Uitspraak
RECHTBANK Oost-Brabant
1.De procedure
- de conclusie van antwoord tevens eis in reconventie met producties 1 t/m 12;
2.De feiten
Nemen het volgende in aanmerking:
3.Het geschil
Ook over de ontbinding van de maatschap nadat ik had verzocht de opzegtermijn naar drie maanden te verkorten zodat ik uiterlijk eind augustus zou kunnen uitstappen ivm thuis. Dat was niet nodig want de overeenkomst zou dan ontbonden worden. Ik heb vorige maand definitief aangeven niet verder te gaan in de maatschap, die dus is ontbonden.”
1. Maatschap. Nee, er zou ontbonden worden, Ik hoefde niet op te zeggen. Jullie eigen woorden. Daar heb ik op vertrouwd en mogen vertrouwen, want jullie wisten in februari al van de opzegging.”
(…) Wij hebben nooit beweerd dat je niet hebt opgezegd. Voor wat het waard is, bevestigen we jou dan ook nog maar schriftelijk het volgende. Op 15 november heb je zowel [B] als aan mij hier op kantoor de maatschap opgezegd. Die opzegging hebben wij aanvaard. Erg jammer, maar het is niet anders. Vanwege de opzeggingstermijn van zes maanden die hiervoor in acht moet worden genomen eindigt je lidmaatschap per 15 mei 2024. Tot die tijd blijf je dus medeverantwoordelijk voor de omgeslagen maatschapskosten. Eerder heb je verzocht de opzegtermijn naar drie maanden te verkorten maar hier zijn wij toen niet mee akkoord gegaan. Van ontbinding is overigens geen sprake. (…)”
doordat hij de maatschap opzegt, voor welke opzegging een termijn van minimaal zes maanden in acht genomen moet worden”.
indien de maatschap ontbonden wordt op vordering van één maat, zullen aan deze maat dezelfde rechten en verplichtingen toekomen als had hij zijn lidmaatschap van de maatschap opgezegd. De overige maten zetten in dat geval (de zaken van) de maatschap voort. (…)”
toch maar het initiatief genomen [heeft] om de mappen van de administratie na te lopen en gericht om stukken [heeft] verzocht. (…)”. Kennelijk was die administratie, zoals [eiser] heeft aangevoerd, wel toegankelijk voor hem.
namensde maatschap of de andere maat. Het verweer van [gedaagde] gaat in zoverre niet op. Dat betekent dat [gedaagde] in principe de tegenvorderingen had moeten instellen tegen de maatschap of beide maten, hetgeen hij niet heeft gedaan. De rechtbank begrijpt dat [gedaagde] (ook) stelt dat hij mag verrekenen omdat de vorderingen verband houden met elkaar en in zoverre een beroep doet op artikel 6:127 BW Pro in combinatie met artikel 6:145 BW Pro en artikel 6:130 BW Pro.
subsidiair, zo begrijpt de rechtbank want zo staat het niet in het petitum, vernietiging van de maatschapsovereenkomst per 15 november 2023. Aan deze vorderingen legt hij dwaling ten grondslag.