verbaal agressief, boos, intimiderend, denigrerend en dreigend richting [slachtoffer] , zo blijkt uit de verklaringen van [slachtoffer] en de in de bewijsmiddelen opgenomen getuigenverklaringen.
De kwetsbaarheid en afhankelijkheid van [slachtoffer]
De rechtbank stelt op grond van de bewijsmiddelen verder vast dat [slachtoffer] gedurende de tenlastegelegde periode een kwetsbaar persoon was. Daarbij spelen zowel de feitelijke omstandigheden in haar leven als psychosociale aspecten van [slachtoffer] een rol. Rond haar 17e levensjaar is [slachtoffer] uit huis gezet door haar moeder. Er was daaraan voorafgaand veel ruzie thuis. Nadat [slachtoffer] uit huis werd gezet heeft zij tijdelijk bij een vriendin en de moeders van die vriendin gewoond. Toen zij 18 jaar oud werd, kon [slachtoffer] daar ook niet langer verblijven en dreigde zij op straat te komen staan. De pony van [slachtoffer] was al sinds 2007 op [bedrijf 1] gestald. Op het moment dat [slachtoffer] dakloos dreigde te worden bood verdachte haar aan om bij verdachte op [bedrijf 1] te komen wonen. Verdachte wist dat [slachtoffer] geen concrete alternatieve woonruimte had en hoe belangrijk het voor haar was om in de nabijheid van haar pony te verblijven. Uit deskundigenonderzoek naar de kwetsbaarheid van [slachtoffer] blijkt onder andere dat [slachtoffer] zeer zwakke verbale capaciteiten heeft en dat er sprake is van kwetsbaarheid. Het zeer zwakke verbale vermogen brengt met zich dat [slachtoffer] spanningen, gevoelens van onvrede en problemen moeilijk kan verwoorden. Wanneer [slachtoffer] zich vertrouwd voelt bij de ander, kan ze zich vastklampen en lijkt daarin moeite te hebben met het bewaken van haar eigen grenzen en die van de ander. Er lijkt sprake te zijn van afhankelijke trekken en de autonomie van [slachtoffer] is beperkt ontwikkeld. [slachtoffer] lijkt volgens de deskundige te moeten leunen op anderen.
De rechtbank stelt verder vast dat het leven van [slachtoffer] zich nagenoeg volledig afspeelde op [bedrijf 1] omdat zij daar woonde, daar lange dagen werkte en het erf alleen verliet voor het bezorgen van kranten en sporadische uitjes met bij [bedrijf 1] betrokken personen, waaronder verdachte. [slachtoffer] had gedurende haar verblijf op [bedrijf 1] geen contact met familieleden en zeer beperkt tot geen contact met vrienden, waardoor zij zich in een sociaal isolement bevond. Verder beschikte [slachtoffer] niet over een eigen computer en voor grote delen van de pleegperiode ook niet over een privé-telefoon.
De juridische beoordeling in deze zaak.

Partiële vrijspraken 82-017856-23.

De rechtbank zal verdachte partieel vrijspreken van het in vereniging plegen van de mensenhandel. Er is geen bewijs dat verdachte de mensenhandel in nauwe en bewuste samenwerking met een ander heeft gepleegd. Verder spreekt de rechtbank verdachte ook partieel vrij van een aantal andere onderdelen van de tenlastelegging.
Zo oordeelt de rechtbank dat niet kan worden gezegd dat verdachte [slachtoffer] gedwongen heeft de inkomsten uit haar krantenwijk af te staan aan verdachte. [slachtoffer] bracht ook al voordat zij op [bedrijf 1] kwam wonen kranten rond en is dit blijven doen. De inkomsten van de krantenwijken werden op de eigen rekening van [slachtoffer] gestort. Dat een klein deel van deze inkomsten werd gebruikt om de huur van het chalet te betalen is onvoldoende om dit onderdeel te laten zijn van de uitbuitingssituatie. Hetzelfde geldt voor de cashontvangsten van de krantenwijk van [slachtoffer] (de eindejaarsfooien) die verdachte voor haar bewaarde.
De rechtbank spreekt verdachte ook partieel vrij van de tenlastegelegde feitelijkheid dat [slachtoffer] geen beschikking had over haar eigen pinpas en ook niet het beheer voerde over haar eigen bankrekening. Verdachte was weliswaar gedurende een korte periode gemachtigd handelingen te verrichten op de bankrekening van [slachtoffer] , maar de rechtbank kan niet vaststellen dat [slachtoffer] op enig moment geen beschikking of zeggenschap heeft gehad over haar toebehorende gelden. Uit het dossier volgt ook niet dat [slachtoffer] beperkt werd in haar keuzevrijheid met betrekking tot haar eigen geld. [slachtoffer] is door de machtiging op haar rekening dan ook niet in een situatie gekomen dat zij geen weerstand aan verdachte kon bieden of zich redelijkerwijs niet kon onttrekken aan de uitbuiting.
Verder kan de rechtbank niet vaststellen dat verdachte [slachtoffer] geen vrije tijd of pauze heeft toegekend en/of geen zeggenschap gegeven hoe zij haar vrije tijd mocht invullen en met wie zij in haar vrije tijd mocht omgaan. Ook kan niet voldoende vastgesteld worden dat [slachtoffer] werkzaamheden verrichtte thuis bij verdachte, waardoor verdachte ook voor deze onderdelen van de tenlastelegging wordt vrijgesproken.

De dwangmiddelen

Om tot een bewezenverklaring te kunnen komen van de tenlastegelegde mensenhandel moet verdachte in ieder geval een of meerdere dwangmiddelen hebben gebruikt. De rechtbank zal daarom hieronder eerst de tenlastegelegde dwangmiddelen bespreken.
Dreiging met geweld
Uit de bewijsmiddelen, in het bijzonder de verklaringen van [slachtoffer] en getuigen, volgt dat verdachte gedurende de pleegperiode veelvuldig verbaal alsook fysiek agressief was tegenover [slachtoffer] . [slachtoffer] heeft verklaard dat zij bang was dat verdachte boos zou worden en dat zij mede daardoor het gevoel had dat zij werkzaamheden moest doen. [slachtoffer] moest er ernstig rekening mee houden dat als zij de werkzaamheden op [bedrijf 1] niet of niet naar tevredenheid van verdachte verrichtte, dat verdachte dan fysiek en/of verbaal geweld tegen haar zou gebruiken.. Gelet op deze ‘dreigende’ situatie is sprake van het dwangmiddel bedreiging met geweld door verdachte.
Dreiging met andere feitelijkheden
Uit de verklaringen van [slachtoffer] volgt dat verdachte meermaals verbaal heeft gedreigd [slachtoffer] weg te sturen van [bedrijf 1] en haar met haar pony op straat te zetten als zij iets niet deed. Deze uitlatingen moeten worden gezien in het licht van de verklaring van [slachtoffer] dat zij nergens anders naar toe kon en de omstandigheden dat [slachtoffer] eerder al door (onder meer) haar moeder uit huis was gezet.
Tegen die achtergrond levert de dreiging [slachtoffer] weg te sturen van de haar vertrouwde woonomgeving het dwangmiddel dreiging met andere feitelijkheden op.
Misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en misbruik van een kwetsbare positie.
De rechtbank oordeelt dat de hiervoor vastgestelde feiten en omstandigheden in deze zaak maken dat [slachtoffer] een kwetsbare positie had. Bovendien had verdachte op grond van deze feiten en omstandigheden een duidelijk overwicht op [slachtoffer] . Door dit samenspel was [slachtoffer] makkelijker te beïnvloeden en te sturen dan een gemiddelde, mondige werknemer in een soortgelijke situatie en bevond ze zich niet in een situatie die vergeleken kan worden met een normale mondige Nederlandse werknemer. [slachtoffer] had geen sociaal vangnet en was voor haar woonruimte ook afhankelijk van verdachte. [slachtoffer] heeft consequent verklaard dat zij door de afhankelijkheid van onder meer de woonruimte die verdachte haar bood op [bedrijf 1] en de stalling van haar paard Sultan is gebleven en daar is blijven werken. [slachtoffer] had aldus geen andere werkelijke of aanvaarbare keuze dan het misbruik te ondergaan.
Verdachte kende [slachtoffer] al een aantal jaren bij aanvang van de tenlastegelegde pleegperiode en wist van haar achtergrond. Verdachte wist dan ook vanaf het begin van de pleegperiode dat [slachtoffer] kwetsbaar was en heeft misbruik gemaakt van die kwetsbare en afhankelijke positie waarin [slachtoffer] zich, mede door toedoen van verdachte, bevond en van het overwicht dat zij op [slachtoffer] had.

Lid 1 sub 1

De rechtbank oordeelt dat verdachte [slachtoffer] in de pleegperiode onder toepassing van de hiervoor besproken dwangmiddelen heeft gehuisvest en opgenomen op [bedrijf 1] met het oogmerk van uitbuiting. De rechtbank kan niet uitsluiten dat verdachte op het moment dat zij [slachtoffer] aanbood om op [bedrijf 1] te komen wonen en werken goede bedoelingen had en in zekere zin medelijden had met de op dat moment hulpeloze en (bijna) dakloze [slachtoffer] . De rechtbank oordeelt dan ook dat niet kan worden vastgesteld dat verdachte [slachtoffer] heeft geworven met het oogmerk tot uitbuiting.
Verdachte heeft naar het oordeel van de rechtbank echter in ieder geval na verloop van tijd en vanaf de start van de tenlastegelegde periode het oogmerk gehad tot uitbuiting. Bij die vaststelling spelen de intensieve aard en duur van de werkzaamheden als hiervoor weergegeven een belangrijke rol. Doordat [slachtoffer] ook bij [bedrijf 1] woonde, kon zij gedurende tijdstippen verspreid over de dag en iedere dag opnieuw deze werkzaamheden te verrichten. Een direct gevolg van deze werkzaamheden was dat [slachtoffer] ernstige beperkingen ondervond, zoals het permanent wonen in een daarvoor ongeschikt chalet dat zij niet in staat was om leefbaar en schoon te houden. Ook was zij te moe om aan zelfverzorging te doen. Verder kon zij tijdens de uren dat zij (onbetaald) voor verdachte werkte geen alternatief, betaald werk verrichten. Het nadeel voor [slachtoffer] bestond verder onder meer uit fysieke en verbale agressie, die soms ook leidde tot fysiek letsel, en het moeten doorwerken tijdens ziekte.
Verdachte heeft ook veel economisch voordeel behaald door de arbeid die zij [slachtoffer] liet verrichten, zo heeft zij gedurende ruim elf jaar vele loonkosten bespaard en kon zij in de tijd dat [slachtoffer] werkte haar eigen (werk)tijd indelen door bijvoorbeeld voor het bedrijf waar zij mede-eigenaar van was, [bedrijf 2] , te werken. Nu verdachte zich heeft bediend van de inzet van dwangmiddelen, is voor het oogmerk van uitbuiting niet van belang of [slachtoffer] de werkzaamheden op enig moment eventueel vrijwillig heeft verricht, of dat zij op enig moment toch ‘vrij’ was om te stoppen met de arbeid.
Door [slachtoffer] ondanks voornoemd(e) (oogmerk tot) uitbuiting te blijven huisvesten en onderdeel te laten zijn van de dagelijkse gang van zaken op en rondom [bedrijf 1] heeft verdachte haar niet alleen gehuisvest met het oogmerk tot uitbuiting, maar ook opgenomen met datzelfde oogmerk.

Lid 1 sub 4

Door de hiervoor besproken feiten en omstandigheden bevond [slachtoffer] zich op [bedrijf 1] in een uitbuitingssituatie. [slachtoffer] is door verdachte in een situatie gebracht en gehouden waarin zij redelijkerwijs geen andere keuze had dan voor verdachte te blijven werken. Daarbij zijn de reeds besproken afhankelijkheid en kwetsbaarheid van belang, net als de terugkerende verbale, fysieke en feitelijke dreigementen waaronder [slachtoffer] gebukt ging. Dat [slachtoffer] (deels) plezier had in het werken met en verzorgen van paarden en om die reden ook positieve associaties had met de werkzaamheden doet niet af aan de uitbuitingssituatie waarin zij zich bevond, met name gelet op de omvang, aard, intensiteit en duur van haar werkzaamheden. [slachtoffer] haar verklaringen tonen dat ook aan; zij deed het werk vooral omdat dit van verdachte moest, zij bang was voor de gevolgen als zij dit niet deed en omdat zij zich verantwoordelijk voelde voor de paarden waarvan zij de belangrijkste verzorger was. Omdat sprake is van meerdere dwangmiddelen doet de eventuele vrijwilligheid van [slachtoffer] niet ter zake. [slachtoffer] had gezien alle uit de bewijsmiddelen blijkende feiten en omstandigheden redelijkerwijs geen andere keuze dan zich door verdachte te laten uitbuiten.

Lid 1 sub 6

De rechtbank heeft vastgesteld dat verdachte ten opzichte van [slachtoffer] een uitbuitingssituatie heeft gecreëerd en in stand heeft gehouden. Verdachte heeft ook opzettelijk (willens en wetens) voordeel getrokken uit deze uitbuiting van [slachtoffer] . Dit voordeel bestond vooral uit financieel voordeel doordat zij ruim elf jaar lang geen salaris aan [slachtoffer] betaalde. Doordat [slachtoffer] de paarden en stallen onderhield hoefde verdachte daar niemand anders voor in te schakelen (en te betalen). Door het werk dat [slachtoffer] verrichtte, hoefde verdachte zelf de werkzaamheden op [bedrijf 1] niet uit te voeren. Dat leverde ook financieel voordeel op nu verdachte – zo blijkt uit het dossier – terwijl [slachtoffer] aan het werk was, werkzaamheden kon verrichten voor het bedrijf [bedrijf 2] .

Conclusie ten aanzien van mensenhandel

Door de feiten en omstandigheden zoals deze blijken uit de bewijsmiddelen is een (afhankelijkheids) situatie ontstaan waaraan [slachtoffer] zij niet heeft kunnen onttrekken en ten gevolge waarvan zij geen weerstand aan verdachte heeft kunnen bieden. De tenlastegelegde mensenhandel kan op grond van het voorgaande wettig en overtuigend worden bewezen.

Bewijsoverweging 82-323236-23 feit 1 (dwang).

Gezien de overlap tussen zowel de juridische kaders als de tenlasteleggingen van dit feit en de hiervoor besproken mensenhandel verwijst de rechtbank voor wat betreft het bewijs voor dit feit grotendeels naar de bewijsmiddelen en de reeds hiervoor weergegeven overwegingen. In aanvulling daarop overweegt de rechtbank het volgende.
Onder dit feit wordt verdachte, anders dan bij de mensenhandelverdenking, verdacht van het (wederrechtelijk) dwingen van [slachtoffer] door geweld of een andere feitelijkheid. Gelet op de eerdere vaststellingen omtrent de daadwerkelijke toepassing van zowel fysiek als verbaal geweld, de omstandigheid dat verdachte meermalen tegen [slachtoffer] heeft gezegd “je blijft” en het misbruik door verdachte van de kwetsbaarheid van [slachtoffer] kunnen ook deze bestanddelen wettig en overtuigend worden bewezen
Niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte opzettelijk een vriendschappelijke relatie met [slachtoffer] is aangegaan en heeft onderhouden, althans [slachtoffer] in de veronderstelling heeft laten verkeren dat zij een vriend was en/of een soort dochter was en daarmee [slachtoffer] onder haar invloedssfeer heeft gebracht. De feitelijke situatie was dusdanig dat [slachtoffer] verdachte zag als een surrogaatmoeder en verdachte haar soms ook aanduidde als een soort dochter, maar de rechtbank is er niet van overtuigd dat verdachte die relatie heeft doen ontstaan en ingezet met als doel om [slachtoffer] onder haar invloedssfeer te brengen. Verdachte wordt voor dat deel van de tenlastelegging dus partieel vrijgesproken.
Voorwaardelijke verzoeken.
De rechtbank wijst de voorwaardelijke verzoeken af. Daarbij hanteert de rechtbank het noodzaakscriterium, nu deze verzoeken ter terechtzitting (opnieuw) zijn gedaan en eerder al waren afgewezen.
Getuigenverzoeken
Namens verdachte is door de voormalig raadsman op 6 maart 2024 en 6 november 2024 al verzocht om deze getuigen te horen. Die verzoeken zijn op beide momenten door de rechtbank afgewezen. Op 17 juli 2025 heeft de huidige raadsman van verdachte wederom verzocht deze getuigen te horen, hetgeen door de rechter-commissaris is afgewezen. Onder verwijzing naar de motiveringen van deze afwijzende beslissingen wijst de rechtbank de getuigenverzoeken ook nu af. De rechtbank acht het niet noodzakelijk om deze getuigen te horen in het kader van de beantwoording van de vragen uit artikelen 348 en 350 Wetboek van Strafvordering.
Verzoek tot een contra-expertise
Ook het verzoek tot het benoemen van een deskundige teneinde een contra-expertise te doen verrichten over de benodigde tijd voor de werkzaamheden op [bedrijf 1] wijst de rechtbank af. Dit verzoek is eerder al op 6 maart 2024 gedaan door de voormalig raadsman van verdachte. Dat verzoek is door de rechtbank gemotiveerd afgewezen op 20 maart 2024. De toenmalig raadsman is destijds in de gelegenheid gesteld om aanvullende vragen te formuleren voor Paard en Advies en de raadsman heeft van die gelegenheid ook gebruik gemaakt. Paard en Advies heeft die aanvullende vragen schriftelijk beantwoord in een aanvullende brief, die deel uitmaakt van het procesdossier. De huidig raadsman van verdachte heeft vervolgens bij het indienen van zijn onderzoekswensen niet om een contra-expertise gevraagd. De rechtbank ziet ook nu, op grond van dezelfde motivering als gegeven op 20 maart 2024, geen noodzaak tot het doen uitvoeren van een contra-expertise.
Vrijspraak 82-323236-23 feit 2 (het overtreden van de Arbeidsomstandighedenwet).
De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het overtreden van de Arbeidsomstandighedenwet, en overweegt daartoe als volgt.
De eerste vraag die de rechtbank moet beantwoorden bij de beoordeling van dit feit is of verdachte als werkgever van [slachtoffer] kan worden aangemerkt en [slachtoffer] als werknemer van verdachte. Op grond van de Arbeidsomstandighedenwet kan onder andere worden aangemerkt als werkgever degene die zonder werkgever in de zin van het eerste lid van artikel 1 van Pro de Arbeidsomstandighedenwet te zijn, een ander onder zijn gezag arbeid doet verrichten en als werknemer de betreffende ander. Uit de bewijsmiddelen die als bijlage aan dit vonnis zijn gehecht, in onderling verband en samenhang bezien, volgt dat [slachtoffer] onder gezag van verdachte arbeid verrichte op [bedrijf 1] . Verdachte was degene die [slachtoffer] aanstuurde en haar opdrachten gaf met betrekking tot de werkzaamheden. Ook werd verdachte boos op [slachtoffer] indien zij de werkzaamheden niet of niet naar tevredenheid verrichtte, en hield verdachte [slachtoffer] in de gaten. Verdachte moet daarom als werkgever van [slachtoffer] worden aangemerkt in de zin van de Arbeidsomstandighedenwet.
Om tot een veroordeling voor het onder 82-323236-23 feit 2 tenlastegelegde te kunnen komen moet verder komen vast te staan dat verdachte opzettelijk het in artikel 3, eerste lid aanhef en onder a en/of het tweede lid van de Arbeidsomstandighedenwet heeft overtreden, en dat daardoor levensgevaar of ernstig gevaar voor de gezondheid van [slachtoffer] ontstond of te verwachten was. De rechtbank overweegt als volgt.
Met betrekking tot beide overtredingen van artikel 3 Arbeidsomstandighedenwet geldt dat het dossier geen stukken bevat waaruit concreet blijkt hoe verdachte het veiligheids- en gezondheidsbeleid dan wel het algemeen arbeidsomstandighedenbeleid van [bedrijf 1] onder de gegeven omstandigheden had moeten inrichten en welke standaard daarbij gehanteerd had moeten worden. Het is voor de rechtbank daardoor niet mogelijk om een opzettelijke overtreding van genoemde bepalingen te kunnen vaststellen.
Voor de opzettelijke overtreding van het in artikel 3, tweede lid van de Arbeidsomstandighedenwet bepaalde, kort gezegd het niet voeren van een (arbeidsomstandigheden)beleid dat gericht is op het voorkomen en indien dat mogelijk is beperken van psychosociale arbeidsbelasting, is daarnaast nog van belang dat de opsteller van de tenlastelegging ervoor heeft gekozen om de in dat kader verweten gedragingen te beperken tot de verbale en fysieke agressie door verdachte richting [slachtoffer] . Daarbij wordt verdachte dus niet verweten dat zij [slachtoffer] op andere wijze psychosociaal zou hebben belast, zoals bijvoorbeeld het jarenlang laten verrichten van arbeid zonder verloning. De op grond van het dossier vast te stellen verbale en fysieke agressie op [bedrijf 1] was naar het oordeel van de rechtbank niet dusdanig dat dit leidde tot levensgevaar of ernstig gevaar voor de gezondheid van [slachtoffer] , dan wel dat dit te verwachten was.
Gelet op het voorgaande wordt verdachte vrijgesproken van dit feit.

De bewezenverklaring.

82-017856-23
zij in de periode van 1 november 2011 tot en met 27 juni 2023 te Kamerik
(lid 3 sub 1)
een ander, te weten [slachtoffer] door dreiging met geweld en andere feitelijkheden en door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en door misbruik van een kwetsbare positie
(lid 1 sub 1)
heeft gehuisvest en opgenomen, met het oogmerk van uitbuiting van die [slachtoffer]
en
(lid 1 sub 4)
heeft gedwongen of bewogen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van arbeid
en
(lid 1 sub 6)
opzettelijk voordeel heeft getrokken uit de uitbuiting van die [slachtoffer] ,
immers heeft zij, verdachte, die [slachtoffer]
- woongelegenheid verschaft in een caravan op het erf van [bedrijf 1] van [verdachte] (=huisvesten), en
- onderdeel laten zijn van (dagelijkse gang van zaken) op [bedrijf 1] (=opnemen) en
- een groot aantal uren per dag, gedurende 7 dagen per week werkzaamheden laten verrichten op [bedrijf 1] en
- voor die werkzaamheden geen (geregistreerd) dienstverband geboden en
- geen loon betaald en geen vakantie gegeven, en
- door laten werken tijdens ziekte en
- fysiek mishandeld door die [slachtoffer] met een vlakke hand op de zijkant van haar gezicht te slaan en haar te schoppen op haar been en rug en aan haar haren te trekken en met twee handen om haar keel heen te grijpen, terwijl die mishandeling gerelateerd was aan de te verrichten arbeid en dreigend en schreeuwend en agressief en boos en intimiderend en denigrerend en overheersend bejegend,
terwijl zij wist dat die [slachtoffer] kwetsbaar en gemakkelijk te beïnvloeden was en geen onderkomen elders had en
- terwijl de pony van die [slachtoffer] zich op [bedrijf 1] van verdachte bevond en
- terwijl die [slachtoffer] niet beschikte over een eigen computer en een eigen telefoon en
- terwijl die [slachtoffer] zich in een sociaal isolement bevond omdat zij geen contact meer heeft met haar familie en over een beperkte vriendengroep beschikt,
door welke feiten en omstandigheden voor die [slachtoffer] een (afhankelijkheids)situatie is ontstaan waaraan zij zich niet heeft kunnen onttrekken en ten gevolge waarvan zij geen weerstand aan verdachte heeft kunnen bieden.
82-323236-23
1
zij in de periode van 1 november 2011 tot en met 27 juni 2023 te Kamerik, , een ander, te weten [slachtoffer]
(lid 1 sub 1)
(meermalen) door geweld of andere feitelijkheid en door bedreiging met geweld of enige andere feitelijkheid gericht tegen die ander, wederrechtelijk heeft gedwongen iets te doen en/of te dulden,
immers heeft verdachte die [slachtoffer] in de periode van 1 november 2011 tot en met 27 juni 2023 gedwongen
- een groot aantal uren per dag, gedurende 7 dagen per week (werkzaamheden te verrichten op [bedrijf 1] , terwijl voor die werkzaamheden geen (geregistreerd) dienstverband is geboden en geen loon is betaald, en
- geen vakantie, gegeven en
- door te werken tijdens ziekte, en
- om te wonen onder erbarmelijke omstandigheden in een caravan op het erf van [bedrijf 1] van verdachte, en
- onderdeel te zijn van (de dagelijkse gang van zaken) op [bedrijf 1] .
welk geweld en welke feitelijkheid en/of bedreiging met geweld of feitelijkheid hierin bestonden dat zij, verdachte,
- misbruik heeft gemaakt van de kwetsbaarheid van die [slachtoffer] (omdat zij wist dat die [slachtoffer] kwetsbaar en gemakkelijk te beïnvloeden was) en
- zich in de omgang met die [slachtoffer] schreeuwend en agressief en boos en intimiderend heeft opgesteld en
- die [slachtoffer] heeft geslagen en geschopt en aan haar haren getrokken, en
- die [slachtoffer] dreigde eruit te zetten en te laten vertrekken als zij de werkzaamheden niet deed en
- die [slachtoffer] heeft verteld dat zij moest blijven wanneer die [slachtoffer] besloten had om weg te gaan en te vertrekken bij verdachte en
- door vaak boos te reageren als die [slachtoffer] iets niet naar wens van verdachte deed of iets was vergeten wat die [slachtoffer] van haar moest doen en door te schreeuwen en door te slaan en door te schoppen en door aan [slachtoffer] haar te trekken een sfeer heeft gecreëerd van agressie en angst.
Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

De strafbaarheid van de feiten.

Het bewezen verklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De strafbaarheid van verdachte.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

Oplegging van straf.

De eis van de officier van justitie.
De officier van justitie heeft de rechtbank gevorderd verdachte te veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaren, met aftrek van het voorarrest. Aan het voorwaardelijke strafdeel dient een contactverbod met [slachtoffer] te worden gekoppeld.
Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.
Het standpunt van de verdediging.
De verdediging heeft betoogd dat sprake is van eendaadse samenloop voor wat betreft de mensenhandel en dwang. Bij een eventuele dubbele bewezenverklaring dient daar bij de strafoplegging rekening mee te worden gehouden. De verdediging heeft de rechtbank verder verzocht om bij de strafoplegging rekening te houden met de serieuze gevolgen die een onvoorwaardelijke gevangenisstraf langer dan het al ondergane voorarrest voor verdachte zouden meebrengen. Verdachte ondervindt fysieke en mentale klachten die maken dat de verdediging zich afvraagt of zij detentiegeschikt is. Bovendien zal de oplegging van een dergelijke gevangenisstraf zorgen voor onoverkomelijke problemen met betrekking tot [bedrijf 1] . Wanneer een gevangenisstraf wordt opgelegd, is er niemand die de zorg voor haar boerderij, haar paarden en haar ondernemingen (duurzaam) kan overnemen. Daarnaast speelt nog een rol dat er in de visie van de verdediging zeker geen sprake is geweest van ‘moderne slavernij’, zoals in de media is bericht. Verder zal de overschrijding van de redelijke termijn in strafverminderende zin door de rechtbank moeten worden meegewogen.
Het oordeel van de rechtbank.
Bij de beslissing over de straf die aan verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte. De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
Ernst van de feiten
Verdachte heeft zich vanaf 2011 tot en met de zomer van 2023 schuldig gemaakt aan mensenhandel en dwang, door een kwetsbare vrouw, [slachtoffer] , in die periode (onder andere) te huisvesten en op te nemen met het oogmerk van uitbuiting, dagelijks (zwaar) fysiek werk te laten verrichten zonder haar daarvoor te betalen en haar te laten wonen onder erbarmelijke omstandigheden. Verdachte wist dat [slachtoffer] een kwetsbare vrouw was en heeft daarvan misbruik gemaakt. Verdachte wist dat [slachtoffer] geen familie of vrienden had op wie zij kon terugvallen. Ze had geen andere plek om naartoe te gaan en geen sociale omgeving die haar tot steun kon zijn. Door haar kwetsbaarheid was [slachtoffer] afhankelijk van verdachte en kon zij zich niet onttrekken aan de uitbuitingssituatie. Verdachte heeft [slachtoffer] liefde voor paarden en haar gevoel van verantwoordelijkheid voor de paarden misbruikt door haar zonder enige financiële vergoeding intensief en langdurig voor haar te laten werken. [slachtoffer] was voor verdachte feitelijk een gratis en voortdurend beschikbare werkneemster. Door haar nooit te betalen voor al haar werkzaamheden heeft verdachte vele jaren voordeel getrokken uit de uitbuiting van [slachtoffer] . De extreem lange duur van de uitbuiting en de dwang, in combinatie met de intensiteit en aard van de werkzaamheden die [slachtoffer] dagelijks voor verdachte verrichtte, onderscheiden deze zaak van andere uitbuitingszaken. Het feit dat [slachtoffer] niet toekwam aan haar zelfverzorging en de verzorging van haar woonruimte is tekenend voor hoe hard zij in de pleegperiode heeft gewerkt. De rechtbank neemt het verdachte verder kwalijk dat zij [slachtoffer] meermaals heeft mishandeld en haar agressief, denigrerend en boos toesprak, te meer omdat zij wist dat [slachtoffer] daartegen geen weerstand kon bieden door haar gebrekkige verbale vaardigheden en afhankelijkheid van verdachte. Verdachte heeft misbruik gemaakt van het overwicht dat zij op [slachtoffer] had.
Waar verdachte er, ook nu nog, van overtuigd is dat zij [slachtoffer] heeft geholpen door haar woonruimte aan te bieden en haar een dagbesteding te geven waar zij plezier aan beleefde, is de realiteit naar het oordeel van de rechtbank dat [slachtoffer] al die jaren ernstig is uitgebuit door verdachte, waarbij verdachte enkel oog had voor haar eigen belangen. De rechtbank neemt het verdachte kwalijk dat zij de ernst van haar handelen zelf niet inziet en daarvoor ook geen enkele verantwoordelijkheid neemt.
Dat [slachtoffer] op zichzelf plezier beleefde aan de verzorging van en het contact met de paarden, doet er niet aan af dat gegeven alle omstandigheden waaronder zij deze werkzaamheden verrichtte, waarbij geen enkele ruimte meer was voor een eigen leven, sprake was van ernstige uitbuiting. Dat de uitbuiting nadelige gevolgen voor [slachtoffer] heeft gehad volgt ook uit haar schriftelijke slachtofferverklaring.
Persoon van verdachte
Met betrekking tot de persoon van verdachte houdt de rechtbank rekening met het meest recente uittreksel justitiële documentatie betreffende verdachte (haar strafblad). Daaruit volgt dat zij in de pleegperiode of in de jaren daaraan voorafgaand niet voor soortgelijke feiten is veroordeeld.
Over verdachte is verder op 15 december 2023 een persoonlijkheidsrapportage opgesteld door psycholoog drs. M.H. Keppel en forensisch milieuonderzoeker L. van Nieuwbrug. Deze deskundigen hebben onder meer overwogen dat verdachte in staat kan worden geacht om het ongeoorloofde van het bewezenverklaarde te beseffen. Zij wordt ook in staat geacht om in vrijheid gedragskeuzes te maken en conform deze keuzes te handelen. Daarom kan het bewezenverklaarde verdachte volledig toegerekend worden.
De reclassering heeft in een rapport van 24 september 2024 kort samengevat onder meer het volgende over verdachte gerapporteerd. Sinds de schorsing van de preventieve hechtenis in december 2023 staat verdachte onder toezicht bij de reclassering, waarin zij zich aan de afspraken houdt. Het is lastig om tot de kern te komen vanwege haar ontkennende houding en omdat er geen zicht is op de delictgerelateerde factoren. Vanuit de toezichthouder en de wijkagent zijn er tot op heden geen zorgen naar voren gekomen over het sociale netwerk van verdachte of zorgen rondom mogelijk recidiveren. Door beslagleggingen in deze zaak zouden er problemen beginnen te ontstaan met haar ondernemingen en haar financiën. De reclassering ziet onvoldoende aanknopingspunten om het toezicht voort te zetten. Het risico op recidive kan niet worden ingeschat. Bij een veroordeling adviseert de reclassering een straf met als bijzondere voorwaarde een contactverbod tussen verdachte en [slachtoffer] .
De rechtbank heeft verder nadrukkelijk oog voor de omstandigheid dat verdachte sinds haar aanhouding en gedurende het strafproces zowel persoonlijk als zakelijk nadeel heeft ondervonden van onderhavige verdenking. Het is aannemelijk dat door deze strafzaak minder paardeigenaren hun paarden bij verdachte wilden en willen stallen., Over deze zaak is ook veelvuldig in de media bericht, hetgeen ook nadelige invloed heeft gehad op verdachte
Schending van de redelijke termijn.
De rechtbank stelt voorop dat in art. 6, eerste lid, van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (hierna: EVRM) het recht van iedere verdachte is gewaarborgd om binnen een redelijke termijn te worden berecht. Die termijn vangt aan op het moment dat vanwege de Nederlandse staat tegenover de betrokkene een handeling is verricht waaraan de verdachte in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat tegen hem voor een bepaald strafbaar feit door het Openbaar Ministerie strafvervolging zal worden ingesteld.
Als uitgangspunt heeft in deze zaak te gelden dat de behandeling op zitting moet zijn afgerond met een eindvonnis binnen twee jaar nadat de redelijke termijn is aangevangen, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden, zoals de ingewikkeldheid van een zaak, de invloed van de verdachte en/of haar raadslieden op het procesverloop en de wijze waarop de zaak door de bevoegde autoriteiten is behandeld.
De rechtbank stelt de aanvangsdatum van de redelijke termijn in deze zaak op 27 juni 2023, de dag van de aanhouding van verdachte. Vanaf dat moment kon zij in redelijkheid verwachten dat tegen haar voor een bepaald strafbaar feit door het Openbaar Ministerie strafvervolging zou worden ingesteld. De rechtbank wijst op 13 juli 2026 eindvonnis in deze zaak, wat betekent dat de redelijke termijn met ruim een jaar is overschreden. De rechtbank zal deze schending strafverminderend in de strafoplegging meewegen, omdat zij oordeelt dat de overschrijding van de redelijke termijn alles afwegende niet aan verdachte of haar raadslieden kan worden toegerekend. Het (soms bij herhaling) indienen van onderzoekswensen en het wisselen van rechtsbijstand is daarvoor in dit geval onvoldoende, ook omdat de aanvankelijk geplande inhoudelijke behandeling van de zaak in januari 2025 mede vertraging heeft opgelopen wegens personele problemen bij de rechtbank, die verdachte niet kunnen worden toegerekend.
Strafoplegging.
Bij de strafoplegging heeft de rechtbank, mede gelet op de aangevoerde fysieke en mentale klachten van verdachte, nadrukkelijk overwogen of aan verdachte een langere onvoorwaardelijke gevangenisstraf dient te worden opgelegd dan de tijd die zij reeds in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. De rechtbank is daarbij tot de conclusie gekomen dat de aard en ernst en met name ook de zeer lange duur van onderhavige feiten maken dat daarvan sprake dient te zijn. De rechtbank is, gelet op de ernst, aard en duur van de feiten als hiervoor omschreven, van oordeel dat in verband met een juiste normhandhaving in beginsel niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of geringere straf dan geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twee jaren, wanneer geen rekening gehouden wordt met de overschrijding van de redelijke termijn. Daarbij heeft de rechtbank ook rekening gehouden met de eendaadse samenloop tussen de bewezenverklaarde feiten, waarvan evident sprake is. Doordat de redelijke termijn is overschreden zal de rechtbank de gevangenisstraf matigen in die zin dat zij een deel daarvan voorwaardelijk zal opleggen. Aan dit voorwaardelijke deel zal een contactverbod met [slachtoffer] worden gekoppeld. Alles afwegende acht de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk en een proeftijd van 2 jaren, passend en geboden.

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] .

[slachtoffer] heeft immateriële en materiële schadevergoeding gevorderd, ter hoogte van respectievelijk € 5.000,- en € 307.019,60. Voor wat betreft de immateriële schade is voor de hoogte van het bedrag aansluiting gezocht bij de uitkering van het schadefonds Geweldsmisdrijven. De gevorderde materiële schade ziet op niet ontvangen loon over de periode van 1 juli 2010 tot 27 juni 2023. Nu er geen arbeidsovereenkomst was en geen loonadministratie dient dit bedrag te worden geschat op basis van wat er zich in het strafdossier bevindt. Daarbij is verwezen naar het rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel. Hierbij wordt uitgegaan van het wettelijk minimumloon dat [slachtoffer] niet heeft ontvangen gedurende die periode, vermeerderd met de vakantietoeslagen en de niet opgenomen vrije dagen. Verder vordert [slachtoffer] vergoeding van een belastingschuld die zij ten gevolge van het bewezenverklaarde heeft opgebouwd. Deze bedraagt in totaal € 6.666,-.
Het standpunt van de officier van justitie.
De officier van justitie heeft verzocht de vordering gedeeltelijk toe te wijzen tot een bedrag van in totaal € 305.663,60 bestaande uit € 300.663,60 materiële schade en € 5.000,- immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel onder oplegging van 360 dagen gijzeling bij niet-tijdige betaling. De officier van justitie heeft verzocht [slachtoffer] niet-ontvankelijk te verklaren voor het overig gevorderde ter hoogte van € 6.356,-.
Het standpunt van de verdediging.
Bij een bewezenverklaring heeft de verdediging aangevoerd dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vordering gelet op de bepleite integrale vrijspraak.
Subsidiair geldt met betrekking tot de immateriële schade dat er geen juridische grondslag is voor toewijzing van immateriële schadevergoeding. Het fysieke letsel aan de schouder is met de gegeven onderbouwing niet zonder meer in rechtstreeks verband te brengen met de werkzaamheden op [bedrijf 1] . Er zijn verder geen objectieve gegevens aangevoerd waaruit geestelijk letsel ten gevolge van het bewezenverklaarde kan worden afgeleid. De aard en ernst van de normschending is bovendien niet dusdanig dat een aantasting in de persoon van [slachtoffer] kan worden verondersteld. [slachtoffer] moet voor zover de vordering ziet op vergoeding van immateriële schade dan ook niet-ontvankelijk worden verklaard.
De gevorderde materiële schade moet aanzienlijk worden gematigd, omdat niet kan worden vastgesteld dat [slachtoffer] de gestelde 7,25 uren per dag (gemiddeld) heeft gewerkt. Uit het dossier volgt dat [slachtoffer] regelmatig hulp kreeg van derden, waaronder stagiaires. Verder geldt dat vorderingsrechten op loon na verloop van 5 jaar zijn verjaard. Dit betekent dat, zou de rechtbank al menen dat sprake was van een arbeidsverhouding, [slachtoffer] slechts aanspraak kan maken op nettoloon over de 5 jaar onmiddellijk voorafgaand aan de instelling van de vordering. Dat zou betekenen dat de vordering over de periode daarvoor niet-ontvankelijk is.
Wat de € 6.666,- belastingschuld betreft was het de eigen verantwoordelijkheid van [slachtoffer] om belastingaangifte te doen. De verdediging ziet niet in waarom verdachte hiervoor verantwoordelijk en daarmee schadeplichtig zou zijn. Ook voor wat betreft dit deel van de vordering moet de niet-ontvankelijkheid worden uitgesproken.
Beoordeling.
Immaterieel
De rechtbank begrijpt dat de gevorderde immateriële schade is gebaseerd op artikel 6:106 sub b van Pro het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW). Vergoeding van immateriële schade op grond van artikel 6:106 sub b BW Pro is mogelijk als [slachtoffer] lichamelijk letsel heeft opgelopen, is aangetast in haar eer of goede naam of 'op andere wijze' in haar persoon is aangetast.​ Van aantasting in de persoon 'op andere wijze' is in ieder geval sprake als [slachtoffer] geestelijk letsel (psychische schade) heeft opgelopen. Het bestaan van geestelijk letsel moet naar objectieve maatstaven zijn of kunnen worden vastgesteld. De rechtbank kan op basis van de voorhanden zijnde gegevens niet vaststellen dat [slachtoffer] door de door de verdachte gepleegde strafbare feiten geestelijk letsel heeft opgelopen. Naar het oordeel van de rechtbank brengen de aard en de ernst van de normschending in dit geval wel mee dat de nadelige gevolgen voor [slachtoffer] zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen. Uit het dossier en het onderzoek op de zitting blijkt dat [slachtoffer] ruim elf jaar lang is uitgebuit door zonder enige financiële vergoeding iedere dag een groot aantal uren fysieke arbeid te verrichten voor verdachte, terwijl zij onder erbarmelijke omstandigheden woonde en (de dreiging van) verbaal en fysiek geweld onderging. Dat zij aanvankelijk niet weg wilde van [bedrijf 1] moet bezien worden tegen de achtergrond van haar kwetsbaarheid en doet aan de aard en de ernst van de normschending niet af. [slachtoffer] heeft in haar schriftelijke slachtofferverklaring uiteengezet welke nadelige gevolgen het bewezenverklaarde heeft gehad. De rechtbank is van oordeel dat de gevorderde € 5.000,- redelijk en passend is, en zal de vordering in zoverre toewijzen, inclusief de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Materieel
De rechtbank merkt met betrekking tot de materiële schade allereerst op dat de vordering tot vergoeding van niet ontvangen loonbetalingen op grond van het bepaalde in artikel 3:310, vierde lid BW niet is verjaard. Zolang het recht tot strafvordering niet is verjaard (of door overlijden van de verdachte is vervallen), verjaart de vordering van de benadeelde partij niet.
De rechtbank oordeelt dat [slachtoffer] , nu zij zoals eerder overwogen als werkneemster van verdachte moet worden aangemerkt, voor al haar verrichte arbeid recht had op loon conform de geldende wet- en regelgeving. Doordat zij geen loon, vakantiegeld of vergoeding voor niet genoten vakantie-uren heeft ontvangen heeft zij materiële schade opgelopen. De vordering is gebaseerd op het ontnemingsrapport. Daarin is voor alle jaren dat [slachtoffer] gewerkt heeft met hetzelfde aantal uren gerekend. [slachtoffer] werkte echter volgens haar eigen verklaring die de rechtbank als uitgangspunt neemt (gemiddeld) 1 tot 2 uur minder per dag in de periode dat zij samen met [betrokkene 1] de stallen mestte. De rechtbank zal daarom voor de periode tot en met 2018 voor maandag tot en met zaterdag uitgaan van 5,5 werkuren per dag (7 – 1,5) en voor zondag van 2,5 uur werkuren per dag (4 – 1,5). Dit heeft gevolgen voor de gehele berekening, omdat het onbetaalde vakantiegeld en de vergoeding voor niet-genoten vakantie uren worden berekend op grond van het aantal gewerkte arbeidsuren.
Met de verdediging is de rechtbank verder van oordeel dat [slachtoffer] alleen recht heeft op vergoeding van haar netto-looninkomsten en vakantiegelden, omdat die posten daadwerkelijk aan haar zouden zijn uitgekeerd indien zij wel conform de geldende wet- en regelgeving was verloond, en dat haar schade voor wat betreft misgelopen inkomsten dus tot dat bedrag is beperkt. Op de brutobedragen moeten dan verschillende belastingtarieven en heffingskortingen zoals die golden over de verschillende jaren in mindering worden gebracht, waarbij ook rekening moet worden gehouden met de andere inkomsten van [slachtoffer] . Een exacte berekening van de totale netto-inkomsten die [slachtoffer] heeft misgelopen levert in verband met de ingewikkeldheid van zo’n berekening een onevenredige belasting van het strafgeding op. De rechtbank schat de netto-inkomsten van [slachtoffer] daarom op 75% van de bruto-inkomsten. De berekening van de totale netto-inkomsten waar [slachtoffer] conform die schatting recht op heeft staat hieronder weergegeven. De rechtbank zal [slachtoffer] niet-ontvankelijk verklaren in het meer gevorderde loon. De benadeelde partij kan deze onderdelen van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
Materiële schade
Bruto [1]
Netto (75%)
Onbetaald salaris
€ 225.296,51
€ 168.972,38
Vakantiegeld
€ 18.023,72
€ 13.517,79
Niet genoten vakantie-uren in €
€ 18.711,38
€ 14.033,53
Totaal
€ 262.031,61
€ 196.523,71
De rechtbank zal [slachtoffer] verder niet-ontvankelijk verklaren in haar vordering voor wat betreft de gevorderde vergoeding van de opgelopen belastingschuld. Dit zijn kosten die [slachtoffer] naar het zich laat aanzien sowieso had moeten betalen, ook als het bewezenverklaarde niet was gepleegd. Deze kosten houden namelijk verband met genoten inkomsten uit haar krantenwijk. Gelet op het voorgaande is onvoldoende gebleken dat de belastingschuld schade betreft als gevolg van de bewezenverklaarde feiten. Ten aanzien van de openstaande kosten vanwege niet tijdige betalingen is onvoldoende onderbouwd dat deze kosten door verdachte ten gevolge van de bewezenverklaarde feiten zijn veroorzaakt. Hierdoor wordt [slachtoffer] ook niet-ontvankelijk verklaard in dit deel van de vordering.
De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op nihil. Verder wordt verdachte veroordeeld in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.
Schadevergoedingsmaatregel.
De rechtbank zal voor het toegewezen bedrag tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen, nu de rechtbank het wenselijk acht dat de Staat schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 27 juni 2023 tot de dag der algehele voldoening.
Aangezien aan verdachte meer verplichtingen tot vergoeding van dezelfde schade worden opgelegd, zal de rechtbank bepalen dat als verdachte heeft voldaan aan haar verplichting tot betaling aan de Staat daarmee haar verplichting tot betaling aan de benadeelde partij komt te vervallen en andersom, indien verdachte heeft voldaan aan haar verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, daarmee haar verplichting tot betaling aan de Staat komt te vervallen.

Beslag.

Het standpunt van de officier van justitie.
De officier van justitie heeft de rechtbank gevorderd de teruggave te gelasten van een bedrag ter hoogte van in totaal € 14.785,- aan [slachtoffer] , die redelijkerwijs ten aanzien van dit geldbedrag als rechthebbende aangemerkt kan worden nu beslagene (verdachte) zelf bij de politie heeft verklaard dat dit fooiengeld betreft van de krantenwijk die [slachtoffer] had. Het gaat dan om de beslagnummers 8 tot en met 22 op de beslaglijst.
Verder heeft de officier van justitie de rechtbank gevorderd de teruggave te gelasten van een geldbedrag van € 59.900,- aan verdachte. Hierbij geldt dat er ook conservatoir beslag op dit geldbedrag rust waardoor beslagene dit geldbedrag nog niet daadwerkelijk terug zal ontvangen maar dan rust er in ieder geval geen klassiek beslag meer op. Het gaat dan om beslagnummer 23 op de beslaglijst.
Het standpunt van de verdediging.
De verdediging heeft de rechtbank primair verzocht om, bij een bewezenverklaring, de inbeslaggenomen geldbedragen en bankrekeningen tegen het licht te houden in het kader van mogelijk overbeslag, en daarbij verwezen naar een arrest van de Hoge Raad van
10 maart 2026 (ECLI:NL:HR:2026:334), dat ziet op een beklagprocedure als bedoeld in artikel 552a Wetboek van Strafvordering. De rechter heeft een actieve onderzoeksplicht of sprake is van overbeslag, zo kan volgens de verdediging uit genoemd arrest worden afgeleid. Zeker met de onderbouwing over de waarde van het onroerend goed dat aan verdachte toebehoort (kijkend naar een soortgelijk object), kan niet langer worden volgehouden dat alle beslagen niet genoeg zouden zijn om welke vordering dan ook toe te wijzen.
Subsidiair luidt het verzoek van de verdediging om in ieder geval het beslag van de bankrekeningen op te heffen en om wanneer de rechtbank tot een toewijzing van enige vordering komt die het inbeslaggenomen contante geld niet overstijgt, ook de beslagen op de onroerende zaken op te heffen.
Het oordeel van de rechtbank.
De rechtbank zal zich in dit vonnis niet uitlaten over en ook geen beslissing nemen op mogelijk overbeslag. De rechtbank begrijpt het door de verdediging aangehaalde arrest van de Hoge Raad zo dat de Hoge Raad daarin oordeelt dat de beklagrechter in verzoekschriftprocedures als bedoeld in artikel 552a Wetboek van Strafvordering een actieve onderzoeksplicht heeft om eventueel overbeslag te constateren en daarmee rekening te houden in de beslissing. Het arrest houdt nadrukkelijk niet in dat de strafrechter in reguliere strafzaken een dergelijke onderzoeksplicht heeft en rekening moet houden met overbeslag bij haar beslissing. De rechtbank heft het conservatoir beslag op de bankrekeningen en onroerende zaken dan ook niet op en neemt ook anderszins geen beslissing over het conservatoire beslag.
De rechtbank zal de teruggave gelasten van de in het dictum nader te noemen inbeslaggenomen geldbedragen van in totaal € 14.785,- aan de redelijkerwijs als rechthebbende aan te merken persoon, namelijk [slachtoffer] . Verdachte heeft in een politieverhoor van 29 juni 2023 zelf verklaard dat dit contante geld toebehoorde aan [slachtoffer] , en dat zij dit heeft ontvangen in de vorm van fooien voor het bezorgen van kranten. Verder zal de rechtbank gelasten dat het inbeslaggenomen contante geldbedrag ter hoogte van € 59.900,- zal worden teruggegeven aan verdachte. Omdat er eveneens conservatoir beslag op dit bedrag rust, zal verdachte dit bedrag feitelijk niet (op dit moment) terugkrijgen.

De voorlopige hechtenis.

Het standpunt van de officier van justitie.
De officier van justitie heeft de rechtbank verzocht het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis te laten voortduren.
Het standpunt van de verdediging.
De verdediging heeft de rechtbank primair verzocht om het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis op te heffen bij de einduitspraak wegens een gebrek aan gronden voor dat bevel. Er kan op dit moment niet meer worden gesproken van een geschokte rechtsorde, gezien het tijdsverloop sinds de aanhouding van verdachte en het gegeven dat nooit is gebleken van enige - laat staan ernstige - geschoktheid of onrust in de samenleving, ook niet lokaal in de provincie Utrecht, ondanks de media-aandacht voor de zaak. Ook van recidivegevaar is geen sprake, het gaat om een geïsoleerd geval; er zijn door de jaren heen probleemloos talloze stagiaires en andere personen werkzaam geweest op [bedrijf 1] . Er is ook geen recidive geweest in het verleden of sinds de schorsing van het bevel tot voorlopige hechtenis.
Subsidiair heeft de verdediging verzocht de schorsing van de voorlopige hechtenis en de daaraan gekoppelde voorwaarden te laten voortduren na de einduitspraak, en daarin geen wijziging aan te brengen.
Het oordeel van de rechtbank.
De rechtbank wijst af het verzoek tot opheffing van het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis. De rechtbank oordeelt dat de twaalfjaarsgrond met geschokte rechtsorde waarop het bevel rust ook nu nog van toepassing is, juist ook omdat verdachte door de rechtbank wordt veroordeeld tot een deels onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de mensenhandel waarvoor eerder alleen ernstige bezwaren bestonden. Vanaf de aanhouding van verdachte tot en met de inhoudelijke behandeling is er voortdurende aandacht geweest voor de zaak door verschillende nieuwsplatformen, waaronder RTV Utrecht, een van de grootste omroepen in de woonplaats van verdachte. Het is aannemelijk dat de opheffing van de voorlopige hechtenis van de verdachte op dit moment zal leiden tot maatschappelijke beroering. Het is namelijk niet uit te leggen dat de verdachte enerzijds wordt veroordeeld voor dermate ernstige feiten tot een (deels nog uit te zitten) gevangenisstraf en anderzijds de voorlopige hechtenis bij hetzelfde vonnis wordt opgeheven..
Tegen de achtergrond van de jurisprudentie met betrekking tot opheffing van de schorsing van de voorlopige hechtenis bij een veroordeling (zie onder meer Hoge Raad 24 juni 2025, ECLI:NL:HR:2025:987) en het feit dat verdachte zich gedurende de schorsing aan de voorwaarden heeft gehouden, is de rechtbank van oordeel dat de schorsing van de voorlopige hechtenis moet voortduren.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen: 14a, 14b, 14c, 36f, 55, 273f en 284 Wetboek van Strafrecht.
DE UITSPRAAK
De rechtbank:
  • spreekt verdachte vrij van het onder 82-323236-23 feit 2 tenlastegelegde;
  • verklaart het tenlastegelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven;
  • verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt haar daarvan vrij;
Het bewezen verklaarde levert op de misdrijven:
82-017856-23 en 82-323236-23 feit 1:
eendaadse samenloop van

mensenhandel

en

een ander door geweld/enige andere feitelijkheid/bedreiging met geweld en/of bedreiging met enige andere feitelijkheid gericht tegen die ander, wederrechtelijk dwingen iets te doen en/of te dulden.
  • verklaart verdachte hiervoor strafbaar;
  • legt op de volgende straf: een gevangenisstraf met aftrek voor de duur van 24 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren en met aftrek overeenkomstig artikel 27 van Pro het Wetboek van Strafrecht;
  • voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd:
* zich niet schuldig zal maken aan een strafbaar feit;
* ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van Pro de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
* medewerking zal verlenen aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit nodig acht, daaronder begrepen;
- als bijzondere voorwaarde geldt dat veroordeelde gedurende de proeftijd geen contact zal opnemen, zoeken of hebben – in welke vorm dan ook, ook niet via derden – met [slachtoffer] , geboren op [1990] . De politie ziet toe op handhaving van dit contactverbod;
Benadeelde partij:
  • wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij gedeeltelijk toe en veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij, [slachtoffer] , van een bedrag van 201.523,71 euro, bestaande uit 196.523,71 euro materiële schade en 5.000,00 euro immateriële schade. De vergoeding van materiële en immateriële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 27 juni 2023 tot aan de dag der algehele voldoening;
  • legt aan de verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van [slachtoffer] , van een bedrag van 201.523,71 euro. Bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 365 dagen. De toepassing van deze gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op. Voormeld bedrag bestaat uit 196.523,71 euro materiële schade en 5.000,00 euro immateriële schade. De vergoeding van materiële en immateriële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 27 juni 2023 tot aan de dag der algehele voldoening;
  • veroordeelt verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot heden begroot op nihil, en in de proceskosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken;
  • verdachte is van haar schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde bevrijd voorzover zij heeft voldaan aan een van de haar opgelegde verplichtingen tot vergoeding van deze schade;
  • bepaalt dat de benadeelde partij in de vordering voor het overige niet ontvankelijk is en de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijk rechter kan aanbrengen;
Beslag:
  • beveelt teruggave van de inbeslaggenomen contante geldbedragen vermeld op de beslaglijst van 21 oktober 2025 (voorwerpen 8 t/m 22) aan de redelijkerwijs als rechthebbende aan te merken persoon: [slachtoffer] ;
  • beveelt teruggave van een inbeslaggenomen contante geldbedrag vermeld op de beslaglijst van 21 oktober 2025 (voorwerp 23) ten bedrage van € 59.900,- aan de redelijkerwijs als rechthebbende aan te merken persoon: verdachte.
Dit vonnis is gewezen door:
mr. A. Bernsen, voorzitter,
mr. A.E. de Kryger en mr. M.J.C. van der Vegte, leden,
in tegenwoordigheid van mr. R.H.A. de Poot, griffier,
en is uitgesproken op 13 juli 2026.

Voetnoten

1.Voor de berekening van de genoemde brutobedragen verwijst de rechtbank in het kader van de leesbaarheid van dit vonnis naar de in bijlage III aangehechte berekening die is gekopieerd uit het ontnemingsvonnis.