Uitspraak
RECHTBANK OOST-BRABANT
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 20 juli 2026 in de zaak tussen
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Oirschot
Als derde-partij nemen aan de zaak deel: de erven [naam] ,
Samenvatting
Inleiding en procesverloop
Op een deel van de Kromvensedijk rust op grond van het bestemmingsplan de bestemming “Verkeer” met de aanduiding “specifieke vorm van verkeer – onverharde weg”. De verharding van het zandpad is daarmee niet in overeenstemming. Voor dat deel van het zandpad is een omgevingsvergunning voor het afwijken van het bestemmingsplan nodig.
Beoordeling door de rechtbank
Is sprake van een niet-ingrijpende herinrichting?6. Eiseres voert aan dat het college niet met toepassing van artikel 4, aanhef en onderdeel 8, van bijlage II bij het Bor had mogen afwijken van het bestemmingsplan. Volgens eiseres is geen sprake van een niet-ingrijpende herinrichting van het openbaar gebied. Er was een volledig onverharde zandweg/bosweg die via de bestemming “Verkeersdoeleinden” expliciet is beschermd met de functieaanduiding “Onverharde weg”, met als waarde “Natte Natuurparel”, en met de overige aanduidingen “500 meter overgangsgebied Natura 2000” en “Ecologische Hoofdstructuur”. De verharding staat diametraal op de bestemming en de functie-aanduidingen. De aard van de beschermde zandweg, en ook de hydrologische en ecologische functie worden teniet gedaan. Daarbij is volgens eiseres ook van belang dat het gaat om een aanpassing voor onbepaalde tijd.
In de ruimtelijke onderbouwing staat dat het waterschap heeft vastgesteld dat met de stabilisatie van een deel van de Kromvensedijk een grotere verharding ontstaat, waardoor regenwater niet of nauwelijks in het wegdek zal kunnen infiltreren. Langs de weg liggen geen belangrijke waterwegen. Van het wegdek afstromend hemelwater zal in de bermbodem of eventueel aanwezige greppels infiltreren in de bodem. Eiseres heeft geen concrete aanknopingspunten aangevoerd waaruit blijkt dat onvoldoende onderzoek is verricht naar de effecten van de verharding op hydrologische waarden.
3°, van de Wabo van het bestemmingsplan wordt afgeweken. [5] Daar is hier echter geen sprake van. Het gaat immers om een zogenoemde kruimelafwijking, waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onderdeel a, onder
2°, van de Wabo van het bestemmingsplan wordt afgeweken. De instructieregels in hoofdstuk 3 van de IOV zijn in deze zaak dan ook niet van toepassing. Alleen daarom al geldt de door eiseres bedoelde eis van compensatie niet.
Conclusie en gevolgen
Beslissing
om de uitspraak mede te ondertekenen.