ECLI:NL:RBOBR:2026:5470

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
29 juli 2026
Publicatiedatum
28 juli 2026
Zaaknummer
26/1834
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:2 AwbArt. 6:22 AwbArt. 8:81 AwbArt. 8:86 AwbArt. 1:2 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing voorlopige voorziening tegen niet-ontvankelijkverklaring handhavingsverzoek AZC Nuenen

Verzoeker diende een handhavingsverzoek in bij het college van Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant met betrekking tot de bouw en milieuaspecten van een asielzoekerscentrum (AZC) in Nuenen. Het college verklaarde het verzoek niet-ontvankelijk omdat verzoeker geen belanghebbende zou zijn. Verzoeker stelde dat hij wel degelijk belanghebbende is en verzocht om een voorlopige voorziening om de bouw en ingebruikname van het AZC te schorsen.

De voorzieningenrechter oordeelde dat het handhavingsverzoek zich richt op stikstof, natuur, bodem (archeologie) en geluid, en dat alleen deze aspecten binnen de reikwijdte van het geschil vallen. Verzoeker kon onvoldoende aantonen dat hij feitelijke gevolgen van enige betekenis ondervindt, mede gelet op de afstand van zijn woning tot het AZC, de tussenliggende bebouwing en bomenpartij, en het ontbreken van concreet bewijs van effecten op natuur, geluid of water.

De rechtbank stelde vast dat het college voor een deel van de aspecten niet bevoegd is tot handhaving, maar dat dit gebrek kan worden hersteld in bezwaar. Het verzoek om een voorlopige voorziening werd afgewezen omdat er geen zwaarwegend spoedeisend belang was en geen sprake was van evidente onrechtmatigheid. De gevraagde bouwstop en schorsing van de vergunningen gingen bovendien verder dan het handhavingsverzoek.

De uitspraak is gedaan door voorzieningenrechter Maarschalkerweerd en bindt niet in een bodemprocedure. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep mogelijk.

Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening tegen de niet-ontvankelijkverklaring van het handhavingsverzoek wordt afgewezen wegens gebrek aan belanghebbendheid en onvoldoende spoedeisend belang.

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Bestuursrecht
zaaknummer: SHE 26/1834

uitspraak van de voorzieningenrechter van 29 juli 2026 in de zaak tussen

[verzoeker] , uit [woonplaats] ,

verzoeker,
en

het college van Gedeputeerde Staten van de provincie Noord-Brabant,

namens deze de Omgevingsdienst Zuidoost-Brabant, het college,
(gemachtigden: mr. F.G.A.M. Peters en E.L.A Kramer).

Samenvatting

1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over een verzoek tot handhaving in het kader van de realisatie van een asielzoekerscentrum in Nuenen. Verzoeker is door het college niet-ontvankelijk verklaard in zijn verzoek tot handhaving. Volgens het college is hij geen belanghebbende. Verzoeker is het hier niet mee eens. Hij verzoekt daarom om een voorlopige voorziening en voert daartoe een aantal gronden aan. De voorzieningenrechter beoordeelt bij de vraag of hij een voorlopige voorziening zal treffen of het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft. Dat kan een reden zijn om het bestreden besluit te schorsen. Deze vraag beantwoordt hij aan de hand van de gronden van verzoeker.
1.1.
De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek af. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

Procesverloop

2. Op 22 mei 2026 heeft verzoeker een handhavingsverzoek ingediend bij het college. In dat verzoek staat het volgende.
“Beste Gedeputeerde Staten van de Provincie Noord-Brabant,
Ik stuur u dit bericht omdat de vergunning voor het nieuwe AZC aan [adres] in Nuenen vol met technische fouten zit. Omdat u als provincie toezicht houdt op de stikstofregels en de natuur (NNB), vraag ik u om de volgende punten dringend te onderzoeken:
1. De rekentruc met de bouwtijd In de stikstofberekening van Arcadis staat dat de bouw maar 25 dagen duurt. In werkelijkheid zijn ze al circa 175 dagen bezig. Een ambtenaar van de gemeente heeft intern zelfs al toegegeven dat die 25 dagen waarschijnlijk niet kloppen en dat ze hierop niet kunnen handhaven. Door dit enorme verschil klopt de bewering dat er "0,00 mol" stikstof op de Strabrechtse Heide terechtkomt simpelweg niet meer.
2. Gebruik van afgekeurde rapporten Ik heb via WOO verzoeken en via een procedure voorlopige voorzieningen inzicht gekregen dat de gemeente rapporten (ArcGIS) heeft gebruikt voor de vergunning die intern door hun eigen specialisten als 'niet akkoord' waren bestempeld. Ik vraag de provincie om de echte technische rekenbestanden (GML/JSON) bij de gemeente op te vragen om dit zelf te controleren.
3. Risico op dieselaggregaten De gemeente gaat ervan uit dat alles op de bouwplaats elektrisch gaat. Maar netbeheerder Enexis geeft geen duidelijkheid of er wel genoeg stroom is op die plek. Als er straks dieselaggregaten nodig zijn omdat het stroomnet vol zit, stoot dat veel meer stikstof uit dan nu is berekend.
4. Met twee maten meten bij de natuur Het is heel vreemd: het hospice [naam] , dat direct naast het AZC ligt, mocht niet zomaar uitbreiden omdat dit niet paste binnen de regels van het Natuurnetwerk Brabant (NNB). Maar voor het AZC-terrein zegt de gemeente ineens dat er geen enkel probleem is voor de natuur. Dit lijkt op ongelijke behandeling en een onzorgvuldige check van de natuurregels.
5. Onnauwkeurig onderzoek naar bodem en geluid Arcadis heeft zelf gezegd dat hun eerdere bodemonderzoek niet deugde en dat het niet gebruikt mocht worden voor de vergunning. Ook het geluidsonderzoek is maar een snelle check (quickscan) geweest, zonder dat er goede verkeerscijfers van de gemeente werden gebruikt.
Mijn verzoek aan u: Ik vraag u om de bouw in Nuenen te laten stoppen totdat er een eerlijke berekening ligt die uitgaat van de echte bouwtijd. Ook moet er een onafhankelijke controle komen op alle technische gegevens die de gemeente nu gebruikt.
(…)”
2.1.
Met de brief van 17 juni 2026 heeft het college verzoeker laten weten het handhavingsverzoek niet inhoudelijk in behandeling te nemen. In de brief staat onder meer en voor zover hier van belang het volgende:
“(…) Aangezien de Provincie Noord-Brabant toezicht houdt op de stikstofregels en de natuur (NNB), vraagt u een en ander te onderzoeken. Door middel van deze brief laten wij u weten dat wij uw verzoek niet- ontvankelijk verklaren, uw verzoek daarmee niet in behandeling nemen en dus niet inhoudelijk behandelen. Wij beoordelen namelijk dat u geen belanghebbende bent. Dit zullen wij hierna toelichten.
(…)
De afstand van uw woning tot het perceel bedraagt hemelsbreed meer dan 250 meter. Daarnaast ontbreekt geheel het zicht op het perceel waar de activiteiten zijn beoogd. Er bevinden zich onder andere woningen en een bomenpartij. Daarnaast is er geen ruimtelijke uitstraling van het project voor u, want u ondervindt namelijk geen feitelijke waarneembare gevolgen van het project bij uw woning. Gezien de structuur van de omgeving is er geen reden om aan te nemen dat de toename van voetgangers ten gevolge van het besluit gevolgen van enige betekenis zal hebben ter plaatse van uw woning.
Gezien de afstand, het zicht tot het betreffende perceel en het ontbreken van ruimtelijke uitstraling voor u beoordelen wij dat gevolgen van enige betekenis ontbreken. Wij merken u dan ook niet aan als belanghebbende.

Conclusie

Wij verklaren hierbij uw verzoek niet-ontvankelijk, nemen daarbij uw verzoek niet in behandeling en komen dus daarom niet toe aan een inhoudelijke behandeling.

Geen besluit

Deze brief is geen besluit in de zin van de Awb. Echter via artikel 6:2 van Pro de Awb wordt deze situatie gelijkgesteld met een besluit.
(…)”
2.2.
Vervolgens heeft verzoeker de voorzieningenrechter om het treffen van een voorlopige voorziening verzocht. Hij verzoekt:
I. Per direct de werking van de omgevingsvergunning d.d. 1 september 2025 te schorsen;
II. Een onmiddellijke bouw- en ingebruiknamestop op te leggen voor het tijdelijke asielzoekerscentrum (AZC) aan [adres] te Nuenen, welke stop dient te gelden totdat de Meervoudige Kamer in de hoofdzaak (bodemprocedure, gepland voor oktober 2026) definitief uitspraak heeft gedaan;
III. Verweerder en het COA te gelasten alle fysieke voorbereidingen en de geplande opening van 8 september 2026 te staken en gestaakt te houden, teneinde een onomkeerbaar fait accompli (voldongen feit) te voorkomen en het recht op effectieve rechtsbescherming (artikel 6 EVRM Pro) van verzoeker te borgen.
2.3.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 21 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker en de gemachtigden van het college.

De beoordeling van het verzoek door de voorzieningenrechter

De voorzieningenrechter doet niet direct ook uitspraak in (rechtstreeks) beroep
3. Volgens partijen is sprake van een ingesteld rechtstreeks beroep. Partijen hebben tijdens de zitting namelijk aangegeven dat het bezwaarschrift van verzoeker door het college is doorgezonden aan de rechtbank teneinde rechtstreeks beroep in te stellen. Een zaaknummer van de beroepszaak konden partijen tijdens de zitting niet geven. Na de zitting heeft de griffier navraag gedaan bij de administratie van de rechtbank en heeft vastgesteld dat geen beroep aanhangig was ten tijde van de zitting. Enkele dagen nadien is het beroep (vooralsnog) wel geregistreerd bij de rechtbank. Om op grond van artikel 8:86 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) direct uitspraak te doen in beroep moet de voorzieningenrechter kunnen vaststellen dat nader onderzoek niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak. Nu de voorzieningenrechter pas tijdens de zitting op de hoogte werd gesteld van het volgens partijen ingestelde rechtstreeks beroep en dat beroep nog niet geregistreerd was, is het maar de vraag of aan de vereisten van artikel 8:86, eerste lid, van de Awb is voldaan. Bovendien bleek tijdens de zitting dat het rechtstreeks beroep niet op verzoek van verzoeker is ingesteld, maar op instigatie van het college. Dat is niet conform artikel 7:1a, eerste lid, van de Awb. Gelet op voornoemde omstandigheden, waaronder de gerezen onduidelijkheid of in dit geval wel wordt voldaan aan de vereisten van ‘rechtstreeks beroep’ ziet de voorzieningenrechter geen mogelijkheid om toepassing te geven aan artikel 8:86 van Pro de Awb.
Toetsingskader voorlopige voorziening
3.1.
Volgens vaste rechtspraak is voor het treffen van een voorlopige voorziening enkel plaats indien het bezwaar of beroep een redelijke kans van slagen maakt en een zwaarwegend spoedeisend belang [1] maakt dat het voor de betrokkene onevenredig bezwaarlijk is om een beslissing op het bezwaarschrift of de uitspraak in beroep te moeten afwachten. Indien de onrechtmatigheid van het bestreden besluit evident is, is er meer reden om een voorlopige voorziening te treffen dan als dat niet zo is, waarbij de mate van spoed ook een rol speelt.
3.2.
Een voorlopige voorziening is naar zijn aard een tijdelijke maatregel ten aanzien van de werking van het bestreden besluit, om zo de betrokkene in staat te stellen de uitkomst in zijn procedure over dat besluit af te wachten zonder onevenredig hard te worden getroffen door de gevolgen van de tussentijdse werking van dat besluit.
Omvang van het geding deel 1: reikwijdte van het handhavingsverzoek
3.3.
Het verzoek om een voorlopige voorziening is gedaan in het kader van een procedure over een handhavingsverzoek. De reikwijdte van een handhavingsverzoek kan na een besluit op het handhavingsverzoek, althans in dit geval na de schriftelijke weigering een besluit te nemen als bedoeld in artikel 6:2, aanhef en onder a, van de Awb, niet meer worden uitgebreid. Op grond van vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) is de inhoud van het handhavingsverzoek bepalend voor de omvang van het geding. [2] In het handhavingsverzoek gaat verzoeker ten eerste in op stikstof en natuur, in relatie tot Natura 2000 gebied de Strabrechtse heide en het Natuurnetwerk Brabant (NNB). Ten tweede gaat hij in op het aspect bodem. Uit het handhavingsverzoek blijkt niet duidelijk welk aspect verzoeker met ‘bodem’ bedoelt, maar tijdens de zitting heeft hij desgevraagd toegelicht dat het in het handhavingsverzoek om het aspect ‘archeologie’ gaat. Ten derde gaat verzoeker in op het aspect ‘geluid’. Ook hiervan blijkt niet duidelijk uit het handhavingsverzoek wat verzoeker bedoelt. Desgevraagd heeft verzoeker tijdens de zitting toegelicht dat het om overschrijding van geluidsnormen ter plaatse van het AZC gaat. Ook stelt verzoeker in het handhavingsverzoek een vermeende ongelijke behandeling van het eveneens aan [adres] gelegen hospice aan de orde. Voor zover verzoeker in deze voorlopige voorzieningenprocedure andere aspecten aan de orde stelt dan in het handhavingsverzoek staan vermeld, valt dat buiten de reikwijdte van dit geschil.
Omvang van het geding deel 2: de niet-ontvankelijkverklaring
3.4.
Omdat verzoeker door het college niet-ontvankelijk is verklaard in zijn handhavingsverzoek, ligt in het kader van het voorlopige rechtmatigheidsoordeel ter beoordeling voor of het college, gelet op de inhoud van het handhavingsverzoek terecht tot een niet-ontvankelijkverklaring is gekomen. Aan (verdere) inhoudelijke toetsing dan die nodig is voor het (voorlopige) rechtmatigheidsoordeel over die niet-ontvankelijkverklaring komt de voorzieningenrechter niet toe. Dat komt doordat de voorzieningenrechter op grond van de Awb enkel het aan hem voorliggende besluit mag toetsen en niet buiten de omvang van het geding mag gaan.
Is er een voldoende zwaarwegend spoedeisend belang?
3.5.
Verzoeker geeft aan dat inmiddels al ingrijpende graafwerkzaamheden door de aannemer van het COA hebben plaatsgevonden. Er zijn grootschalige, diepe bodemingrepen uitgevoerd (sleuven van 80 cm diep over een oppervlakte van meer dan 500 m²) zonder dat de locatie daarvoor middels recent en deugdelijk onderzoek archeologisch is vrijgegeven. De onomkeerbare (bodem)schade is door het weigeren van handhaving door verweerder hiermee deels al een onomkeerbaar feit. Tevens is er door deze graafwerkzaamheden een waterbergingssysteem gerealiseerd dat qua omvang en specificaties direct in strijd is met de geldende regelgeving, wat een acuut en blijvend overstromingsrisico oplevert voor verzoeker. Een onmiddellijke schorsing van de verdere bouwwerkzaamheden (een bouwstop voor het plaatsen van de units en de afbouw) is de enige remedie om te voorkomen dat een illegaal gebouwd en onveilig project in gebruik wordt genomen totdat er op het bezwaar is beslist. Uit vrijgegeven WOO-documenten blijkt dat het COA intern expliciet heeft besloten om de werkzaamheden te starten voordat de vergunning onherroepelijk is. Hierbij is intern letterlijk de waarschuwing afgegeven dat zij risico lopen en dat indien bezwaarmakers in hun gelijk worden gesteld, zij moeten wachten met de werkzaamheden.
3.6.
Met het college is de rechtbank van oordeel dat verzoeker niet inzichtelijk heeft gemaakt dat er een (significant) effect is op de natuur. Nu het handhavingsverzoek zich met name richt op het element stikstof en het college ook alleen op dat gebied van het verzoek tot handhaven bevoegd is, kan ook alleen een belang op dat gebied worden verwezenlijkt met het handhavingsverzoek. Bij gebreke van een dergelijke onderbouwing kan niet worden vastgesteld dat er sprake is (op korte termijn) van dreigende, onomkeerbare gevolgen (dat daadwerkelijk een onherstelbare aantasting van natuurwaarden zal plaatsvinden) die het treffen van een voorlopige voorziening rechtvaardigen. Dat geldt overigens ook voor de overige vermeende spoedeisende belangen van verzoeker. Zoals eerder besproken heeft verzoeker niet deugdelijk onderbouwd dat sprake is van dreigende wateroverlast of verontreiniging van het grondwater en voorts geldt dat de bouw van het AZC zo goed als klaar is en verzoeker niet concreet heeft aangegeven welke dreigende overtredingen dan nog met de bouw gepaard zullen kunnen gaan.
3.7.
Nu niet gebleken is van een spoedeisend belang zijdens verzoeker, kan enkel een voorlopige voorziening worden getroffen indien sprake is van evidente onrechtmatigheid.
Bevoegdheid college
3.8.
Tijdens de zitting heeft het college aangegeven dat zij voor wat betreft een deel van de aspecten waarop het handhavingsverzoek ziet, niet bevoegd is tot handhaving. De voorzieningenrechter overweegt dat het college in de brief van 17 juni 2026 weliswaar nadrukkelijk benoemt dat het wat haar betreft over natuuraspecten gaat, maar het college laat na te vermelden dat het voor wat betreft andere aspecten niet bevoegd is. Dit zou kunnen worden gezien als een ondeugdelijke motivering, wat in strijd is met artikel 3:46 van Pro de Awb. Aannemelijk is echter dat verzoeker door dit gebrek in de motivering niet is benadeeld. Ook wanneer het college in de brief had vermeld dat zij gedeeltelijk onbevoegd zou zijn geweest, had het college, zo blijkt uit het verhandelde ter zitting [3] , het handhavingsverzoek niet inhoudelijk in behandeling genomen. Nu aannemelijk is dat verzoeker niet is benadeeld door dit gebrek is de voorzieningenrechter van oordeel dat dit gebrek in bezwaar of beroep gepasseerd zal kunnen worden met toepassing van artikel 6:22 van Pro de Awb. In bezwaar zou dit gebrek namelijk in een door het college te nemen besluit op bezwaar hersteld kunnen worden. Van evidente onrechtmatigheid op dit punt is dus geen sprake.
Belanghebbendheid
3.9.
Verzoeker voert aan dat hij weldegelijk belanghebbende is. Volgens verzoeker bevindt de grens van zijn woonwijk zich op circa 140 meter van het project, en zijn eigen woning bevindt zich drie huizen verder. [4] Ten onrechte gaat het college uit van 250 meter afstand. Volgens verzoeker zal hij feitelijke gevolgen van enige betekenis van het project ondervinden omdat er door werkzaamheden in de grond verontreinigd grondwater naar de bodem onder direct aangrenzende woningen kan trekken. Ook is er overstromingsgevaar doordat er onvoldoende in waterberging is voorzien. Vanwege activiteiten ter plaatse van het AZC zal verzoeker last kunnen hebben van geluid. Ook lopen en fietsen de asielzoekers volgens verzoeker door zijn straat ( [adres] ) op de route van het AZC naar de plaatselijke voorzieningen. Voor wat betreft stikstof geeft verzoeker aan dat hij weleens wandelt in het bos dat dicht bij zijn woning ligt en onderdeel uitmaakt van Natuurnetwerk Brabant. Hij verwijst ook naar de uitspraak van de voorzieningenrechter van 26 november 2025 [5] waarin de voorzieningenrechter heeft geoordeeld dat er geen vaste afstand is om te bepalen of iemand wel of geen belanghebbende is. De voorzieningenrechter stelde volgens verzoeker vast dat, aangezien de honderden asielzoekers gebruik zullen maken van de voorzieningen in de wijk en leefomgeving, de ruimtelijke en maatschappelijke gevolgen evident zijn. Verder stelt verzoeker dat hij in een andere procedure door de voorzieningenrechter als belanghebbende is aangemerkt in het kader van zijn beroep tegen de omgevingsvergunningen ten aanzien van het AZC.
3.10.
Het college blijft bij zijn standpunt dat verzoeker geen belanghebbende is bij het handhavingsverzoek. Voor wat betreft de verzoeken ten aanzien van stikstof heeft verzoeker niet concreet gemaakt wat het vermeende effect op de natuur is, laat staan dat hij feitelijke gevolgen van enige betekenis daarvan ervaart. Het college betwist dat eiser op het gebied van geluid, water en bodemverontreiniging feitelijke gevolgen van enige betekenis zal ervaren. Verder heeft het college uitgelegd dat de meest logische loop-/ fietsroute van het AZC naar de plaatselijke voorzieningen niet via de straat van verzoeker loopt.
3.11.
De voorzieningenrechter overweegt als volgt. In de eerdere voorlopige voorzieningenprocedures waar verzoeker naar verwijst is in het midden gelaten of verzoeker belanghebbende is. Anders dan verzoeker stelt, is in voormelde uitspraak van de voorzieningenrechter van 26 november 2025 niet geoordeeld dat “de ruimtelijke en
maatschappelijke gevolgen evident zijn”, maar dat “gevolgen van enige betekenis voor [verzoekers] niet op voorhand zijn uit te sluiten.” Verder geldt dat, nu het gaat om voorlopige voorzieningen, het oordeel in die procedures, niet bindend is in andere procedures. Dat geldt hier temeer omdat het gaat om een procedure over een ander besluit van een ander bestuursorgaan. Deze zaak moet dus op zijn eigen merites worden beoordeeld.
3.12.
De voorzieningenrechter overweegt verder ten aanzien van de belanghebbendheid als volgt. In artikel 1:2, eerste lid, van de Awb wordt onder belanghebbende verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken. Op grond van vaste rechtspraak geldt als uitgangspunt dat degene die rechtstreeks feitelijke gevolgen ondervindt van een activiteit die een besluit toestaat, in beginsel belanghebbende is bij dat besluit. [6] Het criterium “gevolgen van enige betekenis”, dient als correctie op dit uitgangspunt. [7] Gevolgen van enige betekenis ontbreken indien de gevolgen wel zijn vast te stellen, maar de gevolgen van de activiteit voor de woon-, leef- of bedrijfssituatie van betrokkene dermate gering zijn dat een persoonlijk belang bij het besluit ontbreekt.
3.13.
Om een rechtstreeks betrokken belang bij een milieu-omgevingsvergunning te hebben, moet aannemelijk zijn dat ter plaatse van de woning of het perceel van de betrokkene gevolgen van enige betekenis kunnen worden ondervonden door de vergunde activiteit. Dat geldt ook voor activiteiten die worden vergund in een natuurvergunning. De ABRvS voegt hier in haar rechtspraak aan toe dat de kring van belanghebbenden kan verschillen naar gelang de aard van het besluit. Zo hoeft de kring van belanghebbenden bij een handhavingsbesluit niet altijd samen te vallen met de kring van belanghebbenden bij een besluit tot vergunningverlening. [8] Voor de vraag of een partij belanghebbende is bij een handhavingsverzoek is van belang of hij feitelijke gevolgen kan ondervinden van de activiteit waarop het verzoek om handhaving betrekking heeft. [9]
3.14.
Bij besluiten over activiteiten in het omgevingsrecht is het de taak van het bestuursorgaan om de kring van belanghebbenden vast te stellen aan de hand van (onderzoek naar) de feitelijke gevolgen van het besluit. Uiteindelijk is het aan de bestuursrechter om te oordelen over de vraag wie belanghebbende bij een besluit is. De betrokken rechtzoekende hoeft dus niet zelf aan te tonen dat hij belanghebbende bij een besluit is. Slechts indien tijdens de procedure de vraag aan de orde is of ‘gevolgen van enige betekenis’ ontbreken en dus de vraag of er aanleiding is de correctie toe te passen, kan en mag van de betrokkene worden gevraagd uit te leggen welke feitelijke gevolgen hij van de activiteit ondervindt of vreest te zullen ondervinden.
3.15.
De afstand van 140 meter die verzoeker heeft gemeten lijkt niet te zijn gemeten tot het perceel waarop het asielzoekerscentrum wordt gerealiseerd (C 3036). De meting van verzoeker lijkt uit te gaan van een locatie aan de andere kant van de weg ( [adres] ) ten opzichte van het AZC, ter plaatse van de hospice. Het college zegt wel te zijn uitgegaan van het juiste perceel. Dat perceel ligt, door de voorzieningenrechter gemeten op de website van het omgevingsloket in de applicatie ‘
regels op de kaart’ [10] op circa 203,2 meter van het perceel van verzoeker. Zie de afbeelding. Mogelijk heeft het college gemeten vanaf het meest dichtbijzijnde gebouw op het perceel van het AZC, gezien vanaf het perceel van verzoeker tot aan het perceel van verzoeker. Dan komt de meting in de buurt van de 250 meter die het college noemt.
3.16.
De afstand maakt naar het oordeel van de voorzieningenrechter dat niet op voorhand vaststaat dat een bepaalde ruimtelijke uitstraling evident een feitelijk gevolg van enige betekenis heeft op het perceel van eiser, maar uitgesloten is dat ook niet. Het is dus nodig om ook naar andere aspecten van de ruimtelijke uitstraling van het AZC te kijken.
3.17.
Niet ter discussie staat dat verzoeker geen zicht heeft op het project. Er staan immers woningen en een bomenpartij tussen de woning van verzoeker en het AZC. Het gaat daarbij om een bomenpartij van enige omvang. Niet slechts één rijtje bomen.
3.18.
Gelet op de afstand en de tussenliggende bebouwing en voormelde bomenpartij, is naar het oordeel van de voorzieningenrechter nog minder evident dat er feitelijke gevolgen van enige betekenis op het perceel van verzoeker waarneembaar zijn.
3.19.
Gelet op het voorgaande en mede gelet op het hiervoor weergegeven standpunt van het college, is het daarom aan verzoeker om uit te leggen dat er door hem feitelijke gevolgen van enige betekenis worden ervaren.
3.20.
Tijdens de zitting heeft verzoeker desgevraagd aangegeven dat hij niet met feiten kan onderbouwen dat zijn stellingen over feitelijke gevolgen ten aanzien van geluid, water en bodem juist zijn. Ten aanzien van stikstof heeft hij aangegeven dat hij niet kan onderbouwen dat er een (significant) effect is op de natuur.
3.21.
Het feit dat verzoeker weleens wandelt in het nabijgelegen bos is naar het oordeel van de voorzieningenrechter onvoldoende om van feitelijke gevolgen van enige betekenis voor verzoeker te spreken.
3.22.
Ten aanzien van de loop-/fietsroute heeft het college uitgelegd dat de meest logische route naar de voorzieningen de route vanaf [adres] via de Maatschappijweg naar de Klamperlaan is. Volgens verzoeker zou juist de route via zijn straat ( [adres] ) worden gebruikt.
3.23.
De voorzieningenrechter vindt het niet aannemelijk dat de bewoners van het AZC, althans een groot deel daarvan via de [adres] zouden lopen-/fietsen. De Maatschappijweg is namelijk een doorlopende weg die het meest rechtstreeks richting het centrum en de daar gelegen voorzieningen gaat. Zie de afbeelding. Verder geldt volgens vaste jurisprudentie dat een toename van het verkeer op een weg die regelmatig door een betrokkene wordt gebruikt onvoldoende is om uit te gaan van een persoonlijk belang. [11]
3.24.
Gelet op het voorgaande is geen sprake van een voldoende zwaarwegend spoedeisend belang en is het standpunt van het college dat verzoeker geen belanghebbende is niet evident onrechtmatig. Het bezwaar of beroep van verzoeker tegen de niet-ontvankelijkverklaring wegens niet-belanghebbendheid maakt gezien het voorgaande voorts geen redelijke kans van slagen. Er is dus geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen.
3.25.
Los van al het voorgaande geldt dat voor zover verzoeker vraagt door middel van een voorlopige voorziening de vergunningen ten aanzien van de bouw en het gebruik van het AZC moeten worden geschorst, de voorzieningenrechter dit in deze procedure te verstrekkend vindt. Indien verzoeker namelijk wel ontvankelijk zou zijn in zijn handhavingsverzoek, zou het primair aan het college zijn om de belangen van verzoeker en het natuurbelang in beeld te brengen en te bezien of handhaving is aangewezen of dat daarvan wordt afgezien na weging van de belangen van verzoeker en de belangen die worden gediend met handhavend optreden (het natuurbelang). De gevraagde voorzieningen strekken voorts veel verder dan de belangen waar het verzoek tot handhaving op ziet. Het gaat verzoeker om het tegenhouden van (uiteindelijk) de ingebruikneming van het AZC, maar dat belang strekt veel verder dan het verzoek tot handhaving vanwege (met name) te beschermen natuurwaarden. In andere procedures ten aanzien van de omgevingsvergunningen is aan de orde geweest of zal aan de orde komen of de omgevingsvergunningen rechtmatig zijn verleend.
3.26.
Alles afwegende komt de voorzieningenrechter tot de conclusie dat het verzoek om een voorlopige voorziening te treffen moet worden afgewezen.

Conclusie en gevolgen

4. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. K.A. Maarschalkerweerd, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. S.H. Snoeij, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 29 juli 2026.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Het vereiste van spoedeisend belang volgt ook uit artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht.
2.ABRvS 24 juni 2026, ECLI:NL:RVS:2026:3673 r.o. 4.1. en ABRvS 26 november 2025, ECLI:NL:RVS:2025:5759 te raadplegen op www.raadvanstate.nl
3.Zitting van de voorzieningenrechter van 21 juli 2026.
4.Verklaring van verzoeker ter zitting van de voorzieningenrechter van 21 juli 2026.
5.ECLI:NL:RBOBR:2025:7779, gepubliceerd op www.rechtspraak.nl
6.ABRvS 23 augustus 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2271
7.ABRvS 16 maart 2016, ECLI:NL:RVS:2016:737
8.ABRvS 23 augustus 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2271
9.ABRvS 15 mei 2022, ECLI:NL:RVS:2024:2050
10.https://omgevingswet.overheid.nl/regels-op-de-kaart
11.ABRvS, 12 december 2018, ECLI:NL:RVS:2018:4080