ECLI:NL:RBOBR:2026:5069

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
20 juli 2026
Publicatiedatum
17 juli 2026
Zaaknummer
SHE 25/2047
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2.1 WaboArt. 2.12 WaboArt. 4 BorArt. 4.3 Invoeringswet OmgevingswetArt. 3.1 IOV
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep ongegrond tegen omgevingsvergunning voor verharden Kromvensedijk in Oost-, West- en Middelbeers

De gemeente Oirschot heeft een omgevingsvergunning verleend voor het verharden van een deel van de Kromvensedijk, een voorheen onverharde weg, met de TerraStab-methode. Eiseres betwistte deze vergunning en voerde meerdere beroepsgronden aan, waaronder dat de verharding in strijd zou zijn met het bestemmingsplan en dat de nadelige gevolgen voor natuur, landschap en hydrologie onvoldoende waren onderzocht.

De rechtbank oordeelde dat het verharden van het pad een niet-ingrijpende herinrichting van het openbaar gebied betreft en dat het college bevoegd was om af te wijken van het bestemmingsplan. De ruimtelijke onderbouwing en natuurtoets waren voldoende om de gevolgen voor landschappelijke, cultuurhistorische, natuurlijke en hydrologische waarden te beoordelen. Ook de verkeersintensiteit zou niet toenemen.

De rechtbank stelde dat het college terecht de belangen had afgewogen, waarbij de noodzaak van de verharding voor de bereikbaarheid en veiligheid van de woningen werd meegewogen. De verharding was planologisch van beperkte betekenis en niet in strijd met een goede ruimtelijke ordening. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en de omgevingsvergunning bleef in stand.

Uitkomst: Het beroep tegen de omgevingsvergunning voor het verharden van de Kromvensedijk is ongegrond verklaard en de vergunning blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Bestuursrecht
zaaknummer: SHE 25/2047

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 20 juli 2026 in de zaak tussen

[eiseres], uit [vestigingsplaats] , eiseres,
(gemachtigde: mr. R. Hörchner),
en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Oirschot

(gemachtigden: mr. L.J. Gerritsen, mr. C.D. Willemse en mr. W.S.K. Vingerhoeds).

Als derde-partij nemen aan de zaak deel: de erven [naam] ,

(gemachtigde: mr. T.F.M. Wijgergans [1] ).

Samenvatting

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank of een omgevingsvergunning had mogen worden verleend voor het verharden van een deel van de Kromvensedijk in Oost-, West- en Middelbeers. Eiseres is het niet eens met de verlening van de omgevingsvergunning. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank het bestreden besluit.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Eiseres krijgt dus geen gelijk. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Inleiding en procesverloop

2. De gemeente Oirschot is wegbeheerder van de Kromvensedijk, een voorheen onverharde weg waaraan de woningen [adres] en [adres] liggen. De gemeente moet er als wegbeheerder zorg voor dragen dat de weg in goede staat verkeert. In 2019 zijn er onderhoud- en herstelwerkzaamheden aan de weg verricht. Dat heeft er volgens de gemeente echter niet toe geleid dat de Kromvensedijk structureel begaanbaar werd. Daarom heeft de gemeente ervoor gekozen om een deel van de weg te stabiliseren met TerraStab, zodat de woningen aan deze weg zowel in natte als in droge tijden te voet, met de fiets en met lichte en zwaardere voertuigen te bereiken zijn.
2.1.
Eiseres heeft het college op 9 maart 2021 verzocht om handhavend op te treden tegen de voorgenomen stabilisatiewerkzaamheden. Het college heeft dat verzoek afgewezen. De stabilisatiewerkzaamheden zijn in september 2022 uitgevoerd. Het eerste deel van de Kromvensedijk gezien vanaf de Westelbeersedijk is niet aangepast. Dit deel van de weg bestaat uit zand vermengd met gebroken puin. Het resterende deel van de Kromvensedijk richting de percelen aan de [adres] en [adres] is gestabiliseerd met behulp van de TerraStab methode.
2.2.
Bij uitspraak van deze rechtbank van 21 september 2023 [2] is het beroep van eiseres tegen de weigering om handhavend op te treden gegrond verklaard. De rechtbank heeft het stabiliseren van de Kromvensedijk met TerraStab aangemerkt als het verharden van een weg. Het stabiliseren van de weg met TerraStab kon naar het oordeel van de rechtbank niet als normaal onderhoud worden beschouwd.
2.3.
Uit de eerdergenoemde uitspraak van de rechtbank volgt dat op grond van de regels van het bestemmingsplan “Buitengebied, geconsolideerde versie 2020” (het bestemmingsplan) een omgevingsvergunning voor de activiteit aanleggen van werken en uitvoeren van werkzaamheden nodig is.
Op een deel van de Kromvensedijk rust op grond van het bestemmingsplan de bestemming “Verkeer” met de aanduiding “specifieke vorm van verkeer – onverharde weg”. De verharding van het zandpad is daarmee niet in overeenstemming. Voor dat deel van het zandpad is een omgevingsvergunning voor het afwijken van het bestemmingsplan nodig.
2.4.
De gemeente Oirschot heeft op 20 november 2023 een omgevingsvergunning aangevraagd voor de gedeeltelijke wegstabilisatie van de Kromvensedijk. Aan de aanvraag is een ruimtelijke onderbouwing toegevoegd van 17 december 2024, die is opgesteld door Royal Haskoning DHV (RHDHV).
2.5.
Op 14 januari 2025 heeft het college de gevraagde omgevingsvergunning verleend. Het gaat om een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werkzaamheden en voor het afwijken van het bestemmingsplan. [3]
2.5.
Met het bestreden besluit op bezwaar heeft het college de verleende omgevingsvergunning gehandhaafd. Volgens het college is sprake van een wijziging van niet-ingrijpende aard. De afwijking is volgens het college in planologisch opzicht van beperkte betekenis en niet in strijd met een goede ruimtelijke ordening.
2.6.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.7.
Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.8.
De rechtbank heeft het beroep op 29 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben de gemachtigden van partijen deelgenomen.

Beoordeling door de rechtbank

3. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. De aanvraag om een omgevingsvergunning is in deze zaak is ingediend op 20 november 2023. Op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet blijft het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op de aanvraag onherroepelijk wordt. Dat betekent dat in dit geval de Wet algemene bepalingen van omgevingsrecht (Wabo) en de onderliggende regelgeving van vóór 1 januari 2024 op deze omgevingsvergunning van toepassing blijft.
3.1.
Op de locatie was vóór 1 januari 2024 het bestemmingsplan “Buitengebied, geconsolideerde versie 2020” van kracht. Dit plan maakt nu onderdeel uit van het tijdelijk omgevingsplan van de gemeente.
4. De rechtbank stelt vast dat eiseres geen beroepsgronden heeft aangevoerd die betrekking hebben op de omgevingsvergunning voor de aanlegactiviteit. De beroepsgronden zijn alleen gericht tegen de omgevingsvergunning voor de afwijking van het bestemmingsplan.
5. De afwijking van het bestemmingsplan betreft het gedeelte van de Kromvensedijk dat van de Westelbeersedijk naar beneden (langs [adres] ) loopt. Dat gedeelte heeft onder meer de bestemming “Verkeer” met de functieaanduiding “Specifieke vorm van verkeer – onverharde weg”. Op grond van artikel 17.1, aanhef en onder e, van de planregels zijn gronden met deze bestemming en functieaanduiding bestemd voor onverharde wegen. De verharding van dit gedeelte van de Kromvensedijk is in strijd met deze bestemming.
Is sprake van een niet-ingrijpende herinrichting?6. Eiseres voert aan dat het college niet met toepassing van artikel 4, aanhef en onderdeel 8, van bijlage II bij het Bor had mogen afwijken van het bestemmingsplan. Volgens eiseres is geen sprake van een niet-ingrijpende herinrichting van het openbaar gebied. Er was een volledig onverharde zandweg/bosweg die via de bestemming “Verkeersdoeleinden” expliciet is beschermd met de functieaanduiding “Onverharde weg”, met als waarde “Natte Natuurparel”, en met de overige aanduidingen “500 meter overgangsgebied Natura 2000” en “Ecologische Hoofdstructuur”. De verharding staat diametraal op de bestemming en de functie-aanduidingen. De aard van de beschermde zandweg, en ook de hydrologische en ecologische functie worden teniet gedaan. Daarbij is volgens eiseres ook van belang dat het gaat om een aanpassing voor onbepaalde tijd.
6.1.
Artikel 4, aanhef en onderdeel 8, van bijlage II bij het Bor geeft de mogelijkheid om afwijkingen van het bestemmingsplan toe te staan wanneer sprake is van een niet-ingrijpende herinrichting van openbaar gebied. In de nota van toelichting [4] op deze bepaling is het volgende vermeld:
"(…) Het kan bijvoorbeeld gaan om het toevoegen van een aantal parkeerplaatsen in een groenstrook, het verleggen van trottoirs of het aanbrengen van groenvoorzieningen. (…) Bij het beantwoorden van de vraag of er al dan niet sprake is van een ingrijpende herinrichting van openbaar gebied, zullen onder andere moeten worden betrokken de te verwachten gevolgen van de herinrichting voor omwonenden en gebruikers van het desbetreffende gebied".
6.2.
Bij de beantwoording van de vraag of sprake is van een ingrijpende herinrichting van het openbaar gebied, heeft het college terecht in aanmerking genomen dat het om een bestaand pad gaat. Uit de ruimtelijke onderbouwing blijkt dat de ligging en omvang van het pad niet zijn veranderd door de werkzaamheden. Bij de verdichting van de toplaag is het huidige wegprofiel aangehouden. De werkzaamheden zijn beperkt gebleven tot het al aanwezige pad. Er is gebruik gemaakt van het aanwezige zand op het pad, waaraan verdichtingsmateriaal is toegevoegd. De berm aan weerszijden van het pad is onaangetast gebleven. Ten behoeve van de werkzaamheden zijn geen bomen gekapt. Het college heeft zich op het standpunt mogen stellen dat de te verwachten ruimtelijke gevolgen van het verharden van het betrokken gedeelte van het zandpad niet zodanig zijn dat daardoor geen sprake meer is van een niet-ingrijpende herinrichting van het openbaar gebied. Het betreft een doodlopende weg die alleen door bestemmingsverkeer naar de woningen aan de [adres] en [adres] wordt gebruikt. Ook na de herinrichting wordt de weg alleen door bestemmingsverkeer gebruikt. Het college heeft dan ook aannemelijk mogen achten dat de verharding van dit gedeelte van de Kromvensedijk niet tot een significante toename van verkeer zal leiden. Landschappelijk gezien verandert er ook niets door de verharding. Gelet op het voorgaande mocht het college de verharding van het betrokken gedeelte van de Kromvensedijk naar het oordeel van de rechtbank als een niet-ingrijpende herinrichting van het openbaar gebied aanmerken. Dat de verharding voor onbepaalde tijd blijft liggen, maakt dit niet anders.
6.3.
Wat eiseres verder heeft aangevoerd, gaat over de vraag of de uitoefening van de afwijkingsbevoegdheid rechtmatig is. Aspecten die daarop betrekking hebben, kunnen niet tot de conclusie leiden dat geen sprake is van een herinrichting van niet-ingrijpende aard.
6.4.
De beroepsgrond slaagt niet.
Is de uitoefening van de afwijkingsbevoegdheid rechtmatig?7. Uit het voorgaande vloeit voort dat het college bevoegd was om met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 2˚, van de Wabo in samenhang met artikel 4, aanhef en onderdeel 8, van bijlage II bij het Bor een omgevingsvergunning te verlenen voor het verharden van het betreffende gedeelte van de Kromvensedijk. Gelet op de aanhef van artikel 2.12, eerste lid, van de Wabo mag de activiteit niet in strijd zijn met een goede ruimtelijke ordening. Het college komt bij de beslissing om al dan niet toepassing te geven aan de bevoegdheid om in afwijking van het bestemmingsplan een omgevingsvergunning te verlenen, beleidsruimte toe en het moet de betrokken belangen afwegen. De bestuursrechter oordeelt niet zelf of verlening van de omgevingsvergunning in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. De bestuursrechter beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit in overeenstemming is met het recht. Daarbij kan aan de orde komen of de nadelige gevolgen van het besluit onevenredig zijn in verhouding tot de met de verlening van de omgevingsvergunning te dienen doelen.
Landschappelijke, culturele, natuurlijke en hydrologische waarden8. Eiseres voert aan dat het college heeft nagelaten de landschappelijke en culturele waarden van zandwegen en zandpaden in Oirschot (en de regio) en die waarden van de Kromvensedijk in kaart te brengen. Het college heeft ook de natuurlijke waarden onvoldoende in kaart gebracht. Het heeft zich namelijk beperkt tot de beschermde soorten. Het college had alle vormen van natuur bij de afweging moeten betrekken. Het college had wezenlijk onderzoek moeten doen naar de effecten van verharding in een gebied dat is bestemd als Natte Natuurparel Natura-2000. Het enkele feit dat het waterschap als waterbeheerder geen bezwaar heeft gemaakt, is niet voldoende. Verder laat het Natuurnetwerk Brabant volgens eiseres in beginsel niet toe dat verhardingen worden aangebracht, althans niet zonder genoegzame compensatie. Eiseres heeft daartoe tijdens de zitting gewezen op instructieregels uit de Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant (IOV).
8.1.
De rechtbank stelt vast dat de landschappelijke en cultuurhistorische waarde van het betrokken gedeelte van de Kromvensedijk in de ruimtelijke onderbouwing in kaart is gebracht. Eiseres heeft niet deugdelijk onderbouwd waarom het onderzoek had moeten worden uitgebreid naar zandwegen en zandpaden in Oirschot en regio. In de ruimtelijke onderbouwing is ingegaan op de historie van het voorheen onverharde pad. Het pad heeft een cultuurhistorische ontstaansgeschiedenis. Rond 1963 zijn de woningen langs de Kromvensedijk gebouwd en heeft het pad een functieverandering ondergaan. In de ruimtelijke onderbouwing staat dat er vanuit landschappelijk oogpunt vrijwel niets is veranderd. De weg wordt niet breder gemaakt, komt niet hoger te liggen en blijft herkenbaar in het landschap. De karakteristieke kwaliteiten van het landschap worden niet aangetast. In de ruimtelijke onderbouwing staat ook dat de weg vanuit cultuurhistorisch perspectief gezien bewaard blijft. In het plangebied bevinden zich geen cultuurhistorische waarden die mogelijk negatief kunnen worden beïnvloed. Eiseres heeft geen concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de volledigheid van het onderzoek naar voren gebracht.
8.2.
RHDHV heeft op 1 november 2021 een natuurtoets uitgevoerd en daarvan een rapport opgemaakt. Uit dat rapport volgt onder meer dat de verharding niet tot negatieve effecten leidt voor onder de Wet natuurbescherming beschermde soorten of waarden. Dat geldt zowel voor de gebruiksfase als voor de aanlegfase, mits bij de aanlegfase een door het door het bevoegd gezag goedgekeurd ecologisch werkprotocol wordt gevolgd om effecten op beschermde soorten te voorkomen. Het onderzoek was niet gericht op andere soorten. Eiseres heeft geen concrete aanknopingspunten aangevoerd die de conclusie kunnen rechtvaardigen dat deze niet-ingrijpende herinrichting dusdanige gevolgen kan hebben voor niet beschermde soorten of niet beschermde natuurwaarden dat het college daar nader onderzoek naar had moeten laten verrichten.
8.3.
Uit de natuurtoets blijkt dat de verharding niet voorziet in ingrepen in het hydrologische systeem, waardoor er geen sprake is van veranderingen van oppervlakte- dan wel grondwaterregimes. Effecten ten gevolge van verzoeting, verzilting, verdroging, vernatting, verandering van de stroomsnelheid, verandering van de overstromingsfrequentie en verandering in dynamiek en substraat zijn op voorhand uitgesloten.
In de ruimtelijke onderbouwing staat dat het waterschap heeft vastgesteld dat met de stabilisatie van een deel van de Kromvensedijk een grotere verharding ontstaat, waardoor regenwater niet of nauwelijks in het wegdek zal kunnen infiltreren. Langs de weg liggen geen belangrijke waterwegen. Van het wegdek afstromend hemelwater zal in de bermbodem of eventueel aanwezige greppels infiltreren in de bodem. Eiseres heeft geen concrete aanknopingspunten aangevoerd waaruit blijkt dat onvoldoende onderzoek is verricht naar de effecten van de verharding op hydrologische waarden.
8.4.
Gelet op het voorgaande heeft het college in wat eiseres heeft aangevoerd geen aanleiding hoeven zien om nader onderzoek te laten verrichten. Het college mocht op de natuurtoets en de ruimtelijke onderbouwing afgaan en die ten grondslag leggen aan zijn besluitvorming.
8.5.
Eiseres wijst ten onrechte op paragraaf 3.2.3 van de IOV. Deze paragraaf bevat instructieregels voor gemeenten over het Natuurnetwerk Brabant. Deze instructieregels zijn in deze zaak echter niet van toepassing. De instructieregels gelden voor bestemmingsplannen. Voor de toepassing van hoofdstuk 3 van de IOV wordt onder bestemmingsplan ook een omgevingsvergunning begrepen waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onderdeel a, onder
, van de Wabo van het bestemmingsplan wordt afgeweken. [5] Daar is hier echter geen sprake van. Het gaat immers om een zogenoemde kruimelafwijking, waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onderdeel a, onder
, van de Wabo van het bestemmingsplan wordt afgeweken. De instructieregels in hoofdstuk 3 van de IOV zijn in deze zaak dan ook niet van toepassing. Alleen daarom al geldt de door eiseres bedoelde eis van compensatie niet.
8.6.
Het voorgaande neemt niet weg dat wel aandacht moet worden besteed aan de gevolgen van de verharding voor het Natuurnetwerk Brabant. Dat is ook gedaan. In de natuurtoets zijn de wezenlijke waarden en kenmerken van Natuurnetwerk Nederland binnen en nabij het projectgebied beschreven. Ook zijn de gevolgen van de verharding voor die waarden en kenmerken beschreven. Geconcludeerd is dat negatieve effecten op de wezenlijke kenmerken en waarden zijn uitgesloten. Die conclusie is door het college overgenomen. Gelet op het voorgaande heeft het college goed gemotiveerd dat en waarom de verharding geen nadelige effecten heeft voor het Natuurnetwerk Brabant.
8.7.
De beroepsgronden over de landschappelijke, culturele, natuurlijke en hydrologische waarden slagen niet.
Niet gecertificeerde producten9. Eiseres voert aan dat het college onderzoek had moeten doen naar de producten die bij de verharding zijn gebruikt. Zij wijst erop dat Bodemkundig Bureau Edelman heeft beschreven dat de stoffen negatieve effecten op de bodem kunnen hebben. Zij wijst er ook op dat de derde partij vanaf 2013 tot 2023 te maken heeft gehad met bestuursrechtelijke handhaving omdat de producten niet gecertificeerd zijn of in strijd zijn met beoordelingsrichtlijn 9233.
9.1.
Het college heeft er in dit kader mogen wijzen dat de omgevingsdienst Brabant-Noord geen aanleiding heeft gezien om tot handhaving over te gaan. Er is niet gebleken van overtreding van de bodemregelgeving. Evenmin is gebleken dat de kwaliteitsverklaring van het bindmiddel ongeldig is. Het college heeft het voorgaande bij zijn beoordeling mogen betrekken en hoefde geen nader onderzoek te doen naar de producten die bij de verharding zijn gebruikt. Het college hoefde geen aanleiding te zien om al op voorhand aan te nemen dat de verharding niet uitvoerbaar was. Het college hoefde ook geen aanleiding te zien voor de conclusie dat sprake is van strijd met een goede ruimtelijke ordening.
9.2.
De beroepsgrond slaagt niet.
Verkeersaantrekkende werking10. Eiseres voert aan dat het college onvoldoende heeft onderbouwd en bewezen dat het gebruik van cement /beton geen verkeersaantrekkende werking heeft ten opzichte van een gewoon bospad. Zij wijst daartoe op het StAB-rapport waarin staat dat moet worden aangenomen dat het gebruik van cement beton een verkeersaantrekkende werking heeft ten opzichte van een gewoon bospad.
10.1.
De rechtbank stelt voorop dat de door eiseres bedoelde passage uit het StAB-rapport niet is toegespitst op het zandpad dat hier aan de orde is. Dat is van belang, omdat het hier niet gaat om een weg die bestemd is voor doorgaand verkeer. Het betrokken gedeelte van de Kromvensedijk is een doodlopende weg waaraan slechts twee woningen liggen. Het college heeft zich conform de ruimtelijke onderbouwing op het standpunt mogen stellen dat hier alleen bestemmingsverkeer komt en dat de verkeersintensiteiten in de oude en de nieuwe situatie gelijk zullen zijn.
10.2.
De beroepsgrond slaagt niet.
Redenen voor de verharding11. Eiseres voert aan dat de afwijking niet wordt gerechtvaardigd door zwaarwegende belangen. De bosweg en het bospad zijn altijd prima begaanbaar zijn geweest. Ter onderbouwing hiervan wijst zij op de verklaring van een beheerder van Brabants Landschap. Daarbij komt dat er slechts één burgerwoning en één vakantiewoning aan de Kromvensedijk liggen. Volgens eiseres is hiermee sprake van zo’n klein belang bij de verharding dat dit niet zwaar genoeg weegt in het bredere perspectief.
11.1.
De rechtbank stelt voorop dat het college moet beoordelen of de aangevraagde activiteit in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. Of de aangevraagde activiteit noodzakelijk is, is daarbij niet bepalend. Het gaat primair om de ruimtelijke gevolgen van de activiteit. Wanneer op dat punt wezenlijk nadelige effecten zijn, moet het college een belangenafweging maken. Bij de belangenafweging kan de noodzaak of het belang van de aangevraagde activiteit een rol spelen. [6]
11.2.
In dit geval heeft het college de noodzaak voor de verharding van het zandpad in zijn belangenafweging betrokken. Daarbij heeft het college ervan mogen uitgaan dat de gemeente als wegbeheerder onderhoudsplichtig is en ervoor dient te zorgen dat de Kromvensedijk in een goede staat verkeert. De voorzieningenrechter van deze rechtbank (civiel recht) heeft in een vonnis bepaald dat het feit dat het perceel aan de [adres] is voor wonen, meebrengt dat de woning bereikbaar moet zijn te voet, per fiets, motorvoertuigen, af en toe zwaarder verkeer van onder andere de afvalophaaldienst, voor de dienstdoende postbode en voor hulpdiensten. [7] De rechtbank gaat er ook in deze bestuursrechtelijke zaak van uit dat de gemeente als wegbeheerder aan die eis moet voldoen. De gemeente heeft als wegbeheerder zelf onderzoek verricht naar de staat van de Kromvensedijk en geconcludeerd dat de Kromvensedijk niet aan de hiervoor genoemde eis voldeed. Op grond van het onderzoek door de wegbeheerder mocht het college er naar het oordeel van de rechtbank van uitgaan dat de verharding van het betrokken gedeelte van de Kromvensedijk nodig was om aan de hiervoor genoemde eis te voldoen. De door eiseres bedoelde schriftelijke verklaring van een beheerder van Brabants Landschap van 26 mei 2021 leidt niet tot een ander oordeel. In de verklaring staat dat de beheerder uit eigen wetenschap bekend is dat de Kromvensedijk in de afgelopen 27 jaren een goed begaanbare zandweg is geweest, zowel voor voetgangers als auto’s en dat fietsen ter plekke ook redelijk goed mogelijk is. Hij verklaart dit te weten omdat hij zeer vaak ter plaatse is geweest. Uit de verklaring blijkt niet dat de beheerder onderzoek heeft verricht naar de staat van de Kromvensedijk. Uit de verklaring blijkt ook niet op welke waarnemingen de conclusie van “goed begaanbare zandweg” is gebaseerd. Uit de verklaring blijkt evenmin of is waargenomen dat de woning van de derde partij bereikbaar was voor zwaarder verkeer van onder andere de afvalophaaldienst. Alleen al vanwege het voorgaande doet deze verklaring niet af aan de conclusie van de wegbeheerder dat de verharding van het betrokken gedeelte van de Kromvensedijk nodig was om aan de eis van voldoende bereikbaarheid voor onder meer motorvoertuigen, af en toe zwaarder verkeer van onder andere de afvalophaaldienst, voor de dienstdoende postbode en hulpdiensten te voldoen.
11.3.
Gelet op het voorgaande heeft het college in zijn belangenafweging mogen betrekken dat de verharding nodig was voor de bereikbaarheid en veiligheid. Hierbij is het college zich ervan bewust geweest dat het gaat om de bereikbaarheid en veiligheid van de bewoners van één burgerwoning en één recreatiewoning. De rechtbank ziet geen aanwijzingen voor de conclusie dat het college de belangen die met de verharding zijn gediend heeft overschat.
11.4.
De beroepsgrond slaagt niet.
Afweging12. Het college heeft de afwijking naar het oordeel van de rechtbank in planologisch opzicht van beperkte betekenis en niet in strijd met een goede ruimtelijke ordening mogen achten. Hierbij heeft het college mogen meewegen dat de verharding niet heeft geleid tot een onevenredige aantasting van de landschappelijke, ecologische, cultuurhistorische, aardkundige en natuurwaarden en dat ook geen onevenredige afbreuk is gedaan aan de waterhuishoudkundige situatie. Ook heeft het college mogen meewegen dat de verharding bijdraagt aan een goede bereikbaarheid van de betrokken woningen en een goede omgevingskwaliteit ter vervulling van maatschappelijke behoeften. Wat eiseres heeft aangevoerd, leidt niet tot de conclusie dat de nadelige gevolgen van de afwijking van het bestemmingsplan onevenredig zijn in verhouding tot de met de verlening van de omgevingsvergunning te dienen doelen. Dat betekent dat de verlening van de omgevingsvergunning voor de afwijking van het bestemmingsplan rechtmatig is.

Conclusie en gevolgen

13. Het beroep is ongegrond. De verleende omgevingsvergunning blijft dus in stand. Eiseres krijgt geen vergoeding van haar proceskosten en het griffierecht.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D.J. Hutten, rechter, in aanwezigheid van mr. H.J. van der Meiden, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 20 juli 2026.
De griffier is niet in de gelegenheid
om de uitspraak mede te ondertekenen.
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Mr. Wijgergans vertegenwoordigt de erven als executeur van de nalatenschap van [naam] . De erven zijn de materiële procespartij. In overleg met mr. Wijgergans laat de rechtbank in het midden of de executeur of de erven als formele procespartij moeten worden aangemerkt.
2.SHE 21/407.
3.Artikel 2.1, eerste lid, onder b, van de Wet algemene bepalingen van omgevingsrecht (Wabo), artikel 2.12, eerste lid, onder 2 in samenhang met artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wabo en artikel 4, aanhef en lid 8 van bijlage II van het Besluit omgevingsrecht.
4.Nota van toelichting bij het gewijzigde artikel 4 van Pro bijlage II van het Bor, Stb. 2014, 333, blz. 54.
5.Dit staat in artikel 3.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de IOV.
6.Zie bijv. ook de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 9 november 2022, ECLI:NL:RBROT:2022:9830.
7.Zie het vonnis van de voorzieningenrechter van de rechtbank Oost-Brabant van 20 december 2019, ECLI:NL:RBOBR:2019:7750.