Uitspraak
16.1438 WWAJ
OVERWEGINGEN
.
Centrale Raad van Beroep
Appellant, geboren in 1976, diende in 2014 een aanvraag in voor arbeidsondersteuning op grond van de Wajong 2010, welke door het UWV werd afgewezen omdat appellant na zijn achttiende meer dan een jaar had gewerkt en het wettelijk minimumloon verdiende. Appellant voerde onder meer aan dat hij vanwege het syndroom van Asperger een langere inwerkperiode nodig heeft, maar goed functioneert eenmaal ingewerkt.
Na medisch onderzoek door verzekeringsartsen en een arbeidsdeskundig rapport werd vastgesteld dat appellant beperkingen heeft, maar dat hij in staat wordt geacht functies te vervullen die aansluiten bij deze beperkingen. De rechtbank vernietigde het besluit omdat de aanvraag volgens de AAW beoordeeld moest worden, maar handhaafde de rechtsgevolgen van het besluit.
In hoger beroep betoogde appellant dat zijn medische situatie werd onderschat en dat hij ook rugklachten had, maar dit werd niet onderbouwd met medische gegevens. De Raad oordeelde dat het bewijsrisico bij een laattijdige aanvraag bij de aanvrager ligt en dat de arbeidsdeskundige voldoende had gemotiveerd dat de geselecteerde functies rond de zeventiende en achttiende verjaardag van appellant op de arbeidsmarkt voorkwamen.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde daarom de aangevallen uitspraak en wees het hoger beroep af, waarmee de afwijzing van de aanvraag stand hield.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de afwijzing van de laattijdige aanvraag van appellant op grond van de AAW.