ECLI:NL:RBOBR:2026:722

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
4 februari 2026
Publicatiedatum
3 februari 2026
Zaaknummer
25/1099
Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid

Eiser heeft een WIA-uitkering aangevraagd na langdurige arbeidsongeschiktheid, maar het UWV wees deze af omdat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt zou zijn. Eiser maakte bezwaar en ging in beroep tegen deze beslissing, stellende dat zijn beperkingen ernstiger zijn dan vastgesteld en dat hij recht heeft op een uitkering.

De rechtbank beoordeelde het medisch onderzoek van de verzekeringsarts en het arbeidsdeskundig onderzoek van het UWV. De verzekeringsarts had beperkingen vastgesteld die logisch en goed gemotiveerd waren, en de arbeidsdeskundige had op basis daarvan passende functies geselecteerd. De rechtbank vond geen aanleiding om de beoordeling van het UWV in twijfel te trekken, ook niet na het bestuderen van aanvullende medische informatie van eiser.

Eiser verzocht om benoeming van een onafhankelijke MDL-arts, maar de rechtbank wees dit af omdat er geen twijfel bestond over de deskundige beoordeling. De rechtbank concludeerde dat eiser geen recht heeft op een WIA-uitkering omdat zijn arbeidsongeschiktheid op 29,85% is vastgesteld, onder de vereiste 35%. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard.

Uitkomst: Het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn WIA-uitkering wordt ongegrond verklaard omdat zijn arbeidsongeschiktheid minder dan 35% bedraagt.

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Bestuursrecht
zaaknummer: SHE 25/1099

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 4 februari 2026 in de zaak tussen

[eiser], uit [woonplaats], eiser

(gemachtigde: mr. T.P.M. Kouwenaar),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het UWV
(gemachtigde: [naam]).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de aanvraag van eiser om een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA). Eiser vindt dat zijn beperkingen zijn onderschat en dat hij recht heeft op een WIA-uitkering. Het UWV is het daarmee niet eens en vindt dat eiser geen recht heeft op een WIA-uitkering, omdat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt zou zijn.
1.1.
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond, omdat er geen twijfel is aan de beoordeling van het UWV dat eiser minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Eiser heeft dus geen recht op een WIA-uitkering.

Procesverloop

2. Eiser heeft een WIA-uitkering aangevraagd. Met het besluit van 30 oktober 2024 heeft het UWV deze aanvraag afgewezen, omdat eiser minder dan 35% arbeidsongeschikt zou zijn.
2.1.
Eiser heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Met het besluit van 14 april 2025 (het bestreden besluit) heeft het UWV het bezwaar ongegrond verklaard.
2.2.
Het UWV heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 12 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, zijn gemachtigde en de gemachtigde van het UWV.

De feiten

3. Eiser was van 17 mei 2021 tot 20 juli 2022 werkzaam als schilder bij [naam] (werkgever) voor gemiddeld 32,25 uur per week. Op 21 juni 2022 heeft eiser zich ziekgemeld. Na het doorlopen van de wachttijd van 104 weken arbeidsongeschiktheid heeft eiser op 19 april 2024 een aanvraag voor een WIA-uitkering ingediend. Dat heeft geleid tot de besluitvorming die onder ‘Procesverloop’ is genoemd.

Beoordeling door de rechtbank

4. De rechtbank beoordeelt of het UWV de mate van arbeidsongeschiktheid juist heeft vastgesteld en daarmee terecht de aanvraag voor een WIA-uitkering heeft afgewezen. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
4.1.
De rechtbank komt tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Standpunten van partijen
5. Het UWV stelt zich op het standpunt dat eiser met zijn beperkingen in staat moet worden geacht de functies van medewerker voorbewerking (SBC-code 315132), teamondersteuner (SBC-code 315100) en medewerker binderij handmatig B (SBC-code 268030) te verrichten. Vergelijking van het inkomen dat eiser in deze functies kan verdienen met het inkomen dat hij eerder als schilder verdiende, leidt tot een mate van arbeidsongeschiktheid van 29,85%. Aangezien pas recht bestaat op een WIA-uitkering bij een arbeidsongeschiktheid van minimaal 35% heeft het UWV beslist dat eiser geen recht heeft op een WIA-uitkering.
6. Eiser is het daar niet mee eens. Hij stelt dat het UWV de ernst van zijn klachten en de gevolgen daarvan onvoldoende heeft onderkend. Doordat er onvoldoende beperkingen zijn aangenomen, zijn er functies geselecteerd die eiser niet kan uitvoeren. Hij stelt dat hij meer dan 80% arbeidsongeschikt is. Eiser heeft zijn standpunt onderbouwd met een brief van zijn verpleegkundig specialist. Hij verzoekt de rechtbank tot slot om een MDL-arts als onafhankelijk deskundige te benoemen.
De redenen voor de beslissing van de rechtbank
De zorgvuldigheid van het onderzoek
7. De rechtbank heeft geen aanleiding voor het oordeel dat het onderzoek van het UWV onvoldoende zorgvuldig is geweest. De rechtbank heeft ook geen tegenstrijdigheden aangetroffen in de rapportages van de verzekeringsartsen en hun conclusies vloeien logisch voort uit hun bevindingen.
De medisch inhoudelijke beoordeling
8. De rechtbank is van oordeel dat eiser met wat hij heeft aangevoerd geen twijfel heeft doen ontstaan aan de juistheid van de besluitvorming door het UWV. De rechtbank licht dat als volgt toe.
8.1.
Het UWV is ermee bekend dat eiser zowel fysieke als psychische klachten heeft. De primaire verzekeringsarts heeft geconcludeerd dat eiser beschikt over benutbare mogelijkheden, maar dat er wel beperkingen in de fysieke en psychische belastbaarheid zijn. De primaire verzekeringsarts acht eiser aangewezen op mentaal licht belastend, en druk op de buik vermijdend werk. In de functionele mogelijkhedenlijst (FML) van 9 oktober 2024 zijn daarom beperkingen aangenomen in de rubrieken (1) persoonlijk functioneren, (2) sociaal functioneren, (3) fysieke omgevingseisen, (4) dynamische handelingen en (5) statische houdingen. Daarnaast heeft de primaire verzekeringsarts aangegeven dat eiser is aangewezen op regelmatige werktijden. De verzekeringsarts bezwaar en beroep (B&B) heeft naar aanleiding van zijn onderzoek verdergaande beperkingen aangenomen en heeft deze neergelegd in de FML van 31 maart 2025.
8.2.
Eiser stelt dat het UWV de ernst van zijn klachten en de gevolgen daarvan onvoldoende heeft onderkend. Hij onderbouwt dit standpunt met een brief van zijn verpleegkundig specialist. Eiser voert aan dat hij meer beperkt is dan is aangenomen en vindt in elk geval de urenbeperking van vijf uur per dag en vijfentwintig uur per week onvoldoende.
8.3.
De rechtbank heeft geen reden om te twijfelen aan de beoordeling door de verzekeringsarts B&B. De motivering van de verzekeringsarts B&B is inzichtelijk en het is duidelijk waarom hij bepaalde beperkingen heeft aangenomen. Hij heeft toegelicht dat uit de brief van 23 september 2024 van de MDL-arts blijkt dat er geen specifieke adviezen zijn gegeven omtrent de darmklachten en dat er dus geen advies is tot rust of bedrust. Ook blijkt uit deze brief niet dat eisers aandoening dermate actief is dat dit gepaard moet gaan met het vermijden van activiteiten buitenshuis. De rechtbank kan deze toelichting volgen. De rechtbank kan daarnaast de toelichting van de gemachtigde van het UWV volgen dat de brief van de verpleegkundig specialist van 13 oktober 2025 geen aanleiding geeft om nadere beperkingen aan te nemen. Deze brief is namelijk van ruim na de datum in geding (27 juli 2024) en de verslechtering van de klachten van eiser kan daarom niet meegenomen worden voor de beoordeling van zijn medische situatie op de datum in geding. Daarnaast kan de rechtbank het standpunt van het UWV volgen dat in de brief van 13 oktober 2025 geen nieuwe diagnoses worden gesteld. Het is de rechtbank duidelijk dat eiser veel beperkingen ervaart door zijn klachten en dat eiser deze beperkingen niet allemaal terugziet in de beoordeling van de verzekeringsarts B&B. Maar volgens vaste rechtspraak is niet de persoonlijke klachtbeleving van iemand bepalend, maar moeten de klachten zijn terug te voeren op objectief medisch aantoonbare ziekte of gebrek. De rechtbank ziet geen reden om te concluderen dat de beperkingen zijn onderschat.
8.4.
Eiser heeft de rechtbank verzocht om een MDL-arts als onafhankelijk deskundige te benoemen. Omdat er geen twijfel bestaat aan de beoordeling van de verzekeringsarts B&B, ziet de rechtbank geen aanleiding om een onafhankelijk deskundige te benoemen. De rechtbank wijst dit verzoek daarom af.
De arbeidsdeskundige beoordeling
9. De arbeidsdeskundigen van het UWV gaan bij de vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid uit van de beperkingen die de verzekeringsartsen in de FML hebben vastgelegd. Zoals de rechtbank hiervoor al heeft geoordeeld, heeft de verzekeringsarts B&B die belastbaarheid juist weergegeven. De arbeidsdeskundige B&B mocht daarom bij het bepalen van de functies uitgaan van deze beperkingen. De arbeidsdeskundige B&B heeft voldoende adequaat gemotiveerd waarom deze functies geschikt zijn en de rechtbank ziet geen reden om hieraan te twijfelen. Dat leidt tot het oordeel dat het UWV het arbeidsongeschiktheidspercentage terecht op 29,85% heeft vastgesteld.

Conclusie en gevolgen

10. Het beroep is ongegrond. Dit betekent dat eiser met ingang van 27 juli 2024 geen WIA-uitkering krijgt. Omdat eiser geen gelijk krijgt, heeft hij geen recht op vergoeding van zijn proceskosten en het griffierecht.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G. de Jong, rechter, in aanwezigheid van
mr. Y. Mutsaers, griffier. Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 4 februari 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.