ECLI:NL:RBOBR:2026:753
Rechtbank Oost-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling WOZ-waarde woning op basis van eigen verkoopcijfer
Eiser is eigenaar van een geschakelde woning uit 1989, waarvan de WOZ-waarde voor 2025 door de heffingsambtenaar is vastgesteld op €567.000. Eiser betwist deze waarde en stelt dat rekening gehouden moet worden met waardeverminderende factoren zoals onderhoudstoestand en voorzieningen, en overlegt een waardematrix met een lagere waarde.
De rechtbank overweegt dat het eigen verkoopcijfer van de woning, verkocht op 23 september 2024 voor €610.000, als uitgangspunt geldt voor de waardering. Dit verkoopcijfer ligt kort na de waardepeildatum en wordt geacht de werkelijke waarde te vertegenwoordigen. Eiser heeft geen concrete feiten gesteld die dit tegenspreken.
De heffingsambtenaar heeft bovendien rekening gehouden met indexering en eventuele aanpassingen tussen verkoopdatum en toestandspeildatum. De rechtbank volgt dit en acht de vastgestelde waarde niet te hoog. De door eiser aangevoerde waardematrix leidt niet tot een andere uitkomst omdat waardeverminderende factoren geacht worden al in het verkoopcijfer te zijn verwerkt.
Het beroep wordt ongegrond verklaard, eiser krijgt geen griffierecht terug en geen proceskostenvergoeding. De uitspraak is gedaan door rechter A.F. Vink en griffier Y. Mutsaers op 6 februari 2026.
Uitkomst: Het beroep tegen de vastgestelde WOZ-waarde wordt ongegrond verklaard omdat het eigen verkoopcijfer de waarde adequaat weerspiegelt.