Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBOBR:2026:934

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
12 februari 2026
Publicatiedatum
11 februari 2026
Zaaknummer
25/1254
Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:57 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling naheffingsaanslag parkeerbelasting ondanks onjuiste straatnaam

Eiser kreeg op 9 april 2025 een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd omdat zijn voertuig op 5 april 2025 geparkeerd stond zonder voldoende parkeergeld te betalen. Eiser maakte bezwaar en stelde beroep in tegen de bestreden uitspraak die de aanslag handhaafde.

De rechtbank oordeelt dat eiser als feitelijk parkeerder gerechtigd was bezwaar en beroep te maken. De heffingsambtenaar heeft aannemelijk gemaakt dat de naheffingsaanslag terecht is opgelegd, mede omdat het voertuig geparkeerd stond op een parkeerplaats in een zijstraat zonder eigen naam, waarvoor de grootste aangrenzende straatnaam is gebruikt.

Eiser voerde aan dat de locatieomschrijving onjuist was en dat het bord met parkeerverplichting door begroeiing niet goed zichtbaar was. De rechtbank stelt vast dat de locatieomschrijving voldoende duidelijk was en dat eiser meerdere borden en parkeerautomaten is gepasseerd, waardoor hij op de hoogte had moeten zijn van de parkeerverplichting. De foto van het bord was bovendien genomen vanuit een gunstige hoek en de zoneborden langs toegangswegen maakten de verplichting duidelijk.

De rechtbank wijst erop dat eiser pas laat in de procedure het argument van onduidelijkheid aanvoerde, wat de geloofwaardigheid vermindert. De naheffingsaanslag wordt daarom bevestigd en het beroep ongegrond verklaard. Eiser krijgt het griffierecht niet terug.

Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt dat de naheffingsaanslag terecht is opgelegd.

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT
Bestuursrecht
zaaknummer: SHE 25/1254

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 12 februari 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [woonplaats] , eiser,

en

de heffingsambtenaar van de gemeente ‘s-Hertogenbosch, de heffingsambtenaar

(gemachtigde: mr. R.A.M.T Klaassen).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank of de heffingsambtenaar terecht aan eiser een naheffingsaanslag parkeerbelasting heeft opgelegd.
1.1.
De heffingsambtenaar heeft op 9 april 2025 aan [naam] een naheffingsaanslag parkeerbelasting van € 81,70 opgelegd (de naheffingsaanslag), bestaande uit € 2,90 parkeerbelasting en € 78,80 naheffingskosten.
1.2.
Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen de naheffingsaanslag.
1.3.
Met de uitspraak op bezwaar van 29 april 2025 (de bestreden uitspraak) heeft de heffingsambtenaar de naheffingsaanslag gehandhaafd.
1.4.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen de bestreden uitspraak.
1.5.
De heffingsambtenaar heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.6.
Eiser heeft op het verweerschrift gereageerd met een conclusie van repliek.
1.7.
De heffingsambtenaar heeft op de conclusie van repliek gereageerd met een conclusie van dupliek.
1.8.
De rechtbank heeft partijen laten weten dat zij een zitting niet nodig vindt en gevraagd of zij het daarmee eens zijn. Omdat partijen daarna niet binnen de door de rechtbank gestelde termijn [1] om een zitting hebben gevraagd, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten en de zaak niet behandeld op een zitting. [2]

Feiten

2. Op 5 april 2025 stond het voertuig met het kenteken [kenteken] geparkeerd op een parkeerplaats aan een naamloze zijstraat van de [locatie] . Deze parkeerplaats is aangewezen als plaats waar tegen betaling geparkeerd mag worden. De parkeercontroleur heeft op 5 april 2025 omstreeks 12:04 uur geconstateerd dat het voertuig geparkeerd stond, terwijl er niet of niet voldoende parkeergeld was betaald. Vervolgens is de naheffingsaanslag opgelegd.

Beoordeling door de rechtbank

3. De naheffingsaanslag is opgelegd aan [naam] Eiser heeft daartegen bezwaar gemaakt. In de rechtspraak van de Hoge Raad is aanvaard dat ook de feitelijk parkeerder gerechtigd is om tegen de naheffingsaanslag bezwaar te maken. [3] Omdat niet in geschil is dat eiser de parkeerder is van het voertuig, was hij gerechtigd om bezwaar te maken tegen de naheffingsaanslag en beroep in te stellen tegen de bestreden uitspraak.
4. In beroep is het aan de heffingsambtenaar om aannemelijk te maken dat de naheffingsaanslag terecht is opgelegd. Naar het oordeel van de rechtbank is de heffingsambtenaar hierin geslaagd.
4.1.
Vooraf merkt de rechtbank op dat zij de indruk heeft gekregen dat eiser bij het voeren van deze procedure ‘juridisch advies’ heeft ingewonnen bij ChatGPT of een andere generatieve AI. Een sterke aanwijzing daarvoor ziet de rechtbank in de door eiser (in zijn conclusie van repliek) genoemde uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 18 augustus 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:4703. Deze uitspraak bestaat niet. Het ECLI-nummer betreft een niet gepubliceerde uitspraak van 20 juli 2022 in een civiele zaak. Ook is van de rechtbank Amsterdam geen uitspraak van 18 augustus 2022 gepubliceerd die over een parkeerbelastingzaak gaat. Met name in het aanhalen van eerdere rechterlijke uitspraken ‘hallucineert’ generatieve AI regelmatig. Verder is het punt waar eiser in deze procedure op hamert dat er een volgens hem verkeerde straatnaam in de naheffingsaanslag en ook de uitspraak op bezwaar staat en dat alleen al daarom de naheffingsaanslag zou moeten worden vernietigd. Maar zo formalistisch zit het recht niet in elkaar, temeer – zoals uit de verdere overwegingen blijkt – omdat eiser exact weet waar hij heeft geparkeerd en hierover ook geen noemenswaardig verschil van inzicht met de heffingsambtenaar bestaat. Of eiser deze procedure is gestart na ‘juridisch advies’ van een generatieve AI weet de rechtbank niet. Het had eiser – naast de al betaalde kosten voor de naheffingsaanslag – de kosten van het griffierecht bespaard als hij bij iemand die ter zake kundig is had gevraagd of het zinvol was om hierover te procederen. Dat laatste is het namelijk niet. Niettemin zal de rechtbank puntsgewijs ingaan op wat eiser aanvoert om duidelijk te maken waarom zijn argumenten niet tot vernietiging van de naheffingsaanslag kunnen leiden.
4.2.
Eiser voert in zijn beroepschrift aan dat in de naheffingsaanslag ten onrechte was opgenomen dat zijn voertuig geparkeerd stond aan de [locatie] . In de uitspaak op bezwaar staat dat zijn voertuig stond geparkeerd op de [locatie] , maar ook dat is volgens eiser onjuist. Eiser heeft bij zijn beroepschrift een kaartje gevoegd met daarop (in roze) gemarkeerd waar hij stond geparkeerd (wat voor de duidelijkheid door de rechtbank is gemarkeerd met een rode cirkel).
[Afbeelding verwijderd i.v.m. pseudonimiseren.]
Eiser vindt dat er onvoldoende feitelijke grondslag is om de naheffingsaanslag te rechtvaardigen en vindt daarom dat die moet worden vernietigd.
4.3.
De heffingsambtenaar wijst erop dat eisers voertuig stond geparkeerd in een zijstraat van de [locatie] die geen eigen straatnaam heeft. Bij een parkeerplaats zonder straatnaam selecteert het systeem van de scanauto de grootste aangrenzende straat die wel een straatnaam heeft. De parkeerlocatie bevindt zich nabij gebouwen die een adres hebben aan de [locatie] , zodat die omschrijving in de naheffingsaanslag ook logisch is. Naar aanleiding van het door eiser gemaakte bezwaar heeft de heffingsambtenaar gekeken hoe de parkeerlocatie ook kan worden omschreven. Omdat die locatie alleen kan worden bereikt via (eerst de [locatie] en daarna) de [locatie] , heeft de heffingsambtenaar de locatie in de uitspraak op bezwaar gewijzigd in [locatie] . De scanauto heeft de gps-coördinaten van de parkeerplaats van eisers voertuig geregistreerd en dat betrof de op onderstaande kaart aangegeven locatie.
4.5.
Eiser voert in zijn conclusie van repliek aan dat het hem niet duidelijk was dat ter plaatse een verplichting gold om parkeergeld te betalen. Het bord waarop staat dat parkeergeld moet worden betaald was ten tijde van het parkeren niet goed zichtbaar door begroeiing. Eiser heeft bij zijn beroepschrift onderstaande foto gevoegd:
[Afbeelding verwijderd i.v.m. pseudonimiseren.]
(De rode cirkel is door de rechtbank toegevoegd.) Eiser zegt dat hij uiteraard zijn parkeerapp had aangezet als hij had geweten dat hij parkeergeld moest betalen. Omdat dit onduidelijk was, vindt hij dat de naheffingsaanslag moet worden vernietigd.
4.6.
De heffingsambtenaar betwist dat de foto op of kort na 5 april 2025 is genomen. De boom op de foto staat vol in blad, zodat de foto waarschijnlijk later in het jaar is genomen. Verder heeft eiser de foto uit de voor zijn pleidooi meest gunstige hoek genomen. Als hij (gezien vanuit het perspectief op de foto) meer naar rechts was gegaan, had hij ook bij volle begroeiing voldoende zicht op het verkeersbord gehad. Daarnaast wijst de heffingsambtenaar erop dat eiser meerdere parkeerautomaten en verkeersborden (waarop staat dat ter plaatse betaald parkeren geldt) is gepasseerd, voordat hij de parkeerlocatie bereikte. Ook daaruit moet het eiser voldoende duidelijk zijn geweest dat hij ter plaatse parkeergeld moest betalen. Tot slot heeft eiser ook een onderzoeksplicht wat betreft de ter plaatse geldende parkeerregels [4] en vindt de heffingsambtenaar dat eiser daar onvoldoende invulling aan heeft gegeven. Naast genoemde parkeerautomaten en verkeersborden kon eiser ook de parkeerinformatie op de website van de gemeente raadplegen en had hij kunnen zien dat hij ter plaatse parkeergeld moest betalen.
4.7.
De rechtbank vindt het opvallend dat eiser pas bij zijn conclusie van repliek klaagt over de onduidelijkheid van de verplichting om ter plaatse parkeergeld te betalen. In zijn bezwaarschrift bij de heffingsambtenaar en zijn beroepschrift zegt hij daar niets over. Juridisch gezien staat hem dat vrij, maar het ligt voor de hand om een dergelijk argument van meet af aan te presenteren en niet pas in laatste instantie. De rechtbank is het verder met de heffingsambtenaar eens dat eiser het verkeersbord heeft gefotografeerd uit de voor hem meest gunstige positie. Door (bezien vanuit het perspectief van de foto) meer naar rechts te gaan, had eiser voldoende zicht op het bord gehad. De rechtbank heeft daarom toch wat moeite gehad om zich aan de indruk te onttrekken dat dit argument er met de haren is bijgesleept. Maar wat daarvan ook zij, uit de door de heffingsambtenaar verstrekte informatie blijkt dat langs de toegangswegen tot de wijk waarin de [locatie] liggen zoneborden zijn geplaatst waarop de verplichting staat om in de betreffende zone betaald te parkeren. Zelfs als het door eiser gefotografeerde bord op 5 april 2025 onvoldoende zichtbaar was, dan was met genoemde zoneborden de verplichting om parkeergeld te betalen voldoende duidelijk gemaakt.
4.8.
Uit wat hiervoor is overwogen volgt dat de naheffingsaanslag terecht is opgelegd.
Tekst

Conclusie en gevolgen

5. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.F. Vink, rechter, in aanwezigheid van mr. Y. Mutsaers, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 12 februari 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, is een afschrift aangetekend per post verzonden op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘sHertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘sHertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ ‘sHertogenbosch.

Voetnoten

1.De rechtbank heeft in haar bericht van 19 januari 2026 laten weten dat deze termijn loopt tot en met 2 februari 2026. Met het bericht van 4 februari 2026 heeft de rechtbank laten weten het onderzoek te sluiten. In dat bericht staat ten onrechte dat genoemde termijn vier weken bedroeg.
2.Artikel 8:57 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.
3.Hoge Raad 14 juli 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA6508, overweging 4.4.
4.Rechtbank Rotterdam 15 oktober 2025, ECLI:NL:RBROT:2025:12503, en rechtbank Amsterdam 12 november 2025, ECLI:NL:RBAMS:2025:8815.