Uitspraak
RECHTBANK OOST-BRABANT
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 juli 2026 in de zaken tussen
[eiser] , uit [plaatsnaam] , eiser 1,
[eiser],
[eiser],
[eiser]en
[eiser]uit [plaatsnaam] , eisers 2,
[naam vennootschap] V.O.F. uit [plaatsnaam] , vergunninghoudster.
Samenvatting
Deze uitspraak gaat over de aan vergunninghoudster verleende omgevingsvergunning voor het oprichten van een gebouw voor groepsaccommodatie op het adres [adres] . Eiser 1 en eisers 2 [1] zijn het niet eens met de verleende omgevingsvergunning. Zij voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank het geschil.
Procesverloop
Op 23 juli 2024 heeft vergunninghoudster, naar aanleiding van de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 26 juni 2024 [2] over genoemde bestemmingsplannen, een aanvraag ingediend voor de activiteit planologisch strijdig gebruik ten behoeve van een groepsaccommodatie van 228 m2, bestaande uit tien kamers met elk twee bedden en voorzien van een eigen badkamer, een eetgelegenheid, een ontbijtzaal/lunchroom/eetcafé voor bezoekers en passanten van 47,5 m2 en een vergaderruimte op de verdieping van 48,3 m2.
6. Op 28 augustus 2024 heeft het college hiervoor aan vergunninghoudster een gewijzigde omgevingsvergunning verleend.
SHE 25/1876.
[naam] , [naam] en [naam] .
Beoordeling door de rechtbank
Planologisch kader
Eisers stellen dat het college de aanvraag van 23 juli 2024 en de daaropvolgende aanvraag van 22 mei 2025 ten onrechte niet heeft beschouwd als nieuwe aanvragen, maar als aanvullingen op de aanvraag van 1 december 2020. Volgens eisers is het bouwplan bij deze aanvragen dusdanig gewijzigd ten opzichte van het oorspronkelijke bouwplan van
1 december 2020, dat niet kan worden gesproken van ondergeschikte wijzigingen.
28 mei 2025.
Voor de vraag of de aanvraag van 1 december 2020 als grondslag voor het door het college te nemen besluit heeft te gelden, dan wel door de nadien ingediende aanvullingen niet meer als oorspronkelijke aanvraag kan worden aangemerkt, is met name van belang of de aanvullingen, op zichzelf maar ook in onderling verband beschouwd, van ondergeschikte aard zijn. Het antwoord op die vraag bepaalt welk recht door het college moet worden toegepast [3] . De vraag of sprake is van een wijziging van ondergeschikte aard dient per concreet geval te worden beoordeeld.
228 m2, bestaande uit tien kamers met elk twee bedden en voorzien van een eigen badkamer, een eetgelegenheid, een ontbijtzaal/lunchroom/eetcafé voor bezoekers en passanten van 47,5 m2 en een vergaderruimte op de verdieping van 48,3 m2.
22. In de bestreden besluiten is gesteld dat uit de aanvraag van 23 juli 2024 blijkt dat er naast de verblijfsrecreatieve nevenfunctie horecamatige nevenactiviteiten zijn toegevoegd aan de aanvraag. Dit gaat, zo stelt het college, niet enkel om het ruimtelijk toelaten van wat op 1 december 2020 is aangevraagd, maar om een uitbreiding van plannen. Deze horeca-activiteiten zijn ook voor passanten en staan daardoor volledig los van de paardenhouderij of de verblijfsrecreatieve nevenfunctie. Dit trekt aanvullende bezoekers aan. Gezien deze overwegingen kan niet worden gezegd dat hier sprake is van dezelfde ruimtelijke uitstraling als bij de aanvraag van 1 december 2020. Voor dit deel had vergunninghoudster dus een nieuwe aanvraag dienen te doen en had dit niet via een aanvulling vergund kunnen worden, aldus het college.
Bij de beoordeling van de aanvraag van 23 juli 2024 en de daaropvolgende aanvraag van
28 mei 2025 had het college, gelet op de data van deze aanvragen en artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet omgevingswet, daarom uit moeten gaan van de Omgevingswet die met ingang van 1 januari 2024 in werking is getreden. Dat de horecamatige nevenactiviteit bij de aanvraag van 28 mei 2025 weer is komen te vervallen en deze aanvraag een ondergeschikte wijziging zou betreffen van de aanvraag van 1 december 2020 leidt niet tot een ander oordeel. De rechtbank verwijst in dit verband naar de uitspraak van de Afdeling van 3 maart 2021. [4] Dit betoog slaagt.
Overkappingen
Dit betoog slaagt niet.
Nevenactiviteit
Eisers 2 hebben hierover gesteld dat een nevenactiviteit per definitie uitgaat van het bestaan van een hoofdactiviteit. Volgens hen voorziet de vergunning in een zelfstandige, niet agrarische en qua schaal te categoriseren aanmerkelijke hoofdactiviteit die ten onrechte word bestempeld als kleinschalige nevenactiviteit. Op het oog hebben de opstallen van de huidige hoofdactiviteit de uitstraling van een agrarisch bedrijf. Feitelijk staan de opstallen (van de voormalige varkenshouderij) echter voor een groot deel leeg. Hoewel de inrichting uiterlijk de indruk wekt van een volwaardige paardenhouderij, hebben eisers 2 duidelijk de indruk dat het gaat om het hobbymatig houden van paarden. Voor zover eisers 2 hebben kunnen beoordelen beantwoordt de paardenhouderij niet aan de gangbare definitie van een bedrijf, waarbij een van de kernwaarden een reëel en objectief uitzicht op winst is en zicht op continuïteit van de activiteiten. Daarbij wijzen zij op uitlatingen van de initiatiefnemers, waarbij is gesteld dat het ontplooien van een nevenactiviteit een financieel noodzakelijke stap is en beoogd is om een vaste bron van inkomsten te genereren nu er in de paardenhouderij zoals die ter plekke wordt uitgeoefend er niets tot weinig overblijft. Als sprake is van het hobbymatig houden van paarden dan ontbreekt het aan de voor een nevenactiviteit noodzakelijke hoofdactiviteit, zijnde een volwaardig agrarisch bedrijf. Daarmee vervalt de grondslag om een vergunning te verlenen voor een nevenactiviteit, aldus eisers 2.
Het college heeft hierover gesteld dat de door eiser 1 genoemde uitspraak van de Afdeling niet gaat over de toepassing van een binnenplanse afwijkingsbevoegdheid voor een verblijfsrecreatieve nevenactiviteit. Evenmin zag de voorafgaande tussenuitspraak van
17 augustus 2022 [6] hierop. Die uitspraken gaan over de wijziging van een bestemmingsplan dat veel meer toeliet dan nu is vergund.
artikel 153.7 van de planregels, mits wordt voldaan aan de beoordelingsregels. Aan de omschrijving van paardenhouderij is voldaan. Uit artikel 82.1 volgt ook niet dat een verblijfsrecreatieve nevenactiviteit geen zelfstandig karakter mag hebben noch dat het een agrarisch karakter moet hebben.
Ter zitting is door het college aanvullend gesteld dat de ondergeschiktheid van de nevenfunctie die wel vereist is in het kader van de toegelaten bebouwing ten behoeve van nevenactiviteiten reeds volgt uit het feit dat het bestemmingsplan een maximale oppervlakte van 200 m2 aan bebouwing voor nevenactiviteiten toestaat. Het gaat hier om een beperkt gebouw met een beperkte oppervlakte met acht kamers en hooguit zestien mensen, waardoor de ruimtelijke uitstraling van de aangevraagde verblijfsrecreatieve nevenactiviteit beperkter is dan die van de agrarische bebouwing en paardenhouderij.
De uitspraak van de Afdeling van 26 juni 2024 ging over (onder meer) het bestemmingsplan “Omgevingsplan: [naam omgevingsplan] 4”. Artikel 23.3, eerste lid, van dit bestemmingsplan luidde: “Toegestaan is het gebruik van de gronden voor de volgende ondergeschikte functie:
a. recreatieve activiteiten met in afwijking van het bepaalde in Artikel 92 lid Pro b, sub 2 een maximaal oppervlak aan bebouwing van 970 m2, uitsluitend bestaande uit:
- een groepsaccommodatie met maximaal 48 bedden;
- 4 vakantiewoningen bij [adres] maximaal 8 bedden en een gezamenlijk gebruiksoppervlak van maximaal 160 m2;
- een horecavoorziening uit de categorie 1a van de Staat van Horeca-activiteiten met een maximaal gebruiksoppervlak van 100 m2;
- een zaalaccommodatie behorende bij Rietven 4 overeenkomstig categorie 1a 'lichte horeca' in de Staat van Horeca-activiteiten met een maximaal gebruiksoppervlak van 100 m².
b. de activiteiten onder a worden als een ondergeschikte functie gezien als de activiteiten een beperkte ruimtelijke omvang hebben en als de hoofdfunctie paardenhouderij ruimtelijk qua aard, omvang en verschijningsvorm, overwegend of nagenoeg geheel duidelijk als hoofdfunctie herkenbaar blijft.”
Niet in geschil is dat wordt voldaan aan artikel 3.2, onder a, van het planregels. Verder is de rechtbank, gelet op de stukken en het verhandelde ter zitting, voldoende aannemelijk geworden dat met de paardenhouderij sprake is van een agrarisch bedrijf als bedoeld in artikel 153.7 van de planregels. Daarbij heeft de rechtbank mede in aanmerking genomen dat voor de paardenhouderij in 2018 een omgevingsvergunning beperkte milieutoets is verleend en een melding Activiteitenbesluit in 2019 is gedaan, die wijzen op activiteiten met een bedrijfsmatige omvang. Verder heeft vergunninghoudster onbetwist gesteld dat zij onder meer een gecertificeerde hengstenhouderij heeft, paarden fokt en aan geboorte- en drachtigheidsbegeleiding doet, waarbij gebruik wordt gemaakt van 40 paardenboxen op het perceel. Uit artikel 82.1 volgt niet, zoals het college terecht heeft gesteld, dat met de paardenhouderij een hogere omzet moet worden gegenereerd dan met de verblijfsrecreatieve activiteiten om als hoofdfunctie te kunnen worden aangemerkt. Evenmin volgt uit
artikel 82.1 dat een verblijfsrecreatieve nevenactiviteit geen zelfstandig karakter mag hebben noch dat het een agrarisch karakter moet hebben.
Gelet op wat hiervoor is overwogen, heeft het college op goede gronden gesteld dat de aanvraag ziet op een nevenactiviteit/nevenfunctie bij een agrarisch bedrijf en dat wordt voldaan aan artikel 82.1, onder h, van het bestemmingsplan.
Ter zitting hebben eisers 2 gesteld dat zij vrezen voor overlast in de avonduren, omdat de omgevingsvergunning ook horeca omvat en er aldus feesten kunnen worden gehouden.
Het college komt bij de beslissing om al dan niet toepassing te geven aan de hem toegekende bevoegdheid om in afwijking van het bestemmingsplan een omgevingsvergunning te verlenen, beleidsruimte toe en het moet de betrokken belangen afwegen. De bestuursrechter beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit in overeenstemming is met het recht.
De rechtbank stelt vast dat eisers 2 na de uitspraak van de Afdeling van 26 juni 2024 inzake de bestemmingsplannen in de gelegenheid zijn gesteld om de bezwaren nader aan te vullen, van welke gelegenheid eisers 2 ook gebruik hebben gemaakt door de indiening van een aanvullend bezwaarschrift bij brief van 7 oktober 2024. Vervolgens zijn eisers 2 op
11 november 2024 in de gelegenheid gesteld om hun bezwaren in een hoorzitting nader toe te lichten. Weliswaar stellen eisers 2 op zich terecht dat het op de weg van het college had gelegen om een nadere toelichting te vragen op de bezwaren in de hoorzitting als die voor het college niet geheel duidelijk waren, maar anderzijds is wel inhoudelijk ingegaan op deze bezwaren en hebben eisers 2 niet aangegeven waarom de reactie hierop onjuist of onvolledig is. De rechtbank ziet in deze beroepsgrond geen aanleiding om het bestreden besluit te vernietigen.
Conclusie en gevolgen
eiser 1 een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen.
Beslissing
mr.J.F.M. Emons, griffier.