ECLI:NL:RBOBR:2026:4994

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
17 juli 2026
Publicatiedatum
15 juli 2026
Zaaknummer
01.232127.25
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36f SrArt. 45 SrArt. 47 SrArt. 77a SrArt. 77g Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak poging doodslag, veroordeeld voor elf gewelds- en vermogensdelicten minderjarige

De rechtbank Oost-Brabant heeft op 17 juli 2026 uitspraak gedaan in een strafzaak tegen een minderjarige verdachte die werd verdacht van poging doodslag en meerdere andere strafbare feiten. De rechtbank sprak de verdachte vrij van de poging doodslag en zware mishandeling, maar veroordeelde hem voor medeplegen van poging zware mishandeling, openlijk geweld, mishandeling van een ambtenaar, diverse diefstallen, wederspannigheid, overtreding van gebiedsverboden en vernieling.

De feiten betreffen onder meer een gewelddadige vechtpartij in Eindhoven waarbij het slachtoffer met een scherp voorwerp werd gestoken door de medeverdachte, terwijl de verdachte het slachtoffer vasthield. De rechtbank oordeelde dat de verdachte voorwaardelijk opzet had op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel, maar onvoldoende bewijs was voor poging doodslag of zware mishandeling. Daarnaast werden meerdere winkeldiefstallen en geweldsincidenten tegen ambtenaren bewezen verklaard.

De rechtbank legde een jeugddetentie van 18 maanden op, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar, verbonden aan een uitgebreid pakket bijzondere voorwaarden gericht op intensieve behandeling en begeleiding. De rechtbank achtte geen gronden aanwezig om de door de officier van justitie gevorderde voorwaardelijke PIJ-maatregel op te leggen, mede vanwege de positieve ontwikkeling van de verdachte en praktische uitvoerbaarheid. Tevens werden schadevergoedingen toegekend aan de benadeelden, deels toegewezen en deels niet-ontvankelijk verklaard.

Uitkomst: Verdachte vrijgesproken van poging doodslag, veroordeeld tot 18 maanden jeugddetentie waarvan 6 maanden voorwaardelijk met strikte voorwaarden voor elf misdrijven.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Parketnummers: [01.232127.25]
Locatie 's-Hertogenbosch
Strafrecht
Parketnummers: 01.232127.25, 09.251861.24, 16.246666.24, 16.322416.24,
16.073898.25, 16.135615.25 en 16.340213.24 (ter terechtzitting gevoegd)
Datum uitspraak: 17 juli 2026
Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [2009] ,
thans gedetineerd te: [verblijfplaats] .
Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het achter gesloten deuren gehouden onderzoek ter terechtzitting van 6 november 2024 (kinderrechter in de rechtbank Den Haag), 15 januari 2025, 21 juli 2025 (verwijzing door de kinderechter Den Haag naar de meervoudige strafkamer van de rechtbank Den Haag), 30 oktober 2025, 8 december 2025, 16 januari 2026 (verwijzingsbeslissing van de rechtbank Den Haag naar de rechtbank Oost-Brabant), 23 februari 2026, 11 mei 2026 en 3 juli 2026.
Op de zitting van 3 juli 2026 heeft de rechtbank de tegen de verdachte onder parketnummer 01.232127.25 aanhangig gemaakte zaak gevoegd met de al eerder gevoegde zaken onder parketnummers 09.251861.24, 16.246666.24, 16.322416.24, 16.073898.25, 16.135615.25 en 16.340213.24.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van de verdachte naar voren is gebracht.

De tenlasteleggingen

De zaak onder
parketnummer 01.232127.25is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 5 november 2025.
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
1.
hij op of omstreeks 1 september 2025 te Eindhoven, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om opzettelijk een ander, te weten [slachtoffer 1] ,
van het leven te beroven,
- die [slachtoffer 1] heeft vastgepakt/vastgehouden en/of
- een of meermalen met een mes, althans een scherp voorwerp, in het bovenlichaam en/of de (onder)rug en/of de zij van die [slachtoffer 1] heeft gestoken en/of gesneden en/of
- een of meermalen met een mes, althans een scherp, op een of beide handen van die [slachtoffer 1] heeft geslagen en/of
- een of een of meermalen in een of beide handen heeft gesneden en/of gestoken met een mes, althans een scherp voorwerp,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 1 september 2025 te Eindhoven tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, aan een ander, te weten [slachtoffer 1] , opzettelijk
zwaar lichamelijk letsel, te weten steek- en/of snijwonden en/of een of meer gebroken vingers, heeft toegebracht, door
- die [slachtoffer 1] vast te pakken en/of vast te houden en/of
- een of meermalen met een mes, althans een scherp voorwerp, in het bovenlichaam en/of de (onder)rug en/of de zij van die [slachtoffer 1] te steken en/of te snijden en/of
- een of meermalen (met een mes, althans een scherp voorwerp) op een of beide handen van die [slachtoffer 1] te slaan en/of
- een of meermalen met een mes, althans een scherp voorwerp, in een of beide handen van die [slachtoffer 1] te snijden en/of te steken;
meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 1 september 2025 te Eindhoven, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om aan een ander, te weten [slachtoffer 1] ,
opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen,
- die [slachtoffer 1] heeft vastgepakt/vastgehouden en/of
- een of meermalen met een mes, althans een scherp voorwerp, in het bovenlichaam en/of de (onder)rug en/of de zij van die [slachtoffer 1] heeft gestoken en/of gesneden en/of
- een of meermalen met een mes, althans een scherp, op een of beide handen van die [slachtoffer 1] heeft geslagen en/of
- een of een of meermalen in een of beide handen heeft gesneden en/of gestoken met een mes, althans een scherp voorwerp,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.
hij op of omstreeks 1 september 2025 te Eindhoven, althans in Nederland, aan de Rechtestraat, in elk geval openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een of meer personen, te weten [slachtoffer 1] , welk in vereniging gepleegde geweld bestond uit
- het een of meermalen vastpakken en/of vasthouden van die [slachtoffer 1] en/of
- het een of meermalen duwen van die [slachtoffer 1] en/of
- het een of meermalen met een mes, althans een scherp voorwerp, steken in het bovenlichaam en/of de(onder)rug en/of de zij van die [slachtoffer 1] en/of
- het een of meermalen op een hand van die [slachtoffer 1] slaan (met een mes, althans een scherp voorwerp) en/of
- het een of meermalen steken/snijden met een mes, althans een scherp voorwerp in een of beide handen van die [slachtoffer 1] en/of
- het een of meermalen trappen en/of slaan tegen het lichaam van die [slachtoffer 1] ;

3.

hij op of omstreeks 1 september 2025 te Eindhoven, [slachtoffer 2] (buitengewoon opsporingsambtenaar bij de Nederlandse Spoorwegen) heeft mishandeld, door die [slachtoffer 2] tegen een knie te schoppen/trappen, terwijl het misdrijf werd gepleegd tegen een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn/haar bediening;

De zaak onder
parketnummer 09.251861.24is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 7 augustus 2024.
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 4 augustus 2024 te 's-Gravenhage, een jas en/of een (korte) broek en/of een polo (ter waarde van 175,00 euro), in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer 3] (filiaal [adres 1] ), in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen welke diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 5] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken, en/of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door
een slaande beweging te maken naar, althans in de richting van het hoofd en/of lichaam van die [slachtoffer 4] en/of tegen die [slachtoffer 4] zeggen: "laat me los, ik ga je slaan", althans woorden van soortgelijke aard en/of strekking en/of
die [slachtoffer 5] bij diens t-shirt beet te pakken en/of een slaande beweging te maken naar het hoofd en/of het lichaam van die [slachtoffer 5] ;
De zaak onder
parketnummer 16.246666.24is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 27 augustus 2024.
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
1.
hij op of omstreeks 30 juli 2024 te Amersfoort tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, twee flesjes parfum, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan het [slachtoffer 6] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;
2.
hij op of omstreeks 30 juli 2024 te Amersfoort, zich met geweld en/of bedreiging met geweld, heeft verzet tegen een ambtenaar, [slachtoffer 7] en [slachtoffer 8] , werkzaam in de rechtmatige uitoefening van zijn/hun bediening, te weten de aanhouding van verdachte door een of meer slaande en/of stompende en/of schoppende bewegingen te maken in de richting van die [slachtoffer 7] en/of [slachtoffer 8] en/of een duim van die [slachtoffer 8] naar zijn pols duwde,
terwijl dit misdrijf en/of de daarmede gepaard gaande feitelijkheden enig
lichamelijk letsel, te weten een gescheurde pees in zijn duimgewricht bij die [slachtoffer 8] ten gevolge heeft gehad
De zaak onder
parketnummer 16.322416.24is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 25 oktober 2024.
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 9 oktober 2024 te Utrecht opzettelijk niet heeft voldaan aan een bevel, te weten een gebiedsverbod, krachtens een wettelijk voorschrift, te weten artikel 172 en Pro/of 172a van de Gemeentewet en/of artikel 2:3 van Pro de Algemene plaatselijke verordening Utrecht 2010 en het daarop gebaseerde aanwijzingsbesluit Verblijfsontzegging Stationsgebied en Lombok-Oost (inwerkingtreding op 28 september 2023), gedaan door of namens de burgemeester van Utrecht, in elk geval een ambtenaar als bedoeld in artikel 184 Wetboek Pro van Strafrecht, eerste en/of tweede lid, inhoudende dat hij, verdachte, zich in de periode gelegen tussen 9 oktober 2024 16:12 uur en 10 oktober 2024 16:11 uur niet mocht bevinden in het gebied begrensd door het Vredenburgplein, het Vredenburg, de Smakkelaarskade, de Van Sijpesteijntunnel, het Westplein, de Vleutenseweg, de Jan Pieterszoon Coenstraat, de Leidseweg, de Croeselaan tot de Moreelsebrug, de Moreelsebrug, het Moreelsepark, de Marga Klompébrug, de Mariaplaats, de Mariastraat, de Steenweg en de Lange Elisabethstraat aansluitend op het Vredenburgplein, door, zich op 9 oktober 2024 om of omstreeks 20:40 uur in/op, althans op een openbare weg of plaats gelegen in voornoemd gebied te bevinden;
De zaak onder
parketnummer 16.073898.25is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 19 september 2025.
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
1.hij op of omstreeks 2 maart 2025 te Utrecht een flesje spa, een blikje red bull en twee spinazie feta boreks, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer 9] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;
2.hij op of omstreeks 2 maart 2025 te Utrecht, zich met geweld en/of bedreiging met geweld, heeft verzet tegen een ambtenaar, [slachtoffer 10] en/of [slachtoffer 11] werkzaam in de rechtmatige uitoefening van zijn/hun bediening, te weten de aanhouding van verdachte terzake winkeldiefstal door die [slachtoffer 10] en [slachtoffer 11] meermalen tegen zijn/hun benen te schoppen en/of zijn hand(en) weg te trekken;
De zaak onder
parketnummer 16.135615.25is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 19 september 2025.
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 30 april 2025 te Utrecht opzettelijk niet heeft voldaan aan een bevel, te weten een gebiedsverbod, kenmerk invullen1 krachtens een wettelijk voorschrift, te weten artikel 172172a van de gemeentewet, gedaan door of namens de burgemeester van Utrecht, in elk geval een ambtenaar als bedoeld in artikel 184 Wetboek Pro van Strafrecht, eerste en/of tweede lid, inhoudende dat hij, verdachte, zich in de periode gelegen 18 april 2025 en 18 mei 2025 niet mocht bevinden in/op Hoog Catharijne, het Centraal Station Utrecht, het Stationsgebied en de woonwijk Lombok begrenst aan het Vredenburgplein, Vredenburg, Leidseveer, Lange Hagelstraat, Daalsetunnel, Vleutenseweg, de Jan Pieterszoon Coenstraat, de Leidseweg, de Croeselaan tot de Moreelsebrug, de Moreelsebrug, Mororeelsepark, de Marga Klompebrug, de Mariaplaats, de Mariastraat, de Steenweg en de Lange Elisabethstraat aansluitend op het Vredenburgplein, door, zich op voornoemde datum om 17:10 uur in/op, althans op een openbare weg of plaats gelegen in voornoemd gebied te bevinden;
De zaak onder
parketnummer 16.340213.24is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 19 september 2025.
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 26 oktober 2024 te Utrecht opzettelijk en wederrechtelijk een kast/deur, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan het [slachtoffer 12] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt;

De formele voorvragen

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaardingen geldig zijn.
De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in de vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

Bewijs

Het standpunt van de officier van justitie.
De officier van justitie heeft geconcludeerd tot een bewezenverklaring van alle aan de verdachte ten laste gelegde feiten, waarbij de officier van justitie meent dat het onder parketnummer 01.232127.25 ten laste gelegde feit 1 als poging tot doodslag kan worden gekwalificeerd.
Het standpunt van de verdediging.
De raadsman heeft verzocht om de verdachte integraal vrij te spreken van hetgeen hem onder feit 1 van parketnummer 01.232127.25 ten laste is gelegd. Daartoe heeft de raadsman aangevoerd dat de verdachte weliswaar heeft gevochten met [slachtoffer 1] (hierna: slachtoffer [slachtoffer 1] ), maar dat niet is komen vast te staan dat hij degene is geweest die met een scherp voorwerp heeft gestoken in het lichaam van slachtoffer [slachtoffer 1] . Op de camerabeelden is ook niet waar te nemen dat de verdachte op enig moment een voorwerp in zijn hand zou hebben gehad.
Volgens de raadsman kunnen de gedragingen van de verdachte, bestaande uit het slaan en trappen van slachtoffer [slachtoffer 1] in een onoverzichtelijke situatie waarbij er plotseling (zonder dat de verdachte het heeft gezien) een mes of een scherp voorwerp wordt gebruikt, naar hun uiterlijke verschijningsvorm niet worden aangemerkt als zozeer gericht op de dood of het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel van het slachtoffer dat het niet anders kan zijn dat de verdachte de aanmerkelijke kans op dat gevolg heeft aanvaard.
Het bij slachtoffer [slachtoffer 1] aangetroffen letsel is volgens de raadsman niet als zwaar lichamelijk letsel aan te merken.
Ten aanzien van het onder feit 2 ten laste gelegde openlijk geweld en de onder feit 3 ten laste gelegde mishandeling van een opsporingsambtenaar, heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Voor wat betreft parketnummer 09.251861.24 meent de raadsman dat de diefstal kan worden bewezen, maar dat het dossier onvoldoende bewijs bevat voor de bedreiging met geweld en het geweld.
Ten aanzien van parketnummer 16.246666.24 heeft de raadsman vrijspraak van de aan de verdachte onder feit 1 ten laste gelegde diefstal bepleit, nu niet kan worden gesproken van een nauwe en bewuste samenwerking. De verdachte heeft immers geen wegnemingshandeling verricht.
De wederspannigheid zoals ten laste gelegd onder feit 2 kan worden bewezen, maar voor het veroorzaken van letsel aan de verbalisant biedt het dossier volgens de raadsman onvoldoende bewijs.
De aan de verdachte onder parketnummer 16.073898.25 ten laste gelegde winkeldiefstal en wederspannigheid kunnen worden bewezen. Ook voor het opzettelijk niet voldoen aan de gebiedsverboden en het beschadigen van een kastdeur, zoals onder parketnummers 16.322416.24, 16.135615.25 en 16.340213.24 ten laste is gelegd, is volgens de raadsman wettig en overtuigend bewijs.
Het oordeel van de rechtbank.
Ten aanzien van parketnummer 01.232127.25: [1]
De rechtbank baseert haar oordeel op de volgende bewijsmiddelen.
Ten aanzien van de ten laste gelegde feiten 1 en feit 2:
een proces-verbaal, opgemaakt en ondertekend op 2 september 2025 door verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] , inhoudende de aangifte van [slachtoffer 1],proces-verbaal pagina 51-55.
Toen wij onderweg waren, zijn wij de mensen die [slachtoffer 1] hebben mishandeld tegengekomen.
Toen ging hij mij steken in mijn rug en viel ik op de grond. Toen kwamen er 3 mensen en die zeiden steek hem, steek hem. Ze hebben mijn rug open gemaakt, ik kon niet ademhalen. Voordat ik gestoken was, heb ik 3 personen gezien, maar er waren ook andere personen achter hem.
V: Waar was jij toen jij gestoken werd?
A: Voor de Nieuwe Zara. Bij een grote Disco. In Eindhoven.
V: Is de persoon op de foto de enige die jou gestoken heeft?
A: Eigenlijk nee, met z'n allen hebben ze mij gestoken en geslagen.
een proces-verbaal van bevindingen medische gegevens [slachtoffer 1] , opgemaakt en ondertekend op 22 september 2025 door verbalisant [verbalisant 3] , proces-verbaal pagina 66-68Op 17 september 2025 werd door het Catherina ziekenhuis de volgende gegevens verstrekt:
3.1.1. Reden van komst/verwijzing
Op 01 september 2025 werd [slachtoffer 1] , geboren op [2008] , na een 112 melding op de afdeling Spoed Eisende Hulp (SEH) van het Catherina Ziekenhuis binnengebracht in verband met een steekverwonding.
3.1.2. Diagnose
2-9-2025 fractuur van falanx van hand links
2-9-2025 steekwond van abdomen links
3.1.3. Amnese
Snijwond links flank/rug 10 cm, lijkt alleen cutaan/subcutaan. Ook snijwondje dig 2-3 links.
Ambulance ter plaatse.
3.1.4. Aanvullend onderzoek
X hand links:
Fractuur basis midfalanx dig ulanire zijde
3.1.5. Conclusie
17-jarige patiënt, presenteert zich op de SEH in verband met:
• Snijverwoning cutis + subcutis flank links 10 cm
• Pijnklachten dig 4 links: Avulsiefractuur basis midfalanx dig 4 hand links
• Oppervlakkige wondjes dig 2-3 prox falanx.
3.3 Chirurgie: 02 september 2025 om 10:01 uur
3.3.1 Conclusie
Steekverwonding waarna opp steekverwonding flank links 10 cm, fractuur basis IP dig 4 met snijwonden over gehele linker hand. Beiden gehecht.
een proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt en ondertekend op 3 september 2025 door verbalisant [verbalisant 1] , proces-verbaal pagina 138-153Op 1 september 2025, omstreeks 23:37 uur komt er via de meldkamer van de politie Oost- Brabant een melding binnen van een beroving van fatbikes waarbij de slachtoffers steekwonden hebben opgelopen. Naar aanleiding van dit steekincident zijn er beelden gevorderd en beschikbaar gesteld aan de politie door Juwelier ' [bedrijf] ', gelegen aan de [adres 2] in Eindhoven.
Op hierboven genoemde datum en tijdstip zie ik op de camerabeelden van de Rechtestraat twee mannen in beeld lopen, komende uit de richting van de Catharinakerk, gaande in de richting van het 18 Septemberplein in Eindhoven. Beide mannen zijn met elkaar in gesprek.
Door collega [verbalisant 4] , proces-verbaalnummer 2025197545-10 is eenherkenning opgemaakt van Man 1. Dit zou de later aangehouden [verdachte] betreffen. Achter de twee mannen loopt een jongen genaamd, [medeverdachte 1] . Ik zie vervolgens achter [medeverdachte 1] over de Rechtestraat een andere jongen aankomen en stoppen bij [verdachte] , man 2 en [medeverdachte 1] .
Vervolgens zie ik een heleboel jonge mannen aan komen rennen uit de richting van het Catharinaplein in de richting van het 18-Septemberplein.
Ter hoogte van de winkel 'So Low' zie ik dat beide groepen elkaar treffen en stoppen.
Ik zie dat er vanuit de groep over en weer geduwd en getrokken wordt en dat er een opstoot gaande is.
Ik herken op de beelden de persoon met de witte trui en witte schoenen (man 1). Deze persoon wordt door andere personen tegen gehouden, echter zoekt man 1 iedere keer weer de confrontatie met andere op. Ik zie dat man 1 zich voortdurend met geweld lostrekt en met andere personen in gevecht gaat.
Ik zie linksonder in beeld het slachtoffer [slachtoffer 1] .. [slachtoffer 1] probeert langs de mannen af weg te lopen, maar wordt dan tegengehouden door man 2.
Ook zie ik Man 2 rechtsonder in beeld gaat voortdurend met andere personen het gevecht aan. Ik zie vervolgens dat man 2 een gevecht begint met slachtoffer [slachtoffer 1] .
Ik zie een voor mij onbekende man naar het slachtoffer ( [slachtoffer 1] ) toe lopen en hem een duw van voren tegen zijn borst geven.
Ik zie [verdachte] op [slachtoffer 1] af komen rennen en hem van achteren een duw in zijn rug geven. Ik zie vervolgens dat zowel [verdachte] als man 2 en een onbekend gebleven persoon, [slachtoffer 1] vastpakken.
Vervolgens zie ik man 2 meerdere stekende bewegingen maken in de richting van de onderrug van slachtoffer [slachtoffer 1] . [verdachte] houdt hierbij het slachtoffer [slachtoffer 1] vast, waardoor hij niet weg kan komen.
Ik zie dat [slachtoffer 1] door [verdachte] meerdere keren getrapt en geslagen wordt en dat man 2 [slachtoffer 1] hierbij vast blijft houden, zodat hij niet weg kan komen.
Ik zie op de beelden duidelijk de verwondingen die [slachtoffer 1] op heeft gelopen door het steken van man 2. Ik zie dat [verdachte] het slachtoffer blijft slaan en schoppen en vervolgens naar de grond toe werkt en hem blijft slaan en schoppen.
De verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 3 juli 2026:
Het klopt dat ik op 1 september 2025 samen met mijn broer [medeverdachte 2] en nog een aantal anderen in gevecht ben geraakt met een groep jongens in het centrum van Eindhoven.
Ik ben de persoon die als “man 1” op de camerabeelden wordt beschreven.
Het klopt dat ik [slachtoffer 1] tijdens dit gevecht meerdere keren heb geschopt en geslagen.
Mijn broer heeft tijdens het gevecht een wodkafles kapot geslagen. Ik denk dat hij daarmee stekende bewegingen heeft gemaakt.
Ten aanzien van feit 3:
De rechtbank acht feit 3 wettig en overtuigd bewezen. De rechtbank baseert haar oordeel op de volgende bewijsmiddelen:
-een proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer 2] , opgemaakt en ondertekend door verbalisant [verbalisant 5] op 2 september 2025 (proces-verbaal pag. 23-26);
-de bekennende verklaring van verdachte zoals ter terechtzitting van 3 juli 2026 afgelegd.
Onder verwijzing naar het bepaalde in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering (Sv) heeft de rechtbank volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.

Bewijsoverwegingen

De rechtbank stelt op basis van de hiervoor weergegeven bewijsmiddelen vast dat medeverdachte [medeverdachte 2] het slachtoffer [slachtoffer 1] meerdere keren in zijn onderrug en/of de zij/flank heeft gestoken, terwijl verdachte en een ander slachtoffer [slachtoffer 1] vasthielden. Slachtoffer [slachtoffer 1] heeft daardoor een verwonding op zijn rug opgelopen.
De rechtbank kan echter niet vaststellen met welk voorwerp de medeverdachte heeft gestoken.
Het steekobject is namelijk niet goed waarneembaar op de camerabeelden en is ook niet op de plaats delict aangetroffen. De verklaringen over het gebruikte steekobject lopen uiteen. Het slachtoffer heeft ten overstaan van de rechter-commissaris verklaard dat hij het voorwerp – waarmee hij gestoken werd – niet heel duidelijk heeft gezien, maar dat het heel scherp was.
De verdachte spreekt zelf over een kapotgeslagen wodkafles waarmee zijn broer zou hebben gestoken. De medeverdachte spreekt ook over een kapotgeslagen wodkafles waarmee hij stekende bewegingen zou hebben gemaakt, terwijl meerdere getuigen ten overstaan van de politie verklaren dat er door een groep jongens meerdere messen zouden zijn gebruikt.
Deze getuigen verklaren echter wisselend over welke personen er met een mes zouden hebben gestoken en hoe deze messen eruit zouden hebben gezien.
De rechtbank concludeert daarom dat de medeverdachte [medeverdachte 2] slachtoffer [slachtoffer 1] in ieder geval met een scherp voorwerp heeft gestoken. Dit sluit ook aan bij de aard en ernst van het letsel dat slachtoffer [slachtoffer 1] heeft opgelopen.
Medeplegen
De rechtbank heeft hiervoor geconcludeerd dat slachtoffer [slachtoffer 1] in zijn onderrug/zij is gestoken door de medeverdachte [medeverdachte 2] . De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of het dossier voldoende bewijs bevat om de verdachte als medepleger van dit steekincident aan te merken.
Uit het dossier leidt de rechtbank af dat voor dit steken geen sprake is geweest van een vooropgezet plan, taakverdeling of voorbereiding. Dat betekent dat de rechtbank in deze zaak vooral naar de uitvoering van het delict en de intensiteit van de samenwerking zal moeten kijken om te kunnen beoordelen of er sprake is geweest van medeplegen.
Op de camerabeelden van 1 september 2025 heeft de rechtbank waargenomen dat een groep personen met elkaar in gevecht raakt, waarbij slachtoffer [slachtoffer 1] door de medeverdachte [medeverdachte 2] meermalen wordt gestoken, terwijl hij daarbij door twee andere personen, onder wie verdachte, werd tegengehouden/vastgehouden. Uit de verklaringen van de verdachte leidt de rechtbank af dat de verdachte ten tijde van de vechtpartij wist dat zijn broer een scherp voorwerp in zijn hand had. Doordat de verdachte slachtoffer [slachtoffer 1] vasthield terwijl hij wist dat de medeverdachte [medeverdachte 2] een scherp voorwerp vasthad, heeft de verdachte ervoor gezorgd dat slachtoffer [slachtoffer 1] niet in staat was om de steekbewegingen af te weren, zich daartegen te verdedigen of zich te onttrekken aan het geweld.
Dit gezamenlijk en gelijktijdig uitgeoefende handelen jegens het slachtoffer wettigt naar het oordeel van de rechtbank de conclusie tot een bewezenverklaring van een zodanige gezamenlijke uitvoering en een nauwe en bewuste samenwerking als bedoeld in artikel 47 Sr Pro. De rechtbank acht dan ook bewezen dat de verdachte als medepleger heeft deelgenomen aan het steekincident.
Hoe moet dit handelen van de verdachte gekwalificeerd worden?
Vervolgens ziet de rechtbank zich voor de vraag gesteld of dit handelen van de verdachte gekwalificeerd moet worden als een poging tot doodslag (primair), een zware mishandeling (subsidiair) of een poging tot zware mishandeling (meer subsidiair). Hierbij stelt de rechtbank voorop dat het dossier onvoldoende aanknopingspunten bevat dat de medeverdachte of verdachte daadwerkelijk de intentie hadden om het slachtoffer van het leven te beroven of om hem zwaar te verwonden. Er is naar het oordeel van de rechtbank dan ook geen sprake van vol opzet. Dit neemt echter niet weg dat de verdachte door zijn gedragingen in voorwaardelijke zin opzet kan hebben gehad op de dood van het slachtoffer of het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. Van voorwaardelijk opzet is sprake wanneer willens en wetens de aanmerkelijke kans wordt aanvaard dat door een bepaald handelen een bepaald gevolg intreedt.
Allereerst moet dan vastgesteld worden dat er een aanmerkelijke kans bestond dat het slachtoffer gedood kon worden of zwaar lichamelijk letsel kon oplopen door de handelingen van de verdachte. De beantwoording van de vraag of een gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval.
Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad moet het gaan om een feitelijk aanmerkelijke kans dat het kwalijke gevolg zal intreden. Daarbij komt betekenis toe aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht.
Poging doodslag: vrijspraak
De rechtbank stelt voorop dat het steken met een scherp voorwerp in de onderrug of zij/flank van een persoon onder omstandigheden dodelijk kan zijn, nu zich op die plekken ook vitale organen bevinden. Niet elke steekbeweging in een onderrug of zij/flank veroorzaakt echter een aanmerkelijke kans op de dood. Van belang is onder meer met welk voorwerp en met welke kracht er is gestoken.
In deze zaak kan uit de bewijsmiddelen niet onomstotelijk worden vastgesteld met welk voorwerp slachtoffer [slachtoffer 1] is gestoken, hoe groot dit voorwerp was en met welke kracht dit gepaard is gegaan.
Uit de medische gegevens van slachtoffer [slachtoffer 1] volgt dat – de steekhandelingen die met het voorwerp zijn gemaakt hebben geleid tot een oppervlakkige steekverwonding aan de huid en het onderhuids bindweefsel van de flank.
De rechtbank kan daarom niet vaststellen dat er een aanmerkelijke kans was dat de steekbewegingen – zoals die met het onbekende voorwerp zijn verricht –volledig zouden doordringen tot de vitale organen of slagaders en daaraan zodanige schade zouden hebben aangericht dat dit tot de dood van slachtoffer [slachtoffer 1] had kunnen leiden.
De rechtbank spreekt de verdachte daarom vrij van de primair ten laste gelegde poging tot doodslag.
Zware mishandeling: vrijspraak
Ten aanzien van de vraag of sprake is van zwaar lichamelijk letsel overweegt de rechtbank als volgt. Artikel 82 van Pro het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) bevat een opsomming van de gevallen die als zwaar lichamelijk letsel moeten worden aangemerkt. Ook buiten deze gevallen kan lichamelijk letsel als zwaar worden beschouwd indien dat voldoende belangrijk is om naar gewoon spraakgebruik als zodanig te worden aangeduid.
Bij de beantwoording van de vraag of letsel als zwaar lichamelijk letsel moet worden aangemerkt, kunnen als algemene gezichtspunten worden aangemerkt de aard van het letsel, de eventuele noodzaak en aard van medisch ingrijpen en/of het uitzicht op (volledig) herstel.
In de beoordeling kan voorts worden betrokken of restschade aanwezig is, in het bijzonder in de vorm van één of meerdere littekens.
Daarbij kunnen van belang zijn het uiterlijk en de ernst van het litteken en daarmee samenhangend de mate waarin dat litteken het lichaam ontsiert, en eventueel of in verband met dat litteken - langdurige - pijnklachten (hebben) bestaan (Hoge Raad 3 juli 2018, ECLI:NL:HR:2018:1051).
De rechtbank begrijpt dat het litteken van de steekverwonding voor slachtoffer [slachtoffer 1] pijnlijke herinneringen oproept aan het incident. Bij de kwalificatie van dit letsel heeft de rechtbank in het bijzonder gekeken naar de aard van de medische behandeling en de omvang van het letsel. Uit de gegevens van het Catharina ziekenhuis blijkt dat de steekwond op de rug/flank van slachtoffer [slachtoffer 1] op 2 september 2025 is gehecht. Diezelfde dag heeft slachtoffer [slachtoffer 1] het ziekenhuis mogen verlaten. Na het verwijderen van de hechtingen op 9 september 2025 is er geen medische nazorg meer geweest. Voor zover de rechtbank bekend, is daarmee in lichamelijke zin sprake van volledig herstel.
Hoewel de rechtbank het mogelijk acht dat het litteken op de rug van slachtoffer [slachtoffer 1] blijvend en daarmee ontsierend is, is het niet duidelijk geworden hoe blijvend het litteken zal zijn. Daarnaast is dit litteken – anders dan bijvoorbeeld een litteken in het gezicht – niet onmiddellijk zichtbaar. Het litteken dat bij slachtoffer [slachtoffer 1] is ontstaan, is daarmee naar het oordeel van de rechtbank op grond van het procesdossier op dit moment niet als zwaar lichamelijk letsel aan te merken.
De verdachte wordt daarom vrijgesproken van het subsidiair ten laste gelegde toebrengen van zwaar lichamelijk letsel.
Poging zware mishandeling: bewezen
Wel kan het handelen van de verdachte naar het oordeel van de rechtbank worden
aangemerkt als een poging tot zware mishandeling.
De kans dat bij het steken met een scherp voorwerp zwaar lichamelijk letsel zou ontstaan is naar het oordeel van de rechtbank aanmerkelijk geweest.
Het is een feit van algemene bekendheid – en ook de verdachte moet zich hiervan bewust zijn geweest – dat het tijdens een worsteling tussen meerdere personen steken met een scherp voorwerp in de onderrug en/of zij/flank en hand kan leiden tot zwaar lichamelijk letsel.
Er bestond namelijk een aanmerkelijke kans dat rugzenuwen of spieren/pezen zouden worden geraakt met als mogelijk gevolg blijvend functieverlies.
Het herhaaldelijk insteken op de rug en zij van slachtoffer [slachtoffer 1] die zich niet kon verdedigen is naar zijn uiterlijke verschijningsvorm zozeer gericht op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel dat het niet anders kan zijn dan dat de verdachte door het vasthouden van slachtoffer [slachtoffer 1] tijdens dit steken de aanmerkelijke kans op het ontstaan van dergelijk zwaar lichamelijk letsel bewust heeft aanvaard. Van aanwijzingen voor het tegendeel is niet gebleken.
De verdachte heeft dus voorwaardelijk opzet gehad op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel.
Anders dan de verdediging heeft bepleit, acht de rechtbank de meer subsidiair ten laste gelegde poging tot zware mishandeling – door het slachtoffer in de onderrug en/of zij/flank en hand te steken – dan ook wettig en overtuigend bewezen.
De rechtbank ziet onvoldoende steunbewijs voor de verklaring van slachtoffer [slachtoffer 1] dat de verdachte of medeverdachte ook met het scherpe voorwerp op de handen van slachtoffer [slachtoffer 1] zou hebben geslagen.
De verdachte wordt daarom van dit deel van de tenlastelegging vrijgesproken.
Openlijk geweld (feit 2)
De rechtbank is ook van oordeel dat het openlijk in vereniging geweld plegen tegen slachtoffer [slachtoffer 1] op grond van de bewijsmiddelen en hetgeen hiervoor is vastgesteld wettig en overtuigend kan worden bewezen.
Ten aanzien van parketnummer 09.251861.24: [2]
Het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 4] , opgemaakt op 4 augustus 2024 door verbalisant [verbalisant 6] , voor zover inhoudende (proces-verbaal pag. 5-9):Zij deed aangifte namens slachtoffer [slachtoffer 3] , gevestigd op [adres 1] te 's-Gravenhage. Ik heb de diefstal zelf gezien. Omdat ik hem spullen in de tas zag stoppen, pakte ik hem op verdenking van winkeldiefstal vast. Ik keek toen in zijn tas. En toen zag ik kledingstukken die wij in de winkel verkopen.
Ik vroeg aan de verdachte of hij mee kon lopen. De verdachte onttrok zich daaraan en zij dat ik los moest laten. Ik vroeg een collega erbij en greep de verdachte weer vast en vroeg de verdachte mee te lopen. De verdachte stopte zijn vlakke hand dicht tegen mijn wang en hij zei laat me los, ik ga je slaan. De verdachte ging dicht tegen mijn collega aanstaan en dit resulteerde in duw en trekwerk, wat begon bij de verdachte maar mijn collega.
Bij de diefstal werd gebruikt gemaakt van een geprepareerde HM tas.
De volgende goederen zijn bij de diefstal weggenomen: 1 jas, 1 broek en 1 polo.
De totale verkoop waarde van de weggenomen goederen is € 175,00.
Het proces-verbaal van verhoor van getuige [slachtoffer 5] , opgemaakt op 5 augustus 2024 door verbalisant [verbalisant 7] , voor zover inhoudende (proces-verbaal pag. p. 10-12):V: 04 augustus 2024, omstreeks 17.30 uur heeft er een diefstal plaatsgevonden in de [slachtoffer 3] aan de [adres 1] in Den Haag. Wat heb jij gezien en gehoord?
A: Ik was werkzaam in de winkel. Ik heb de diefstal zelf niet gezien. Ik hoorde van mijn collega dat zij een winkeldief had aangehouden en dat deze een geprepareerde tas had. Ik hoorde dat ik naar de backoffice moest komen want hier zou de winkeldief zitten. Ik zag de verdachte met een H&M tas. Ik zag direct dat deze tas geprepareerd was. Ik zag in de tas diverse goederen die afkomstig waren van onze winkel. Ik zag een Nike jas en nog enkele goederen. Mijn collega belde toen de politie. Toen mijn collega aan het bellen was liep ik kort even de winkel in. Ik kwam terug in de backoffice en toen gebeurde het. Ik zag en ik voelde dat de verdachte mij aanviel. De verdachte mij vast bij mijn T-shirt. Hierdoor pakte ik de verdachte vast en begon er een worsteling. Ik zag dat de verdachte met zijn rechterhand een vuist maakte en zijn arm naar achter deed. Vervolgens zag ik dat de vuistslag naar mijn hoofd was gericht en de verdachte ook daadwerkelijk in de richting van mijn hoofd sloeg. Doordat ik de verdachte vasthield en hem van mij af duwde kon ik de vuistslag ontwijken. Meerdere collega's kwamen er tussen en trokken mij en de verdachte uit elkaar.
De verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 3 juli 2026:
Het klopt dat ik op 4 augustus 2024 bij het filiaal van [slachtoffer 3] gelegen aan de [adres 1] in Den Haag enkele kledingstukken heb weggenomen met behulp van een geprepareerde tas.
Ten aanzien van parketnummer 16.246666.24: [3]
Ten aanzien van feit 1:
Het proces-verbaal van aangifte van [persoon] namens [slachtoffer 6] , opgemaakt op 30 juli 202 door verbalisant [verbalisant 8] , voor zover inhoudende (proces-verbaal pag. 107-110):Hij deed aangifte namens slachtoffer [slachtoffer 6] , gevestigd op [adres 3] te Amersfoort. Omstreeks 12.12 uur hoorde aangever het alarm bij de luchtjes afdeling in de winkel af gaan. Aangever is naar de afdeling gelopen en zag daar NN1 en NN2. Aangever zag dat NN1 een luchtje van het merk 'Tommy Girl' in zijn hadden had. Aangever zag dat NN1 het alarmsticker van de verpakking schraapte. Aangever is naar buiten gelopen vanaf daar kon aangever zicht houden door het raam op NN1 en NN2. Aangever zag dat NN1 en NN2 de winkel verlieten. Aangever is vervolgens beelden terug gaan kijken en zag dat NN2 twee luchtjes uit de verpakking haalde en de luchtjes in zijn schoudertas deed. Aangever liep naar de luchtjes afdeling. Aangever zag direct naast de luchtjes, op de grond onder het schap met sieraden twee lege verpakkingen liggen van de luchtjes die gestolen waren.
De verdachte(n) passeerde(n) de kassa zonder de goederen ter betaling aan te bieden.
Bij het verlaten van de winkel werden de detectiepoortjes omzeild door de goederen uit de
verpakking te halen. Op de verpakking zat een alarmsticker.
De verdachten hebben de diefstal samen gepleegd. De volgende goederen zijn bij de diefstal weggenomen: 1x luchtje 'Magic Man' van merk 'Bruno Banai' 1x luchtje 'Wild Beat' van het merk 'Tabac'.
proces-verbaal van bevindingen fotobijlage, Proces-verbaalnummer 2024240780 opgemaakt en ondertekend d.d. 31 juli 2024 door verbalisant [verbalisant 9]Op 31 juli 2024 stelde ik een onderzoek in waarbij ik de volgende fotografische opnamen heb gemaakt:
Omschrijving: 30-07-2024 12:13:25 uur 3 verdachten lopen het [slachtoffer 6] langs. Van links naar rechts: - [naam 2] : Gucci pet, donker gekleed, witte sneaker, Hoogvliet tas in de hand. - [naam 1] : Witte pet, lichte kleding, witte sneakers, zwarte rugtas op zijn rug. - [verdachte] : witte pet, donker gekleed, zwarte slippers, witte sokken.
Omschrijving: 30-07-2024 12:13:31 uur [verdachte] splitst zich op van het groepje en loopt het [slachtoffer 6] binnen.
Omschrijving: 30-07-2024 12:13:35 uur [naam 2] zet vervolgens de Hoogvliet tas neer bij [naam 1] en loopt achter [verdachte] aan het [slachtoffer 6] binnen. [naam 1] blijft buiten staan.
Omschrijving: 30-07-2024 12:14:23 uur Het lijkt erop dat [verdachte] iets uit het schap pakt. Een persoon loopt langs en [verdachte] en [naam 2] lopen weg zonder iets in hun handen.
Omschrijving: 30-07-2024 12:15:15 uur [naam 2] en [verdachte] dralen voor enkele seconden rond bij de kassa maar lopen vervolgens weer terug de winkel in.
Omschrijving: 30-07-2024 12:16:33 uur Zo'n twee minuten later komen [verdachte] en [naam 2] teruglopen naar het betreffende schap. [verdachte] steekt wederom zijn hand in het schap en haalt een rechthoekig voorwerp uit het schap.
Omschrijving: Dit betreft (vermoedelijk) een geurtje met rode zijkanten.
Omschrijving: [naam 2] steekt vervolgens ook zijn hand in het schap en haalt daar ook een rechthoekig voorwerp uit. Dit betreft een donkerblauwe voorwerp.
Omschrijving: Zowel [naam 2] als [verdachte] krabben aan de rechthoekige verpakkingen en kijken om zich heen. Het lijkt erop dat zij er lol in hebben aangezien ze moeten lachen.
Omschrijving: Te zien is dat [naam 2] een korte ruk aan het blauwe, rechthoekige voorwerp geeft, de verpakking opent en de inhoud eruit haalt. De lege verpakking wordt vervolgens onderin het schap gelegd.
Omschrijving: De inhoud wordt vervolgens door [naam 2] in zijn tasje gestopt.
Omschrijving: [naam 2] pakt vervolgens een nieuwe, blauwkleurige verpakking en maakt ook deze open.
Omschrijving: [naam 2] haalt de inhoud eruit. Deze inhoud houdt hij vast met zijn rechter hand en met zijn linker hand legt hij de verpakking terug.
Omschrijving: Ook deze inhoud verdwijnt in het tasje van [naam 2] .
Omschrijving: 30-07-2024 12:19:48 uur. [naam 2] en [verdachte] lopen via de kassa richting de uitgang. Zij passeren de kassa zonder iets af te rekenen en lopen naar buiten.
Omschrijving: 30-07-2024 12:19:54 uur. Het lijkt erop alsof [verdachte] nog het een en ander zegt tegen de kassamedewerker terwijl zij naar buiten lopen. Zowel [verdachte] als [naam 2] zijn niet van elkaars zijde geweken vanaf binnenkomst tot het verlaten uit de [slachtoffer 6] .
Ten aanzien van feit 2:
een proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 31 juli 2024 door verbalisant [slachtoffer 8] , (proces-verbaal pag.. 85-89):Op 30 juli 2024. Omstreeks 12.28 uur kwam ik, samen met collega [slachtoffer 7] , ter plaatse op de Utrechtsestraat te Amersfoort. Aldaar zag ik een jongen zitten die ik herkende als [naam 2] .
Omstreeks 12.38 uur voegde ik mij bij collega [verbalisant 10] in de McDonalds. Ik trof collega [verbalisant 10] op de eerste etage van de McDonalds. Ik zag haar staan bij twee jongens. Ik kan de eerste jongen als volgt omschrijven:
- Wit petje;
- bril;
- geen gezichtsbeharing;
- getinte huidskleur;
- zwarte jas met logo op linkerborst;
- zwarte broek;
- witte sokken;
- zwarte slippers
- zwart heuptasje met logo.
Tijdens het lopen richting mijn politievoertuig, vervoerde ik de verdachte in het zwart gekleed, die mij later bekend werd als [verdachte]
Ik zag en hoorde dat de verdachte begon te roepen in het voertuig en begon te bonken in het dienstvoertuig. Ik zag dat hij mijn arm vastpakte en begon te schreeuwen. Ik trok mijn arm los en duwde hem nogmaals naar achteren. Ik zag dat [verdachte] met zijn linkerarm, en gebalde vuist, uithaalde naar de rechterzijde van mijn gezicht. Ik zag dat collega [slachtoffer 7] ondertussen via het andere portier was gekomen en de verdachte bij een arm en zijn hoofd vasthield. Ik zag dat de verdachte zijn benen op trok en mij met zijn rechtervoet op de rechterzijde van mijn steekvest trapte.
Ik zag dat hij dit nogmaals herhaalde. Ik zag dat de verdachte wederom zijn gebalde vuist uithaalde naar mijn gezicht. Ik zag en voelde dat hij mij niet in het gezicht raakte maar op mijn rechterschouder. Ik zag en voelde dat de verdachte mijn duim vastpakte toen ik hem op zijn borst drukte. Ik zag en voelde dat hij mijn duim richting mijn pols boog, in de richting van mijn bicep. Ik voelde direct een hevige en stekende pijn in mijn duimgewricht. Ik ben hierna samen met collega naar de spoedeisende hulp gegaan om een foto te laten maken van mijn duimgewricht. De arts vertelde mij na onderzoek dat mijn pees in mijn duimgewricht gescheurd is en ik hiervoor een week in het gips moet.
Een ander geschrift, te weten een medisch verslag van 30 juli 2024 betreffende [slachtoffer 8] opgemaakt door J. Van der Zwaag, HAIO SEH namens D. Houtman, SEH arts (proces-verbaal pag. 120-122)
Betreft: Dhr. [slachtoffer 8] , geb. datum [1993] ,
Bovengenoemde patiënt bezocht dinsdag 30 juli 2024 de afdeling spoedeisende hulp van het Meander Medisch Centrum te Amersfoort.
Reden Consult: Trauma vinger
A/ Was bezig met aanhouding (is agent), de boef verzette zich waarbij hij de rechterduim naar achter heeft getrokken. Nu pijn aan rechterduim. Is rechtshandig.
Conclusie
Verdenking UCL letsel dig I rechts
Beleid i.o.m. Houtman, SEH-arts:
- Naviculare gips
- Over 5-10d her beoordelen poli chirurgie
- Pijnstilling middels pcm zn
een proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 30 juli 2024 door verbalisant [slachtoffer 7] , (proces-verbaal pag. 74-77):
Op 30 juli 2024 zag ik dat mijn collega [verbalisant 11] met één van de verdachten richting het dienstvoertuig kwam lopen.
Ik ben richting het dienstvoertuig gelopen en ik zag dat de verdachte meerdere trappende bewegingen maakte richting mijn collega [verbalisant 11] , deze trappende bewegingen waren gericht op het bovenlichaam van mijn collega [verbalisant 11] en gericht op de heup van mijn collega [verbalisant 11] .
Ik zag dat mijn collega [verbalisant 11] de rechterarm van de verdachte pakte om hem te fixeren. Ik pakte vervolgens zijn arm. Ik zag en voelde dat de verdachte zijn arm naar zich toe trok om los te komen. Ik zag dat de verdachte met zijn rechterhand een slaande beweging maakte richting mijn collega [verbalisant 11] . Ik zag dat deze slaande bewegingen van de verdachte gericht waren op het bovenlichaam en het hoofd van mijn collega [verbalisant 11] . Ik fixeerde het hoofd van de verdachte en ik voelde dat hij zijn hoofd druk op en neer begon te bewegen om los te
komen. Ik zag en voelde dat de verdachte zijn arm hevig op en neer begon te bewegen, zodat hij los kon komen. Ik zag vervolgens dat de verdachte een slaande beweging maakte met zijn linkerhand richting mijn collega [verbalisant 11] . Ik pakte de linkerarm van de verdachte vast. Ik zag dat de verdachte zijn rechterbeen hevig op en neer begon te bewegen. Ik zag en voelde dat de verdachte zijn armen naar zijn lichaam toe begon te trekken, om zo los te komen. De verdachte bleef fysiek tegen mij en mijn collega [verbalisant 11] in gaan, waardoor wij voor langere tijd met de verdachte bezig zijn geweest.
Mijn collega [verbalisant 11] is tijdens de aanhouding en door het verzet van de verdachte gewond geraakt en is voor onderzoek naar het ziekenhuis geweest.
Ten aanzien van feit 1 en feit 2:
De verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 3 juli 2026:
Het klopt dat ik op 30 juli 2024 bij een Kruidvatfiliaal samen met een vriend enkele parfums uit een schap heb gehaald en in mijn handen heb gehad. Toen ik kort daarna in de Mac Donalds was, werd ik door de politie aangehouden en ben ik in een dienstvoertuig geplaatst.

Bewijsoverweging ten aanzien van feit 1:

Anders dan de raadsman heeft bepleit is de rechtbank van oordeel dat de door de verdachte en medeverdachte verrichtte feitelijke handelingen zoals hiervoor in de bewijsmiddelen zijn beschreven naar hun uiterlijke verschijningsvorm moeten worden geduid als een voltooide diefstal die in vereniging is gepleegd.
Ten aanzien van parketnummer 16.322416.24: [4]
De rechtbank acht het gelegde wettig en overtuigd bewezen. De rechtbank baseert haar oordeel op de volgende bewijsmiddelen:
- een proces-verbaal van bevindingen opgemaakt op 9 oktober 2024 door verbalisant [verbalisant 12] (proces-verbaal pag. 5-6);
- een ander geschrift, te weten een Besluit verblijfsontzegging Stationsgebied en Lombok-Oost van 9 oktober 2024;(proces-verbaal pag. 20-22)

-de bekennende verklaring van de verdachte zoals ter terechtzitting van 3 juli 2026 afgelegd.

Onder verwijzing naar het bepaalde in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering heeft de rechtbank volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.
Ten aanzien van parketnummer 16.073898.25: [5]
De rechtbank acht de ten laste gelegde feiten 1 en 2 wettig en overtuigd bewezen.
De rechtbank baseert haar oordeel op de volgende bewijsmiddelen:
-een proces-verbaal van aangifte door [naam 3] namens [slachtoffer 9] , opgemaakt en ondertekend door verbalisant [verbalisant 13] op 3 maart 2025 (proces-verbaal pag. 4 - 6);
- een proces-verbaal van bevindingen opgemaakt op 2 maart 2025 door verbalisant [slachtoffer 10] (p. 7-11);

-de bekennende verklaring van de verdachte zoals ter terechtzitting van 3 juli 2026 afgelegd.

Onder verwijzing naar het bepaalde in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering heeft de rechtbank volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.
Ten aanzien van parketnummer 16.135615.25: [6]
De rechtbank acht het gelegde wettig en overtuigd bewezen. De rechtbank baseert haar oordeel op de volgende bewijsmiddelen:
- een proces-verbaal van bevindingen opgemaakt op 30 april 2025 door verbalisanten [verbalisant 14] en [verbalisant 15] proces-verbaal pag. 5-6);
- een ander geschrift, te weten een Besluit verblijfsontzegging Stationsgebied en Lombok-Oost van 18 april 2025;

-de bekennende verklaring van de verdachte zoals ter terechtzitting van 3 juli 2026 afgelegd.

Onder verwijzing naar het bepaalde in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering heeft de rechtbank volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.
Ten aanzien van parketnummer 16.340213.24: [7]
een proces-verbaal, opgemaakt en ondertekend op 26 oktober 2024 door verbalisant [verbalisant 16] ,, inhoudende de aangifte van [naam 4] namens [slachtoffer 12] , proces-verbaal pag pag. 5-7Ik ben woonbegeleider het AZC guesthouse aan de [adres 4] te Utrecht.
Op 26 oktober 2024 zag ik dat [verdachte] binnen liep. Ik zag dat hij naar de kamer die zich tegen over zijn kamer bevind liep. Ik zag dat [verdachte] toen met zijn hoofd tegen de kast aan sloeg. Ik zag dat hij meerdere keren met zijn hoofd tegen de kast bonkte. Ik zag dat hierdoor een gat ontstond in de deur.
een proces-verbaal, opgemaakt en ondertekend d.d. 26 oktober 2024 door verbalisant [verbalisant 16] ,, inhoudende het verhoor van getuige [getuige] , proces-verbaal pag. 8-10.Ik ben getuige geweest van de vernieling gepleegd op 26 oktober 2024 in het asielzoekerscentrum op de [adres 4] te Utrecht.Ik zag dat [verdachte] , via de hoofdingang binnen liep. Ik zag ook dat hij met zijn hoofd tegen de deuren aan het stoten was. Ik zag dat dit met een forse kracht ging. Ik zag dat [verdachte] een kamer binnen liep en ik hoorde een harde klap. Ik liep deze kamer binnen en ik zag een grote deuk in een kast. Ik hoorde iemand zeggen dat [verdachte] dit gedaan heeft.

De bewezenverklaring

Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de hierboven uitgewerkte en opgesomde bewijsmiddelen komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat de verdachte

Ten aanzien van parketnummer 01.232127.25:

1.
op 1 september 2025 te Eindhoven, tezamen en in vereniging met een ander ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader voorgenomen misdrijf om aan een ander, te weten [slachtoffer 1] , opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen,- die [slachtoffer 1] heeft vastgepakt/vastgehouden en- meermalen met een scherp voorwerp, in de (onder)rug en/of de zij van die [slachtoffer 1] heeft gestoken en- in een hand heeft gesneden met een scherp voorwerp, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
2op 1 september 2025 te Eindhoven,, aan de Rechtestraat, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een persoon, te weten [slachtoffer 1] , welk in vereniging gepleegde geweld bestond uit- het vastpakken en vasthouden van die [slachtoffer 1] en- het duwen van die [slachtoffer 1] en- het meermalen met een scherp voorwerp, steken in de(onder)rug en/of de zij van die [slachtoffer 1] en- het snijden met een scherp voorwerp in een hand van die [slachtoffer 1] en- het meermalen trappen en slaan tegen het lichaam van die [slachtoffer 1] .;

3.

op 1 september 2025 te Eindhoven, [slachtoffer 2] (buitengewoon opsporingsambtenaar bij de Nederlandse Spoorwegen) heeft mishandeld, door die [slachtoffer 2] tegen een knie te trappen, terwijl het misdrijf werd gepleegd tegen een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening;

Ten aanzien van parketnummer 09.251861.24:

op 4 augustus 2024 te 's-Gravenhage, een jas en een broek en een polo (ter waarde van 175,00 euro), die aan [slachtoffer 3] (filiaal [adres 1] ), toebehoorden heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen welke diefstal werd gevolgd van geweld en bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 5] , gepleegd met het oogmerk om bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door een slaande beweging te maken in de richting van het hoofd van die [slachtoffer 4] en tegen die [slachtoffer 4] zeggen: "laat me los, ik ga je slaan", en die [slachtoffer 5] bij diens t-shirt beet te pakken en een slaande beweging te maken naar het hoofd;

Ten aanzien van parketnummer 16.246666.24:

1.
op 30 juli 2024 te Amersfoort tezamen en in vereniging met een ander twee flesjes parfum, die aan het [slachtoffer 6] toebehoorden, heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;
2.op 30 juli 2024 te Amersfoort, zich met geweld, heeft verzet tegen een ambtenaar, [slachtoffer 7] en [slachtoffer 8] , werkzaam in de rechtmatige uitoefening van hun bediening, te weten de aanhouding van verdachte door slaande en/of stompende en/of schoppende bewegingen te maken in de richting van die [slachtoffer 7] en [slachtoffer 8] en een duim van die [slachtoffer 8] naar zijn pols duwde, terwijl dit misdrijf en de daarmede gepaard gaande feitelijkheden enig lichamelijk letsel, te weten een gescheurde pees in zijn duimgewricht bij die [slachtoffer 8] ten gevolge heeft gehad;

Ten aanzien van parketnummer 16.322416.24:

op 9 oktober 2024 te Utrecht opzettelijk niet heeft voldaan aan een bevel, te weten een gebiedsverbod, krachtens een wettelijk voorschrift, te weten artikel 172 en Pro/of 172a van de Gemeentewet en/of artikel 2:3 van Pro de Algemene plaatselijke verordening Utrecht 2010 en het daarop gebaseerde aanwijzingsbesluit Verblijfsontzegging Stationsgebied en Lombok-Oost (inwerkingtreding op 28 september 2023), gedaan namens de burgemeester van Utrecht, in elk geval door een ambtenaar als bedoeld in artikel 184 Wetboek Pro van Strafrecht, eerste en/of tweede lid, inhoudende dat hij, verdachte, zich in de periode gelegen tussen 9 oktober 2024 16:12 uur en 10 oktober 2024 16:11 uur niet mocht bevinden in het gebied begrensd door het Vredenburgplein, het Vredenburg, de Smakkelaarskade, de Van Sijpesteijntunnel, het Westplein, de Vleutenseweg, de Jan Pieterszoon Coenstraat, de Leidseweg, de Croeselaan tot de Moreelsebrug, de Moreelsebrug, het Moreelsepark, de Marga Klompébrug, de Mariaplaats, de Mariastraat, de Steenweg en de Lange Elisabethstraat aansluitend op het Vredenburgplein, door, zich op 9 oktober 2024 om of omstreeks 20:40 uur op een openbare weg gelegen in voornoemd gebied te bevinden;

Ten aanzien van parketnummer 16.073898.25:

1.op 2 maart 2025 te Utrecht een flesje spa, een blikje red bull en twee spinazie feta boreks, die aan [slachtoffer 9] toebehoorden heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;
2.op 2 maart 2025 te Utrecht, zich met geweld heeft verzet tegen een ambtenaar,

[slachtoffer 10] en [slachtoffer 11] werkzaam in de rechtmatige uitoefening van hun bediening, te weten de aanhouding van verdachte terzake winkeldiefstal door die [slachtoffer 10] en [slachtoffer 11] meermalen tegen hun benen te schoppen en zijn handen weg te trekken;

Ten aanzien van parketnummer 16.135615.25:

op 30 april 2025 te Utrecht opzettelijk niet heeft voldaan aan een bevel, te weten een gebiedsverbod, krachtens een wettelijk voorschrift, te weten artikel 172 en Pro/of 172a van de gemeentewet, gedaan namens de burgemeester van Utrecht, in elk geval door een ambtenaar als bedoeld in artikel 184 Wetboek Pro van Strafrecht, eerste en/of tweede lid, inhoudende dat hij, verdachte, zich in de periode gelegen 18 april 2025 en 18 mei 2025 niet mocht bevinden in/op Hoog Catharijne, het Centraal Station Utrecht, het Stationsgebied en de woonwijk Lombok begrenst aan het Vredenburgplein, Vredenburg, Leidseveer, Lange Hagelstraat, Daalsetunnel, Vleutenseweg, de Jan Pieterszoon Coenstraat, de Leidseweg, de Croeselaan tot de Moreelsebrug, de Moreelsebrug, Mororeelsepark, de Marga Klompebrug, de Mariaplaats, de Mariastraat, de Steenweg en de Lange Elisabethstraat aansluitend op het Vredenburgplein, door, zich op voornoemde datum om 17:10 uur op een openbare weg gelegen in voornoemd gebied te bevinden;

Ten aanzien van parketnummer 16.340213.24:

op 26 oktober 2024 te Utrecht opzettelijk en wederrechtelijk een kastdeur die aan het [slachtoffer 12] toebehoorde heeft beschadigd.
Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. De verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.
De bewijsmiddelen worden slechts gebezigd met betrekking tot het feit waarop zij in het bijzonder betrekking hebben.

De strafbaarheid van de feiten

Het bewezen verklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De strafbaarheid van verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

Oplegging van straf en/of maatregel

De eis van de officier van justitie.
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een jeugddetentie van 15 maanden met aftrek van de tijd die de verdachte al in voorarrest heeft doorgebracht en de maatregel van een voorwaardelijke plaatsing in een inrichting voor jeugdigen (hierna: PIJ) onder de voorwaarden zoals geformuleerd door de jeugdreclassering in het e-mailbericht van 1 juli 2026.
Daarbij heeft de officier van justitie verzocht om ook de bijzondere voorwaarde toe te voegen dat de verdachte zijn medewerking zal verlenen aan Intensieve Trajectbegeleiding Harde Kern (ITB Harde Kern).
De officier van justitie heeft de dadelijke uitvoerbaarheid van deze voorwaarden gevorderd.
Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.
Het standpunt van de verdediging.
De raadsman heeft verzocht om aan de verdachte géén straf op te leggen ten aanzien van de overtreding van het gebiedsverbod zoals ten laste is gelegd onder parketnummer 16.135615.25.
Daarnaast heeft de raadsman onder verwijzing naar overwegingen in de uitspraak ECLI:NL:RBAMS:2015:2291 verzocht om aan de verdachte géén voorwaardelijke PIJ-maatregel op te leggen. Ook acht de raadsman oplegging van deze maatregel praktisch moeilijk uitvoerbaar vanwege de onzekere verblijfstatus van de verdachte.
De rechtbank kan volstaan met het opleggen van een onvoorwaardelijke jeugddetentie die gelijk is aan de tijd die de verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht.
Aan de verdachte kan daarnaast een voorwaardelijke jeugddetentie worden opgelegd waaraan de voorwaarden kunnen worden gekoppeld die door de jeugdreclassering zijn geadviseerd alsook de voorwaarde dat de verdachte zijn medewerking zal verlenen aan ITB Harde Kern.
Het oordeel van de rechtbank.
Bij de beslissing over de straf die aan de verdachte dient te worden opgelegd, heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van de door de verdachte gepleegde strafbare feiten betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte.
De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
Ernst van de feiten
De verdachte heeft zich samen met een ander schuldig gemaakt aan een poging tot zware mishandeling door slachtoffer [slachtoffer 1] met een scherp voorwerp in zijn onderrug te steken.
Ook heeft de verdachte openlijk en in vereniging geweld gepleegd tegen slachtoffer [slachtoffer 1] in een winkelstraat in het stadscentrum van Eindhoven. Hierbij zijn het grotendeels dezelfde gedragingen die tot een bewezenverklaring hebben geleid. Met betrekking tot de vechtpartij waarbij de verdachte slachtoffer [slachtoffer 1] vasthield terwijl hij werd gestoken, lijkt de groep waarvan slachtoffer [slachtoffer 1] deel uitmaakt eerst de confrontatie te zoeken. Door het handelen van de verdachte en zijn broer, de medeverdachte [medeverdachte 2] – in het bijzonder door gebruik te maken van een scherp voorwerp – is deze vechtpartij geëscaleerd. De rechtbank houdt er wel rekening mee dat de verdachte niet (ook) zelf heeft gestoken of gesneden.
Slachtoffer [slachtoffer 1] heeft als gevolg hiervan letsel en een litteken opgelopen. Dat het letsel niet veel ernstiger is geweest, is een kwestie van geluk, en geenszins aan de gedragingen van de verdachte te danken.
Door zijn handelen heeft de verdachte een ernstige inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer. Daarnaast ontstaan er gevoelens van onveiligheid in de maatschappij door dit soort geweldsmisdrijven op de openbare weg.
De verdachte heeft zich ook schuldig gemaakt aan twee winkeldiefstallen en de beschadiging van een kast. Hij heeft daarmee blijk gegeven weinig respect te hebben voor de eigendommen van anderen en voor financiële schade en overlast gezorgd.
De verdachte heeft bij de winkeldiefstallen enkel oog gehad voor zijn eigen financiële gewin. Bij één van de diefstallen heeft de verdachte geweld aangewend tegen twee winkelmedewerkers op het moment dat hij werd aangehouden.
Daarnaast heeft de verdachte bij drie verschillende incidenten geweld aangewend tegen opsporingsambtenaren die hun werk deden. Een van hen heeft daarbij fors duimletsel opgelopen. Het handelen van de verdachte tegenover opsporingsambtenaren – die zich inzetten voor de orde in en veiligheid van de samenleving– is gezagsondermijnend.
Ook de gebiedsverboden die de verdachte tot tweemaal toe heeft overtreden getuigen van weinig respect van de verdachte voor de autoriteiten.
De verdachte heeft zich aldus, in een tijdbestek van ongeveer dertien maanden aan elf misdrijven schuldig gemaakt. De rechtbank rekent dit de verdachte aan.
Persoon en persoonlijke omstandigheden
Jeugdige leeftijd
Ten tijde van het plegen van de winkeldiefstallen in ‘s-Gravenhage en Amersfoort en wederspannigheid tegen politieambtenaren in Amersfoort was de verdachte nog 14 jaar oud. Ten tijde van de door hem gepleegd feiten in Utrecht was de verdachte 15 jaar oud.
De meest recente feiten – waaronder ook de poging zware mishandeling van slachtoffer [slachtoffer 1] – zijn gepleegd in Eindhoven en vonden plaats op de dag dat de verdachte 16 jaar is geworden.
Rapportages
PJ-rapport van de Observatieafdeling [naam 7] van 30 april 2026
In dit rapport wordt onder meer het volgende geconcludeerd:
(…)
bij [verdachte] [is] sprake van een norm-overschrijdende gedragsstoornis (thans in vroege remissie in een gereguleerde setting), een stoornis in middelengebruik (polydrugsgebruik; onder andere cannabis, lyrica, cocaïne, alcohol), en een bedreigde persoonlijkheidsontwikkeling. Situationele factoren spelen daarnaast een grote rol en worden geclassificeerd als acculturatieproblemen en “opvoeding in afwezigheid van ouders”.De problematiek van [verdachte] is ontstaan vanuit een wisselwerking van de (sociale/subculturele) context waarin hij verkeerde en bepaalde persoonlijkheidskenmerken, die hem extra kwetsbaar maakten voor negatieve beïnvloeding en het ontwikkelen van antisociaal gedrag.
[verdachte] heeft van nature een impulsief karakter. Hij gaat gemakkelijk mee in groepsdynamiek en handelt dan eerst, voordat hij erover nadenkt.
De emotie- en agressieregulatie van [verdachte] kennen beperkingen. Hiernaast ontbreekt het [verdachte] aan voldoende ontwikkelde copingvaardigheden.
Hoewel de intelligentie geen forensisch relevante beperkingen kent, is het cognitieve niveau van [verdachte] ook geen protectieve factor. [verdachte] functioneert, zo blijkt uit een non-verbale intelligentietest, op een laaggemiddeld niveau.
Dit was ook zo ten tijde van het ten laste gelegde. Onderzoekers adviseren [verdachte] het ten laste gelegde, indien bewezen verklaard, in verminderde mate toe te rekenen.
Zowel het klinisch oordeel van onderzoekers, als een gestructureerde risicotaxatie met de SAVRY, duiden op een matig tot hoog recidiverisico, zowel voor nieuwe geweldsfeiten als voor andersoortige criminaliteit. Beschermende factoren zijn er op dit moment nog onvoldoende.
Ook ten aanzien van zijn verblijfsstatus is nog veel onzeker. Het ontbreekt [verdachte] aan sociale steun en volwassenen die hem positief kunnen stimuleren. De huidige context met veel structuur biedt een beschermende setting en in een gereguleerde setting wordt gezien dat de problematiek van [verdachte] in ernst afneemt.
Gezien het matige tot hoge recidive risico is een klinische setting, met een in eerste instantie hoog beveiligingsniveau, geïndiceerd.
Een dergelijk behandeltraject dient te worden vormgegeven binnen het kader van een (voorwaardelijke) PIJ-maatregel. Andere juridische kaders, zoals bijzondere voorwaarden bij een voorwaardelijk strafdeel, geven onvoldoende borging. Ambulante hulpverlening heeft onvoldoende kans van slagen, omdat [verdachte] dan nog niet voldoende afstand heeft kunnen nemen van zijn sociaal netwerk en het risico op terugval/recidive dan groot is.Een behandeling zoals boven wordt beschreven, kan naar de mening van onderzoekers, binnen een klinische orthopsychiatrische setting worden vormgegeven. Gedacht kan worden aan behandeling bij [naam 5] .
Een PIJ-maatregel wordt gezien als passend kader, vanwege de bedreigde persoonlijkheidsproblematiek en norm-overschrijdend-gedragsstoornis. Zonder intensieve behandeling is het risico op recidive en verdere scheefgroei van de persoonlijkheid erg groot.Een intensief, in eerste instantie gesloten, behandelkader, biedt de meeste mogelijkheden om de ontwikkeling van [verdachte] nog ten goede te keren.Onderzoekers zien (nog nader te onderzoeken) mogelijkheden tot inzet van een voorwaardelijk PIJ-kader, maar mocht blijken dat [verdachte] daar na een intake niet terecht kan, of mocht [verdachte] zich niet houden aan afspraken en voorwaarden, dan dient de PIJ maatregel in een onvoorwaardelijk kader te worden vormgegeven.
(…)
Rapport van de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad) van 26 juni 2026
De Raad heeft een voorkeur uitgesproken voor het opleggen van een voorwaardelijke PIJ-maatregel waaraan onder meer de bijzondere voorwaarde van een klinische opname moet worden verbonden. De Raad heeft echter nog geen definitief advies kunnen geven nu de intake bij de geïndiceerde forensische instelling “ [naam 5] ” nog niet heeft plaatsgevonden.
Het is op dit moment onduidelijk of de verdachte daar zijn klinische behandeling kan ondergaan. Als de verdachte niet bij [naam 5] terecht kan, ziet de Raad geen andere mogelijkheid dan het opleggen van een onvoorwaardelijke PIJ-maatregel.
Om die reden heeft de Raad geadviseerd om het onderzoek ter terechtzitting te schorsen en de resultaten van de intake af te wachten, waarna zij een definitief advies uit kunnen brengen.
Het advies van de jeugdreclassering van 1 juli 2026
Anders dan de Raad is de jeugdreclassering van mening dat de intakeprocedure bij [naam 5] niet behoeft te worden afgewacht, maar dat – ter overbrugging van een klinische behandelplek – de verdachte kan verblijven bij [naam 6] . Dit is een (hoog) specialistische jeugdhulpinstantie, die zeer intensieve en gestructureerde behandeling biedt met één op één begeleiding.
In dat kader heeft de jeugdreclassering een strak kader aan bijzondere voorwaarden geformuleerd die aan de verdachte middels een voorwaardelijk strafdeel kunnen worden opgelegd.
Straf en/of maatregel?
Jeugddetentie
De rechtbank acht – gelet op de aard en ernst van alle strafbare feiten tezamen – de oplegging van een jeugddetentie noodzakelijk. De rechtbank houdt bij het bepalen van de duur van de op te leggen jeugddetentie rekening met het feit dat verdachte de leeftijd van 16 jaar had ten tijde van de laatste 3 door hem gepleegde misdrijven.
Verder houdt de rechtbank rekening met straffen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd. Hierbij is ook rekening gehouden met de LOVS oriëntatiepunten voor jeugdigen. Deze oriëntatiepunten zijn binnen de rechtspraak ontwikkeld om in vergelijkbare zaken zoveel mogelijk gelijk te straffen en vormen een vertrekpunt bij het bepalen van de straf.
PIJ-maatregel?
Door de psychiater en de psycholoog van de observatieafdeling [naam 7] is geadviseerd de hulpverlening aan de verdachte te borgen als voorwaarden binnen een voorwaardelijke
PIJ-maatregel. De Raad heeft zich op dat punt aangesloten bij dit advies. De jeugdreclassering sluit zich bij de andere deskundigen aan voor zover het gaat om de noodzaak tot intensieve behandeling, maar ziet andere mogelijkheden om te verzekeren dat de verdachte die behandeling daadwerkelijk zal ondergaan.
De rechtbank neemt de conclusies ten aanzien van de stoornis van verdachte over uit het PIJ-rapport van de Observatieafdeling [naam 7] van 30 april 2026
.Daarnaast is de rechtbank met de deskundigen van oordeel dat het ter inperking van het recidiverisico noodzakelijk is dat de verdachte een intensieve behandeling ondergaat, die in eerste instantie in een klinische setting dient plaats te vinden. Het is echter de vraag hoe dit doel moet worden bereikt.
De rechtbank is van oordeel dat aan de wettelijke vereisten voor het opleggen van een
PIJ-maatregel, zoals vermeld in artikel 77s Sr, is voldaan. De bewezenverklaarde poging tot zware mishandeling, openlijk geweld, diefstal met geweld en wederspannigheid met letsel tot gevolg zijn misdrijven waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaar of meer is gesteld. Bij de verdachte bestond ten tijde van het begaan van dit misdrijf een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van zijn geestvermogens.
Ook acht de rechtbank – gezien de adviezen van de gedragsdeskundigen, waarmee de rechtbank zich verenigt – de oplegging van een strikt kader noodzakelijk voor de veiligheid van andere personen of goederen, nu het recidiverisico zonder adequate behandeling als matig tot hoog wordt ingeschat.
De vraag of de oplegging van een PIJ-maatregel in het belang van een zo gunstig mogelijke verdere ontwikkeling van de verdachte is, beantwoordt de rechtbank echter negatief.
De rechtbank overweegt daartoe als volgt.
Gebleken is dat de verdachte in zijn huidige detentiekader grote positieve stappen heeft gezet. Zo heeft hij zich de Nederlandse taal goed eigen gemaakt en is hij voornemens om zijn leven een constructieve wending te geven door in te zetten op een goede dagbesteding zoals het beoefenen van sport en het verrichten van werk.
De verdachte heeft ter terechtzitting aangegeven dat hij zijn leven nog verder op de rit wil krijgen en dat hij zich aan alle door de jeugdreclassering geadviseerde voorwaarden wil conformeren. Hij heeft de rechtbank gevraagd om hem die kans te geven.
De rechtbank heeft vastgesteld dat de verdachte niet eerder een forensische behandeling in het kader van bijzondere voorwaarden heeft ondergaan. Daar komt bij dat uit de bevindingen van de deskundigen volgt dat de verdachte gebaat is bij strikte voorwaarden en dat hij in staat is zich daaraan te houden. De door de jeugdreclassering geadviseerde plek is op zeer korte termijn beschikbaar en daar kan de periode tot de klinische behandeling worden overbrugd met strikte voorwaarden.
Ten slotte acht de rechtbank het van belang dat er in dit stadium sprake is van een tijdelijke verblijfsstatus en uitzetrisico van de verdachte, hetgeen de praktische uitvoering van een PIJ-maatregel mogelijk in de weg kan staan.
Alles afwegend acht de rechtbank geen termen aanwezig om aan de verdachte de voorwaardelijke PIJ-maatregel op te leggen. Naar het oordeel van de rechtbank kunnen de recidiverisico’s voldoende worden ingeperkt door het pakket van strikte voorwaarden – zoals die door de jeugdreclassering is geadviseerd – aan een voorwaardelijk strafdeel te verbinden. Mede gelet op de omvang en inhoud van de voorwaarden en het belang van behandeling, acht de rechtbank het noodzakelijk dat er een forse voorwaardelijke straf aan de voorwaarden wordt verbonden. De rechtbank realiseert zich dat het hiermee in totaal een forse straf oplegt, maar het is een lagere straf dan de voorwaardelijke PIJ-maatregel die de rechtbank ook heeft overwogen.
Conclusie
De rechtbank zal aan de verdachte een jeugddetentie voor de duur van 18 maanden met aftrek van voorarrest opleggen. Van die 18 maanden jeugddetentie zal 6 maanden voorwaardelijk aan de verdachte worden opgelegd. Aan dit voorwaardelijke strafdeel zal een proeftijd van 2 jaren en het pakket van bijzondere voorwaarden, zoals door de jeugdreclassering is geadviseerd, worden verbonden.
Deze straf zal worden opgelegd voor alle elf bewezenverklaarde feiten.
Voor een door de raadsman bepleitte schuldigverklaring zonder strafoplegging, ten aanzien van de gebiedsovertreding die onder parketnummer 16.135615.25 is ten laste gelegd, ziet de rechtbank geen aanleiding.
De rechtbank legt een lagere onvoorwaardelijke straf op dan de officier van justitie heeft geëist omdat zij tot een andere bewezenverklaring komt dan waarop de officier van justitie zijn eis heeft gebaseerd.
Dadelijke uitvoerbaarheid
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan misdrijven die zijn gericht tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen, te weten poging tot zware mishandeling, openlijke geweldpleging, mishandeling van een ambtenaar, diefstal met geweld en wederspannigheid met lichamelijk letsel als gevolg.
Gelet op de ernst van de feiten en de hierboven genoemde rapportage en adviezen, waaruit naar voren komt dat het recidiverisico hoog is, bij de verdachte sprake is van diverse stoornissen en hij gebaat is bij klinische behandeling, is de rechtbank van oordeel dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte, zonder behandeling wederom een dergelijk misdrijf zou kunnen begaan.
Daarom zal de rechtbank bevelen dat de hierna op grond van artikel 77z Sr te stellen voorwaarden en het op grond van artikel 77aa van dit wetboek uit te oefenen toezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn.
De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 8] (parketnummer 16.24666.24)
Het standpunt van de officier van justitie.
De officier van justitie heeft verzocht om de vordering tot schadevergoeding integraal toe te wijzen tot een bedrag van € 4.016,00. De officier van justitie heeft verzocht om dit bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente. Tevens heeft de officier van justitie gevorderd om de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.
Het standpunt van de verdediging.
De raadsman meent dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de schadepost “huishoudelijke hulp” nu deze post niet is onderbouwd en een louter fictieve opgave lijkt te zijn. Voor wat betreft de gevorderde immateriële schade heeft de raadsman verzocht om deze te matigen.
Het oordeel van de rechtbank.
Materiële schade
De gevorderde schadepost “huishoudelijke hulp” ter hoogte van € 1.516,00 acht de rechtbank niet zonder meer toewijsbaar.
De beoordeling van dit deel van de vordering vraagt naar het oordeel van de rechtbank om een nadere uitwisseling van standpunten en mogelijk om bewijslevering.
De behandeling van dit deel van de vordering van de benadeelde partij levert een onevenredige belasting van het strafproces op. De rechtbank verklaart de benadeelde partij daarom in dit deel van zijn vordering niet-ontvankelijk.
Dit deel van de vordering kan bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
Immateriële schade
De benadeelde partij heeft als gevolg van het strafbare feit rechtstreeks immateriële schade geleden. De benadeelde partij heeft namelijk lichamelijk letsel opgelopen aan zijn duim dat naar het oordeel van de rechtbank goed met bewijsstukken is onderbouwd.
Bij de vaststelling van de hoogte van het schadebedrag dat aan de benadeelde partij kan worden toegekend is rekening gehouden met schadebedragen die door rechters in vergelijkbare gevallen zijn toegekend. Het door de benadeelde partij gevorderde schadebedrag ter hoogte van € 2.500,00 komt de rechtbank niet onredelijk of onbillijk voor.
Dit bedrag zal dan ook door de rechtbank worden toegekend.
Wettelijke rente, proceskosten en schadevergoedingsmaatregel
De benadeelde partij heeft gevorderd de schadevergoeding te vermeerderen met de wettelijke rente. De rechtbank wijst de wettelijke rente toe vanaf 30 juli 2024.
De rechtbank veroordeelt de verdachte in de proceskosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en die hij bij de tenuitvoerlegging nog zal maken, omdat de vordering van de benadeelde partij deels wordt toegewezen.
Deze kosten worden tot vandaag begroot op € 0,00.
De rechtbank legt de schadevergoedingsmaatregel als bedoeld in artikel 36f Sr op. Dit betekent dat de verdachte de schadevergoeding aan de Staat moet betalen en de Staat het bedrag uitkeert aan de benadeelde partij. Gelet op de leeftijd van de verdachte bepaalt de rechtbank dat het dwangmiddel van gijzeling niet kan worden toegepast..
De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] (parketnummer 01.232127.25)
Het standpunt van de officier van justitie.
De officier van justitie heeft verzocht om de vordering tot schadevergoeding integraal toe te wijzen tot een bedrag van € 9.488,00. De officier van justitie heeft verzocht om dit bedrag hoofdelijk toe te wijzen en dit te vermeerderen met de wettelijke rente. Tevens heeft de officier van justitie gevorderd om de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.
Het standpunt van de verdediging.
De raadsman heeft verzocht om de gevorderde materiële schadeposten kleding en telefoon af te wijzen nu niet duidelijk is in hoeverre de verdachte verantwoordelijk is voor het veroorzaken van deze schade. De daggeldvergoeding van het ziekenhuis kan evenmin worden toegewezen nu uit het dossier niet blijkt dat slachtoffer [slachtoffer 1] daadwerkelijk is opgenomen in het ziekenhuis. De raadsman heeft verzocht om de gevorderde immateriële schade te matigen, nu de aard van het letsel relatief beperkt is gebleven.
Het oordeel van de rechtbank.
Materiële schade
De rechtbank stelt vast dat de benadeelde partij rechtstreeks materiële schade heeft geleden als gevolg van het door de verdachte gepleegde strafbare feit. De materiële schadepost “kleding” komt de rechtbank gelet op de bewezenverklaring niet onrechtmatig of ongegrond voor. De vordering ten aanzien van de kleding kan daarom worden toegewezen.
Dit geldt eveneens voor de post ziekenhuisdaggeldvergoeding, nu uit de medische stukken van het Catharina Ziekenhuis blijkt dat het slachtoffer gedurende een tijdsbestek van 7 uren ter observatie in het ziekenhuis opgenomen is geweest.
Het deel van de vordering van de benadeelde partij dat ziet op de telefoon acht de rechtbank niet zonder meer toewijsbaar. Bij de huidige stand van zaken kan de rechtbank niet vaststellen hoe de telefoon van de benadeelde partij beschadigd is geraakt en welke rol de verdachte daarbij heeft gespeeld.
De beoordeling van dit deel van de vordering vraagt om een nadere uitwisseling van standpunten en mogelijk om bewijslevering.
De behandeling van dit deel van de vordering van de benadeelde partij levert een onevenredige belasting van het strafproces op. De rechtbank verklaart de benadeelde partij daarom in dit deel van zijn vordering niet-ontvankelijk.
Dit deel van de vordering kan bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
Dit betekent dat de verdachte € 138,00 als vergoeding van materiële schade aan de benadeelde partij moet betalen.
Immateriële schade
De benadeelde partij heeft als gevolg van het strafbare feit rechtstreeks immateriële schade geleden. De benadeelde partij heeft namelijk lichamelijk letsel opgelopen.
Bij de vaststelling is rekening gehouden met bedragen die door rechters in vergelijkbare gevallen zijn toegekend.
De rechtbank heeft daarbij ook gekeken naar de Rotterdamse Schaal, een hulpmiddel dat een overzicht biedt van in de praktijk toegewezen smartengeldbedragen in vergelijkbare gevallen. De rechtbank heeft bij het bepalen van de hoogte van de immateriële schadevergoeding in het bijzonder gelet op ‘littekens aan andere delen van het lichaam’ (hoofdstuk 10), waarbij zij het litteken van de benadeelde partij als “middelzwaar litteken” kwalificeert.
Voor de rechtbank zit het litteken van het slachtoffer aan de onderkant van de categorie middelzware littekens. Het lijkt goed te zijn genezen, het litteken bevindt zich op een plek die over het algemeen bedekt of in ieder geval niet direct zichtbaar is en er is nog een reële mogelijkheid dat het litteken de komende jaren nog verder weg zal trekken. Op basis van de tot op dit moment gebleken feiten en omstandigheden zal de schade naar maatstaven van billijkheid door de rechtbank worden vastgesteld op € 5.500,00.
De rechtbank ziet daarbij aanleiding om aan te sluiten bij aanbeveling 2 van de Rotterdamse Schaal om het smartengeld met 15% te verhogen omdat de benadeelde partij een jongvolwassene in de leeftijdscategorie van 15 jaar tot en met 29 jaar met littekenletsel betreft.
Dit betekent dat de rechtbank aan de benadeelde partij een immateriële schadevergoeding van € 6.325,00 zal toekennen.
De benadeelde partij wordt in het resterende deel van zijn immateriële vordering niet-ontvankelijk verklaard; dit deel van de vordering kan bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
Wettelijke rente, proceskosten en schadevergoedingsmaatregel
De benadeelde partij heeft gevorderd de schadevergoeding te vermeerderen met de wettelijke rente. De rechtbank wijst de wettelijke rente toe vanaf 01 september 2025.
De rechtbank veroordeelt de verdachte in de proceskosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en die hij bij de tenuitvoerlegging nog zal maken, omdat de vordering van de benadeelde partij deels wordt toegewezen.
Deze kosten worden tot vandaag begroot op € 0,00.
De rechtbank legt de schadevergoedingsmaatregel als bedoeld in artikel 36f Sr op. Dit betekent dat de verdachte de schadevergoeding aan de Staat moet betalen en de Staat het bedrag uitkeert aan de benadeelde partij. Gelet op de leeftijd van de verdachte, bepaalt de rechtbank dat het dwangmiddel van gijzeling niet kan worden toegepast.
Hoofdelijkheid.
De rechtbank heeft vastgesteld dat de verdachte dit strafbare feit samen met een ander heeft gepleegd.
Nu de verdachte en zijn mededader samen een onrechtmatige daad hebben gepleegd, zijn zij jegens de benadeelde partij hoofdelijk aansprakelijk voor de totale schade.
De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] (parketnummer 01.232127.25)
Het standpunt van de officier van justitie.
De officier van justitie heeft geen standpunt ingenomen met betrekking tot de vordering van de benadeelde partij.
Het standpunt van de verdediging.
De raadsman heeft verzocht om de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in de vordering nu het lichamelijk zeer beperkt is gebleven.
Het oordeel van de rechtbank.
Immateriële schade
De benadeelde partij heeft als gevolg van het strafbare feit rechtstreeks immateriële schade geleden. De benadeelde partij heeft namelijk lichamelijk letsel opgelopen aan zijn knie.
Bij de vaststelling van de hoogte van het schadebedrag dat aan de benadeelde partij kan worden toegekend is rekening gehouden met schadebedragen die door rechters in vergelijkbare gevallen zijn toegekend. In dit geval waardeert de rechtbank het door de benadeelde partij opgelopen letsel op een schadebedrag van € 200,00.
Dit bedrag zal dan ook door de rechtbank worden toegekend.
De benadeelde partij wordt in het resterende deel van zijn immateriële vordering niet-ontvankelijk verklaard; dit deel van de vordering kan bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
Wettelijke rente, proceskosten en schadevergoedingsmaatregel
De benadeelde partij heeft gevorderd de schadevergoeding te vermeerderen met de wettelijke rente. De rechtbank wijst de wettelijke rente toe vanaf 1 september 2025.
De rechtbank veroordeelt de verdachte in de proceskosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en die hij bij de tenuitvoerlegging nog zal maken, omdat de vordering van de benadeelde partij deels wordt toegewezen.
Deze kosten worden tot vandaag begroot op € 0,00.
De rechtbank legt de schadevergoedingsmaatregel als bedoeld in artikel 36f Sr op. Dit betekent dat de verdachte de schadevergoeding aan de Staat moet betalen en de Staat het bedrag uitkeert aan de benadeelde partij. Gelet op de leeftijd van de verdachte bepaalt de rechtbank dat het dwangmiddel van gijzeling niet kan worden toegepast.

Toepasselijke wetsartikelen

De beslissing is gegrond op de artikelen 36f, 45, 47, 77a, 77g, 77i, 77x, 77y, 77z, 77aa, 77gg, 141, 180, 181, 184, 300, 302, 304, 310, 311, 312 en 350 van het Wetboek van Strafrecht.

DE UITSPRAAK

De rechtbank:
verklaart hetgeen aan de verdachte onder parketnummer
01.232127.25, feit 1 primair en feit 1 subsidiairten laste is gelegd niet bewezen en spreekt hem daarvan vrij;
verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven;
verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.
het bewezen verklaarde levert op de misdrijven:
ten aanzien van parketnummer 01.232127.25:
ten aanzien van feit 1 (meer subsidiair):
medeplegen van poging tot zware mishandeling;
ten aanzien van feit 2:
openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen;
ten aanzien van feit 3:
mishandeling, terwijl het misdrijf wordt gepleegd tegen een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening;
ten aanzien van parketnummer 09.251861.24:
diefstal, gevolgd door geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren;
ten aanzien van parketnummer 16.246666.24:
ten aanzien van feit 1:
diefstal door twee of meer verenigde personen;
ten aanzien van feit 2:
wederspannigheid met lichamelijk letsel als gevolg;
ten aanzien van parketnummers 16.322416.24 en 16.135615.25:
opzettelijk niet voldoen aan een bevel, krachtens wettelijk voorschrift, gedaan door een ambtenaar met de uitoefening van enig toezicht belast;
ten aanzien van parketnummer 16.073898.25:
ten aanzien van feit 1:
diefstal;
ten aanzien van feit 2:
wederspannigheid;
ten aanzien van parketnummer16-340213-24:
opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, beschadigen;
verklaart de verdachte hiervoor strafbaar.
legt op de volgende straf en maatregelen.
Ten aanzien van 01-232127-25 feit 1 meer subsidiair, feit 2, feit 3, 09-251861-24 feit 1, 16-073898-25 feit 1, feit 2, 16-135615-25 feit 1, 16-246666-24 feit 1, feit 2, 16-322416-24 feit 1, 16-340213-24 feit 1:
een
jeugddetentie voor de duur van 18 maandenmet aftrek overeenkomstig artikel 27 van Pro het Wetboek van Strafrecht
waarvan 6 maanden voorwaardelijken een
proeftijd van 2 jaren;
voorwaarde is, dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig zal maken aan een strafbaar feit.

en stelt als bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:

1. zal meewerken aan plaatsing en zich zal houden aan regels woonvoorziening bij [naam 6] met extra 1 op 1 begeleiding of soortgelijke instelling zolang de jeugdreclassering en voogd dit nodig achten vóór de plaatsing bij [naam 5] of soortgelijke instelling;
2. zal meewerken aan plaatsing en zich zal houden aan regels woonvoorziening bij [naam 6] met extra 1 op 1 begeleiding of soort gelijke instelling zolang de jeugdreclassering en voogd dit nodig achten na behandeling bij [naam 5] of soortgelijke instelling;
3. zal meewerken aan klinische behandeling bij [naam 5] of een soortgelijke instelling;
4. zal meewerken aan een ambulante behandeling, behandeling in een 3-milieusetting of andere vorm van behandeling, bij een door [naam 5] of een soortgelijke instelling of een door de jeugdreclassering te bepalen instelling, zoals [naam 8] , tot maximaal het einde van de proeftijd;
5. Indien noodzakelijk geacht (gelet op de Instelling) door de jeugdreclassering en voor zolang zij dit nodig achten gedurende een termijn van 6 maanden, zal meewerken aan een avondklok van 19:00 tot 7:00 uur; veroordeelde dient tussen 19:00 uur en 07:00 uur aanwezig te zijn op het dan geldende woon- of verblijfadres; gedurende die periode mag de veroordeelde het verblijfadres enkel onder begeleiding van een door de jeugdreclassering aan te wijzen volwassene verlaten zolang de jeugdreclassering dit nodig vindt; de jeugdreclassering kan de tijden van de avondklok aanpassen indien zij dit noodzakelijk acht;
6. zal meewerken aan controle op deze bovengenoemde voorwaarde door middel van elektronisch toezicht gedurende maximaal een termijn van 6 maanden;
7. zal meewerken aan een zinvolle dagbesteding (onderwijs) in overleg met de voogd, jeugdreclassering en [naam 6] ;
8. zal meewerken aan fouillering bij [naam 6] of soortgelijke instelling;
9. zal meewerken aan controles met betrekking tot middelengebruik;
10. zich zal inspannen voor het vinden en behouden van een positieve vorm van vrijetijdsbesteding, in de vorm van sport of werk;
11. zijn medewerking zal verlenen aan Intensieve Trajectbegeleiding Harde Kern (ITB Harde Kern);
12. zich zal houden aan de weekschema's die door de jeugdreclasseerder worden opgesteld zolang de jeugdreclassering dit nodig acht;
13. zijn medewerking zal verlenen aan jeugdreclasseringstoezicht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen en zich melden bij de jeugdreclassering zo vaak en zolang als de jeugdreclassering dit noodzakelijk acht;
geeft aan William Schrikker Groep Jeugdbescherming & reclassering , een gecertificeerde instelling die jeugdreclassering uitvoert / de reclassering, opdracht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;
voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd:
- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van Pro de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
- medewerking zal verlenen aan het jeugdreclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 77aa, eerste tot en met het vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht, daaronder begrepen de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de jeugdreclassering zo vaak en zo lang de jeugdreclassering dit noodzakelijk acht;
omdat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de veroordeelde wederom een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen, beveelt de rechter, gelet op artikel 77za Wetboek van Strafrecht dat de gestelde voorwaarden en het uit te oefenen toezicht,
dadelijk uitvoerbaarzijn;
heft ophet tegen de verdachte verleende
bevel tot voorlopige hechtenismet ingang van het tijdstip waarop de duur daarvan gelijk wordt aan de duur van het onvoorwaardelijk deel van de opgelegde vrijheidsstraf;
ten aanzien van parketnummer 16.246666.24 feit 2:
-
een maatregel van schadevergoeding van € 2.500,00; 0 (nul) dagen gijzeling;
legt aan de verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van slachtoffer [slachtoffer 8] , van een bedrag van € 2.500,- bestaande uit immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag van volledige vergoeding;
bepaalt de duur van de gijzeling indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt op 0 (nul) dagen;
bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente op 30 juli 2024;
beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 8] :
wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij gedeeltelijk toe en veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij, [slachtoffer 8] van een bedrag van € 2.500,-, bestaande uit immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag van volledige vergoeding;
bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente op 30 juli 2024;
veroordeelt de verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op nihil;
veroordeelt de verdachte verder in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten;
bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt;
bepaalt dat de benadeelde partij in het overige deel van de vordering niet-ontvankelijk is;
bepaalt dat de benadeelde partij dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
ten aanzien van parketnummer. 01-232127-25 feit 1 meer subsidiair, feit 2:
- een maatregel van schadevergoeding van € 6.463,00; 0 (nul) dagen gijzeling;
legt aan de verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van slachtoffer [slachtoffer 1] , van een bedrag van € 6.463,- bestaande uit € 138,- voor materiële schade en € 6.325,- voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag van volledige vergoeding;
bepaalt de duur van de gijzeling indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt op 0 (nul) dagen;
bepaalt dat de verdachte niet is gehouden tot betaling voor zover dit bedrag door zijn mededader is betaald;
bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente op 01 september 2025;
beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] :
wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij gedeeltelijk toe en veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij, [slachtoffer 1] van een bedrag van 6463,- euro, bestaande uit € 138,- voor materiële schade en € 6.325,- voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag van volledige vergoeding;
bepaalt dat de verdachte niet is gehouden tot betaling voor zover dit bedrag door zijn mededader is betaald;
bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente op 01 september 2025;
veroordeelt de verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op nihil;
veroordeelt de verdachte verder in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten;
bepaalt dat indien en voor zover de verdachte en/of zijn mededader aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt;
bepaalt dat de benadeelde partij in het overige deel van de vordering niet-ontvankelijk is;
bepaalt dat de benadeelde partij dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
ten aanzien van parketnummer 01-232127-25 feit 3:

-een maatregel van schadevergoeding van € 200,00; 0 (nul) dagen gijzeling;

legt aan de verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van slachtoffer [slachtoffer 2] , van een bedrag van € 200,- bestaande uit immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag van volledige vergoeding;
bepaalt de duur van de gijzeling indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt op 0 (nul) dagen;
bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente op 1 september 2025;
beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] :
wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij gedeeltelijk toe en veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij, [slachtoffer 2] van een bedrag van € 200,-, bestaande uit immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag van volledige vergoeding;
bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente op 1 september 2025;
veroordeelt de verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op nihil;
veroordeelt de verdachte verder in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten;
bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt;
bepaalt dat de benadeelde partij in het overige deel van de vordering niet-ontvankelijk is;
bepaalt dat de benadeelde partij dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
Dit vonnis is gewezen door:
mr. J.H.L.M. Snijders, voorzitter, tevens kinderrechter,
mr. A. van der Hilst en mr. M.J.C. van der Vegte, leden,
in tegenwoordigheid van mr. A.J.H.L. Coppens, griffier,
en is uitgesproken op 17 juli 2026.

Voetnoten

1.Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt – tenzij anders vermeld – bedoeld een proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren. Waar wordt verwezen naar bijlagen betreffen dit de bijlagen bij het proces-verbaal van de politie Eenheid Oost Brabant Districtsrecherche Eindhoven Onderzoeksnummer | OB2R025084 Onderzoeksnaam Breezer
2.Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt – tenzij anders vermeld – bedoeld een proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren. Waar wordt verwezen naar bijlagen betreffen dit de bijlagen bij het proces-verbaal van de politie eenheid den Haag met registratienummer : PL1500-2024248540.
3.Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt – tenzij anders vermeld – bedoeld een proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren. Waar wordt verwezen naar bijlagen betreffen dit de bijlagen bij het proces-verbaal van de politie eenheid Midden-Nederland met registratienummer : PL0900-2024241809.
4.Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt – tenzij anders vermeld – bedoeld een proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren. Waar wordt verwezen naar bijlagen betreffen dit de bijlagen bij het proces-verbaal van de politie eenheid Midden-Nederland met registratienummer PL0900-2024320987.
5.Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt – tenzij anders vermeld – bedoeld een proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren. Waar wordt verwezen naar bijlagen betreffen dit de bijlagen bij het proces-verbaal van de politie eenheid Midden-Nederland met registratienummer PL0900-2025066831.
6.Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt – tenzij anders vermeld – bedoeld een proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren. Waar wordt verwezen naar bijlagen betreffen dit de bijlagen bij het proces-verbaal van de politie eenheid Midden-Nederland met registratienummer PL0900-2025140890.
7.Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt – tenzij anders vermeld – bedoeld een proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren. Waar wordt verwezen naar bijlagen betreffen dit de bijlagen bij het proces-verbaal van de politie eenheid Midden-Nederland met registratienummer PL0900-2024341034.