ECLI:NL:RBOBR:2026:57

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
9 januari 2026
Publicatiedatum
8 januari 2026
Zaaknummer
25/1101
Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:2 AwbArt. 3:46 AwbArt. 7:3 AwbArt. 7:12 AwbArt. 1a:11 Wajong
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing Wajong-uitkering wegens laattijdige aanvraag en onvoldoende medische gegevens op achttiende verjaardag

Eiser vroeg op 17 februari 2024 een Wajong-uitkering aan, maar het UWV wees deze af omdat niet kon worden vastgesteld welke beperkingen eiser op zijn achttiende verjaardag had. Eiser maakte bezwaar en stelde dat het UWV onzorgvuldig had gehandeld en zijn ADHD niet serieus had genomen. De rechtbank oordeelde dat het onderzoek door verzekeringsartsen zorgvuldig was en dat het dossier geen tegenstrijdigheden bevatte.

Eiser had toestemming gegeven om af te zien van een hoorzitting, wat hij later betreurde, maar de rechtbank vond dat het UWV geen hoorzitting hoefde te houden. De medische stukken, waaronder een brief van psycholoog en psychiater uit 2011 en een ADHD-diagnose uit 2023, gaven geen duidelijk beeld van de beperkingen op de achttiende verjaardag van eiser. Het UWV stelde vast dat eiser vanaf zijn achttiende verjaardag had gewerkt en dus arbeidsvermogen had.

Eiser betwistte dit arbeidsverleden, maar de rechtbank vond de informatie van het UWV overtuigend. De afwijzing van de Wajong-aanvraag bleef daarom in stand. Het beroep werd ongegrond verklaard, en eiser kreeg geen griffierecht of proceskostenvergoeding terug.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de Wajong-uitkering wordt ongegrond verklaard vanwege onvoldoende medische gegevens en arbeidsvermogen op de achttiende verjaardag.

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Bestuursrecht
zaaknummer: SHE 25/1101

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 januari 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [woonplaats] , eiser

en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het UWV
(gemachtigde: mr. E. Coenen).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de vraag of eiser recht heeft op een Wajong [1] -uitkering. Hij vroeg deze aan toen hij 34 jaar was. Het UWV heeft deze aanvraag afgewezen, omdat op basis van de beschikbare gegevens niet is vast te stellen welke beperkingen eiser op zijn achttiende verjaardag had. Eiser is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Hij voert daarvoor een aantal argumenten aan. Aan de hand van deze argumenten (beroepsgronden) beoordeelt de rechtbank of het UWV de aanvraag mocht afwijzen.
1.1.
De rechtbank oordeelt in deze uitspraak dat de afwijzing van de aanvraag in stand kan blijven. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
1.2.
Onder 2 staat het procesverloop in deze zaak. Onder 3 staan de feiten en omstandigheden die van belang zijn en die hebben geleid tot het bestreden besluit. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 5. Daarbij gaat de rechtbank in op de volgende vragen: Was het onderzoek zorgvuldig? Had het UWV een hoorzitting moeten houden? En: Is het besluit inhoudelijk juist? Aan het eind staat de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan.

Procesverloop

2. Eiser heeft op 17 februari 2024 een aanvraag ingediend voor een Wajong-uitkering. Het UWV heeft deze aanvraag met het besluit van 1 november 2024 afgewezen. Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen dat besluit. Met het bestreden besluit van 8 april 2025 heeft het UWV het bezwaar ongegrond verklaard.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 9 september 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en mr. R. Boonstra, waarnemer van de gemachtigde van het UWV. Op de zitting heeft de rechtbank het onderzoek geschorst.
2.3.
Partijen hebben nadere stukken ingediend.
2.4.
De rechtbank heeft partijen laten weten dat zij een tweede zitting niet nodig vindt en gevraagd of partijen het daarmee eens zijn. Omdat partijen daarna niet om een zitting hebben gevraagd, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten en de zaak niet op een tweede zitting behandeld.

Beoordeling door de rechtbank

De feiten
3. De rechtbank stelt vast dat de volgende feiten tussen partijen niet betwist zijn. Eiser is geboren op [geboortedag] 1989. Op 17 februari 2024 heeft hij een Wajong-uitkering aangevraagd.
Het standpunt van eiser
4. Eiser voert aan dat het UWV een zeer onduidelijk dossier over hem heeft verzonnen en slechts enkele minuten aan hem heeft besteed. Doordat het UWV het zo druk heeft, heeft eiser geen gebruik kunnen maken van een hoorzitting. Volgens eiser is zijn ADHD niet serieus genomen door het UWV, hoewel dit volgens de Nederlandse overheid een handicap is. Toch heeft het UWV hier geen vragen over gesteld. Eiser voert aan dat hij het niet eens is met het verloop bij het UWV. Het dossier is volgens hem een puinhoop, heel negatief en heel positief. Eiser heeft informatie van psycholoog drs. E. van den Maegdenbergh en psychiater dr. M. Oprea van 25 november 2011 overgelegd.
De redenen voor de beslissing van de rechtbank
5. De rechtbank beoordeelt hierna eerst of de besluitvorming van het UWV zorgvuldig heeft plaatsgevonden, vervolgens of het UWV een hoorzitting had moeten houden en daarna of het bestreden besluit inhoudelijk juist is.
Heeft de besluitvorming zorgvuldig plaatsgevonden?
5.1.
Uit rapporten van verzekeringsartsen moet blijken dat zij zorgvuldig onderzoek hebben gedaan. De wet bepaalt dat de rapporten goed gemotiveerd moeten zijn. Ook mogen de rapporten volgens de wet geen tegenstrijdigheden bevatten. [2]
5.2.
Voor zover eiser aanvoert dat het onderzoek onzorgvuldig was, overweegt de rechtbank als volgt. Uit het rapport van de eerste verzekeringsarts blijkt dat deze het dossier en de ontvangen informatie heeft gelezen en eiser heeft gezien op het spreekuur. De verzekeringsarts heeft met eiser gesproken over eisers opleiding en werk, over zijn medische klachten en de behandelingen daarvoor en over wat eiser thuis en buitenshuis nog wel kan doen. Ook heeft de verzekeringsarts eiser psychisch onderzocht. De verzekeringsarts heeft eiser niet lichamelijk onderzocht, omdat eiser geen lichamelijke klachten had. De verzekeringsarts heeft geen informatie opgevraagd omdat dit geen toegevoegde waarde had. De tweede verzekeringsarts heeft het dossier en het bezwaarschrift gelezen. Ook het ADHD-interview dat eiser heeft opgestuurd, heeft zij gelezen. De rechtbank concludeert dat de verzekeringsartsen zorgvuldig onderzoek hebben gedaan. Ook verder is er geen aanleiding om te twijfelen aan het oordeel van de verzekeringsartsen. De rapportages van de verzekeringsartsen bevatten geen tegenstrijdigheden. De conclusies volgen logisch uit de onderzoeksresultaten van de verzekeringsartsen. De verzekeringsartsen hoefden volgens de rechtbank daarom niet meer onderzoek te doen of meer medische informatie op te vragen.
Had het UWV een hoorzitting moeten houden?
5.3.
Eiser voert aan dat hij geen gebruik heeft kunnen maken van een hoorzitting. Deze beroepsgrond slaagt niet. In artikel 7:3, aanhef en onder c, van de Algemene wet bestuursrecht staat dat het UWV geen hoorzitting hoeft te houden als eiser heeft verklaard geen gebruik te willen maken van het recht om te worden gehoord. Uit de telefoonnotitie van 16 december 2024 blijkt dat aan eiser is gevraagd of hij een hoorzitting wilde. Aan eiser is uitgelegd wat een hoorzitting is en wat de gevolgen zijn als hij niet naar een hoorzitting gaat. Daarna heeft eiser laten weten dat hij geen hoorzitting wil. Eiser heeft op de zitting gezegd dat de medewerker van het UWV zei dat het heel druk was. Daarom vond eiser het goed dat er geen hoorzitting zou zijn. Achteraf had eiser wel een hoorzitting gewild. De rechtbank stelt vast dat eiser erkent dat hij toestemming heeft gegeven om geen hoorzitting te houden. Daarom kan eiser het UWV nu niet verwijten dat er geen hoorzitting is geweest. Dat zou anders zijn als het UWV hem onder druk heeft gezet om toestemming te geven of die toestemming had verkregen door een onjuiste voorstelling van zaken. Maar dat blijkt niet uit het dossier. Volgens eiser zei de medewerker van het UWV dat ze het erg druk hadden. Maar dat is niet voldoende om ervan uit te gaan dat het UWV eiser onder druk heeft gezet. Dat eiser druk voelde, betekent niet dat hij onder druk is gezet. Verder is het (algemeen) bekend dat het UWV het momenteel druk heeft, dus die mededeling is geen onjuiste voorstelling van zaken. Dat eiser nu spijt heeft van zijn keuze, betekent niet dat het UWV een hoorzitting moest houden. De rechtbank concludeert dat het UWV geen hoorzitting hoefde te houden.
Mocht het UWV eisers Wajong-aanvraag afwijzen?
5.4.
De Wajong regelt [3] wanneer iemand een Wajonguitkering kan krijgen. Dat is onder meer zo als hij ziek is of een handicap heeft op zijn achttiende verjaardag of in een jaar waarin hij ten minste zes maanden heeft gestudeerd. Hij moet door de ziekte of handicap geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie kunnen ontwikkelen. Anders gezegd: om een Wajong-uitkering te krijgen moet eiser geen arbeidsvermogen hebben en dit ook niet kunnen ontwikkelen. Dat dit zo is, moet blijken uit medische informatie.
5.5.
Iemand kan ook later een Wajonguitkering krijgen. Dat is zo als hij op zijn achttiende verjaardag of tijdens zijn studie wel ziek was of een handicap had, maar nog wel mogelijkheden tot arbeidsparticipatie had of die kon ontwikkelen. Als hij binnen vijf jaar geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft en kan ontwikkelen, kan hij alsnog een Wajonguitkering krijgen. [4]
5.6.
Eisers achttiende verjaardag was op 4 maart 2007. Eiser heeft pas op 17 februari 2024 voor het eerst een Wajong-uitkering aangevraagd. Hij was toen 34 jaar. Hij heeft dus lang na zijn achttiende verjaardag een Wajonguitkering aangevraagd. Dan kan het zijn dat moeilijker is vast te stellen hoe het op zijn achttiende verjaardag met hem ging. Het is vaste rechtspraak van de hoogste rechter in Wajongzaken dat dit het risico is van het laat aanvragen van een Wajonguitkering. [5]
5.7.
Het gaat in deze zaak om de medisch situatie van eiser tijdens de periode van zijn achttiende verjaardag en de vijf jaar daarna, van 4 maart 2007 tot 4 maart 2012.
5.8.
Eiser heeft een brief van een psycholoog en een psychiater van 25 november 2011 ingestuurd. Uit deze brief blijkt het volgende. Eiser heeft op dat moment ongeveer drie tot vier jaar klachten. Hij heeft woede-uitbarstingen, daarnaast is sprake van somberheid, piekeren, slecht inslapen, een negatief zelfbeeld en suïcidale ideaties. Eiser is dan achterdochtig en onzeker. Er is sprake van PDD NOS gecombineerd met ADHD gecombineerde type en een stemmingsstoornis. Eiser ging niet akkoord met het behandelvoorstel. Hij is doorverwezen naar GGZ. Ook is er medicatie opgestart en daardoor is eiser gestabiliseerd.
5.8.1.
Het UWV heeft de brief van 25 november 2011 voorgelegd aan zijn verzekeringsarts bezwaar en beroep (B&B). De verzekeringsarts B&B zegt dat uit deze brief niet blijkt welke klachten eiser had toen hij achttien was en hoe ernstig deze waren. Ook is uit deze brief niet af te leiden welke beperkingen eiser had op zijn achttiende. Het is volgens de verzekeringsarts wel nodig om te weten welke beperkingen eiser had toen hij achttien was. Pas als kan worden vastgesteld dat eiser op zijn achttiende beperkingen had, kan beoordeeld worden of deze binnen vijf jaar erger zijn geworden. De rechtbank is het daarmee eens.
5.8.2.
Eiser bestrijdt dat hij voor langere tijd gestabiliseerd is met medicijnen. Hij geeft aan dat hij snel is gestopt met de medicatie. De rechtbank stelt vast dat in brief van de psycholoog en de psychiater inderdaad staat vermeld dat op verzoek van eiser een medicijn is gestaakt, hoewel dit een duidelijke verbetering van de stemming liet zien. Maar de psycholoog en de psychiater zijn ook van mening dat eiser is gestabiliseerd. Wat eiser schrijft, maakt de rechtbank daarom niet aan het twijfelen. Bovendien blijken hieruit eisers beperkingen op zijn achttiende niet.
5.9.
Ook het door de GGZ afgenomen diagnostisch interview voor ADHD bij volwassenen van 4 april 2023 dat eiser in bezwaar heeft overgelegd, maakt het oordeel niet anders. Weliswaar blijkt uit deze informatie de diagnose ADHD, maar ook hieruit blijkt niet welke beperkingen eiser op zijn achttiende had door ziekte of een handicap.
5.10.
Uit de door eiser overgelegde informatie blijkt de situatie op zijn achttiende verjaardag dus niet. Toch heeft het UWV geprobeerd te kijken hoe de situatie toen was. Het UWV is ervan uitgegaan dat eiser op zijn achttiende al ADHD had. Maar het UWV heeft vastgesteld dat eiser opleidingen heeft gedaan en lange tijd gewerkt heeft. Daarom gaat het UWV ervan uit dat eiser toen arbeidsvermogen had.
5.10.1.
Eiser is het daar niet mee eens. Hij stelt dat hij rond zijn achttiende geen werk had en dat daarvoor een reden was. Volgens hem heeft hij rond zijn 22e een kort arbeidsverleden. Hij bestrijdt dat hij zeven jaar als supervisor heeft gewerkt. Het was volgens hem maar drie tot vier jaar en maar ongeveer zestien uur per week. Bovendien ging het niet goed. Eiser had woedeaanvallen waardoor de relatie met zijn leidinggevende onder druk kwam te staan. Ook ontwikkelde eiser stress-gerelateerde klachten. Eiser stelt dat hij geen opleiding af heeft kunnen maken.
5.10.2.
De informatie van eiser maakt niet dat de rechtbank gaat twijfelen aan het standpunt van het UWV. De rechtbank begrijpt dat het werken lastig was voor eiser, maar eiser heeft toch een aantal jaren gewerkt. Dan kan niet geoordeeld worden dat eiser geen arbeidsvermogen had. Uit het dossier blijkt verder dat eiser heeft verteld dat hij geslaagd is voor vmbo-kader en mbo middenkader. De rechtbank vindt dat het UWV goed heeft uitgelegd waarom eiser volgens het UWV op zijn achttiende arbeidsvermogen had.

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de afwijzing van de aanvraag van een Wajong-uitkering in stand kan blijven. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.F. Vink, rechter, in aanwezigheid van mr. A. Bijleveld, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 9 januari 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Bijlage: voor de uitspraak belangrijke wettelijke regels

Algemene wet bestuursrecht
Artikel 3:2
Bij de voorbereiding van een besluit vergaart het bestuursorgaan de nodige kennis omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen.
Artikel 3:46
Een besluit dient te berusten op een deugdelijke motivering.

Artikel 7:3Van het horen van een belanghebbende kan worden afgezien indien:[…]c. de belanghebbende heeft verklaard geen gebruik te willen maken van het recht te worden gehoord,[…]

Artikel 7:12
1. De beslissing op het bezwaar dient te berusten op een deugdelijke motivering, die bij de bekendmaking van de beslissing wordt vermeld. Daarbij wordt, indien ingevolge artikel 7:3 van Pro het horen is afgezien, tevens aangegeven op welke grond dat is geschied.
Wajong
Artikel 1a:1
1. Jonggehandicapte in de zin van dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen is de ingezetene die:
a. op de dag waarop hij achttien jaar wordt als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft;
b. na de in onderdeel a bedoelde dag als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft en in het jaar, onmiddellijk voorafgaand aan de dag waarop dit is ingetreden, gedurende ten minste zes maanden studerende was.
2. De ingezetene die op de dag, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a of b, beperkingen ondervindt als gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling, maar op grond van het eerste lid niet aangemerkt wordt als jonggehandicapte, wordt alsnog jonggehandicapte in de zin van dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen, indien hij binnen vijf jaar na die dag duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft, indien dit voortkomt uit dezelfde oorzaak als die op grond waarvan hij beperkingen als gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling ondervond, op de dag, bedoeld in onderdeel a of b.
Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten
Artikel 1a
1. Betrokkene heeft geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie als bedoeld in de artikelen 1a:1, eerste lid, 2:4, eerste lid, en 3:8a, eerste lid, van de Wajong, indien hij:
a. geen taak kan uitvoeren in een arbeidsorganisatie;
b. niet over basale werknemersvaardigheden beschikt;
c. niet aaneengesloten kan werken gedurende ten minste een periode van een uur; of
d. niet ten minste vier uur per dag belastbaar is, tenzij hij ten minste twee uur per dag belastbaar is en in staat is per uur ten minste een bedrag te verdienen dat gelijk is aan het minimumloon per uur.
2. Een taak als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, is de kleinste eenheid van een functie en bestaat uit één of meerdere handelingen.
Artikel 4
1. Het verzekeringsgeneeskundig onderzoek voldoet aan de volgende vereisten:
a. de gebruikte onderzoeksmethoden, argumentatie, bevindingen en conclusies van het verzekeringsgeneeskundig onderzoek worden schriftelijk vastgelegd;
b. een door een andere verzekeringsarts uitgevoerd verzekeringsgeneeskundig onderzoek zal tot dezelfde bevindingen en conclusies kunnen leiden;
c. de redeneringen en conclusies van het verzekeringsgeneeskundig onderzoek zijn vrij van innerlijke tegenspraak.
2. De vaststellingen en het onderzoek, bedoeld in artikel 3, geschieden aan de hand van algemeen aanvaarde verzekeringsgeneeskundige onderzoeksmethoden die gericht zijn op het kunnen vaststellen van ongeschiktheid tot werken als gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling.

Voetnoten

1.Uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten.
2.De Algemene wet bestuursrecht en het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten.
3.In artikel 1a:1, eerste lid.
4.Dat staat in artikel 1a:1, tweede lid, van de Wajong.
5.CRvB 5 april 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:1001.