3.3.2.Bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs.
De rechtbank zal, ten behoeve van de leesbaarheid van dit vonnis, eerst de relevante feiten en omstandigheden omtrent de aangetroffen sigaretten vaststellen. Hierbij zal zij tevens ingaan op de door de verdediging aangevoerde vormverzuimen. Daarna zal zij ingaan op de vraag of verdachte deze sigaretten (als bedoeld in de wet op de Accijns, zie ECLI:NL:RBOBR:2025:3234) voorhanden heeft gehad en/of verdachte voorwaardelijk opzet heeft gehad op het voorhanden hebben van die sigaretten.
Vaststelling van de relevante feiten en omstandigheden.
De rechtbank leidt uit de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen het volgende af.
9 juli 2024.
Verbalisanten van de politie en medewerkers van de Douane zijn op 9 juli 2024, met toestemming van de op dat moment aanwezige bewoner ( [naam] ), de woning van verdachte aan de [adres] te Oss binnengetreden. In de woning troffen zij op zolder en in de kelder grote hoeveelheden sigaretten en waterpijptabak aan. Uit onderzoek is gebleken dat dit onveraccijnsde sigaretten en onveraccijnsde hoeveelheden aan waterpijptabak waren. De verpakkingen van de goederen waren namelijk niet voorzien van bijbehorende accijnszegels.
De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsvrouw dat het binnentreden onrechtmatig is geweest. Immers werd met toestemming van de aanwezige bewoner binnengetreden. De rechtbank verwerpt daarnaast ook het verweer dat de verhoorders van verdachte hem hadden moeten wijzen op zijn verschoningsrecht. De tabaksproducten werden in de woning van verdachte aangetroffen en verdachte werd daarover bevraagd. De betrokkenheid van zijn zoon werd pas duidelijk door zijn eigen spontaan gegeven verklaring, hetgeen als bewijs gebezigd mag worden
11 september 2024.
Omstreeks 23:15 uur controleerden politieagenten een auto waar verdachte als bijrijder in zat. De zoon van verdachte, medeverdachte [medeverdachte] , bestuurde de auto. De controle vond plaats omdat de desbetreffende auto niet verzekerd was. Tijdens deze controle zagen verbalisanten meerdere sloffen sigaretten achter de bijrijdersstoel liggen. Zij zagen dat er geen accijnszegels op de verpakkingen te zien waren. Gelet hierop hebben zij de hulp ingeschakeld van medewerkers van de Douane. Uiteindelijk bleken er in de auto 40.000 onveraccijnsde sigaretten te liggen.
Gelet op deze vastgestelde feiten en omstandigheden verwerpt de rechtbank het verweer van de verdediging dat het onderzoek op 11 september 2024 onrechtmatig is geweest. Er was een legitieme reden voor een controle, namelijk de omstandigheid dat de auto onverzekerd bleek te zijn. Ook voor het vervolgonderzoek bestond een duidelijk en redelijk vermoeden van schuld nu de verbalisanten verpakkingen van sigaretten zagen liggen die niet voorzien waren van een accijnszegel.
9 november 2024.
Verdachte werd staande gehouden door de politie op de A2 ter hoogte van Beesd. Zijn voertuig kwam in beeld bij de politie door een ANPR-hit. Gelet op de omstandigheid dat hij slechts een kortstondig verblijf in de omgeving van Amsterdam had gehad is een verkeerscontrole ingesteld. Op dat moment werden er 2.000 onveraccijnsde sigaretten aangetroffen in zijn auto.
De rechtbank verwerpt het verweer van de verdediging dat de toestemming van de officier van justitie om het kentekenplaatnummer van de auto van verdachte in de ANPR-database te zetten aan het dossier toegevoegd moet zijn. De stelling van de raadsvrouw gaat uit van een eis die het strafprocesrecht niet kent. De door de politie verrichte verkeerscontrole en het aantreffen van de sigaretten hebben dan ook beiden rechtmatig plaatsgevonden, althans is het de rechtbank niet gebleken dat dit anders is.
12 november 2024.
Op 12 november 2024 zijn in drie voertuigen diverse grote hoeveelheden onveraccijnsde sigaretten en waterpijptabak aangetroffen. Twee van deze voertuigen, een Volkswagen Caddy ( [kenteken 1] ) en een Renault Traffic ( [kenteken 2] ) stonden geparkeerd in de buurt van de woning van verdachte aan de [adres] in Oss. De kentekens stonden op naam van [bedrijf] te Boxmeer. Hierop is een controle uitgevoerd bij deze autogarage en is in die garage het derde voertuig, een Fiat Ducato, aangetroffen. De eigenaar van [bedrijf] getuige [getuige] , verklaarde dat hij alle drie de voertuigen had verhuurd aan verdachte. Daartoe overlegde hij ook van alle auto’s een huurovereenkomst vergezeld van een kopie van het rijbewijs van verdachte en een kopie van zijn verblijfsdocumentatie. De verbalisanten hebben onderzoek gedaan naar de pakjes sigaretten die in de drie voertuigen zijn aangetroffen. De verbalisanten hebben geconstateerd dat al die pakjes exact de zelfde code hadden daar waar dit bij veraccijnsde pakjes sigaretten unieke codes moeten zijn. Deze code, die dus identiek bleek te zijn op alle pakjes sigaretten die werden aangetroffen in de drie voertuigen, stond ook op de pakjes sigaretten die op 9 november 2024 bij verdachte zijn aangetroffen.
Het juridische toetsingskader.
Bij de beoordeling van het tenlastegelegde neemt de rechtbank onderstaand beslisschema met twee van elkaar te onderscheiden stappen als uitgangspunt (ECLI:NL:GHSHE:2024:2140). Stap 1: ‘voorhanden hebben ’ volgens Unierecht.
Allereerst dient te worden vastgesteld of sprake is van ‘voorhanden hebben’ als bedoeld in de Wet op de accijns. Daarbij geldt dat bij ‘voorhanden hebben’ als bedoeld in de Wet op de accijns reeds is voldaan als de verdachte bij het voorhanden hebben van de onveraccijnsde accijnsgoederen
betrokkenis en is:
- het niet relevant als verdachte niet de feitelijke beschikkingsmacht over de onveraccijnsde accijnsgoederen heeft, en
- het al dan niet aanwezig zijn van wetenschap van de hoedanigheid van de goederen en de wetenschap van de omstandigheid dat de goederen niet overeenkomstig de toepasselijke bepalingen van het Unierecht en de bepalingen van de Wet op de accijns in Nederland of elders in de Unie in de heffing zijn betrokken, bij de beoordeling of sprake is van ‘voorhanden hebben’ in de zin van de Wet op de accijns niet relevant.
Stap 2: voor strafrechtelijke aansprakelijkheid is (voorwaardelijk) opzet vereist.
Vervolgens dient beoordeeld te worden of verdachte dat voorhanden hebben opzettelijk heeft gedaan, in de zin dat verdachte willens en wetens onveraccijnsde goederen voorhanden heeft gehad, waarbij voorwaardelijk opzet als ondergrens heeft te gelden. Daarbij geldt dat voor strafrechtelijke aansprakelijkheid het opzet ook kan worden gebaseerd op feiten waaruit volgt dat een persoon opzettelijk betrokken raakt bij het voorhanden hebben, zonder dat die persoon de feitelijke beschikkingsmacht over de onveraccijnsde accijnsgoederen heeft en zonder dat hij/zij de vorenbedoelde wetenschap heeft.
De beoordeling van het toetsingskader.
Stap 1:
De rechtbank leidt uit de hiervoor beschreven feiten en omstandigheden af dat verdachte telkens betrokken is geweest bij het (mede) voorhanden hebben van de onveraccijnsde sigaretten en waterpijptabak. De sigaretten zijn steeds aangetroffen in de woning van verdachte of in auto’s die aan verdachte te relateren zijn. Bovendien zijn de op 9 november 2024 bij verdachte aangetroffen sigaretten en de op 12 november 2024 in de drie auto’s aangetroffen sigaretten allen voorzien van precies dezelfde code, hetgeen nogmaals bevestigt dat verdachte ook betrokken is geweest bij het voorhanden hebben van de op 12 november 2024 aangetroffen sigaretten.
Stap 2:
Naar de uiterlijke verschijningsvorm van de gedragingen van verdachte, zoals hierboven reeds zijn uiteengezet, heeft verdachte zich steeds doelbewust ingelaten met het voorhanden hebben van grote hoeveelheden sigaretten. Verdachte heeft ter terechtzitting ook verklaard dat hij zijn sigaretten voor eigen gebruik bij handelaars in de buurt van een asielzoekerscentrum kocht. De op 11 september 2024 aangetroffen 40.000 sigaretten zouden verdachte slechts € 1.800,00 hebben gekost. Ten aanzien van de op 9 november 2024 aangetroffen hoeveelheid van 2000 sigaretten heeft verdachte ter terechtzitting verklaard dat hij deze slechts voor 160 euro zou hebben gekocht. En dat terwijl sigaretten die worden verkocht in erkende winkels in Nederland een veelvoud kosten. Verdachte heeft ter zitting ook verklaard dat hij wist dat hij telkens veel te goedkope sigaretten kocht, afgezet tegen de prijzen die in erkende winkels in Nederland worden gerekend.
Uit het dossier blijkt bovendien dat er veel indicaties waren dat er, al voorafgaand aan de eerste inval op 9 juli 2024, vanuit de woning van en door verdachte gehandeld werd in illegale sigaretten. Zo heeft verdachte al vóór 9 juli 2024 een toegangsverbod gekregen voor het asielzoekerscentrum in Grave vanwege een ruzie over handel in “illegale” sigaretten. Dit sluit ook naadloos aan bij de telkens aangetroffen hoeveelheden. Duidelijk is dan ook dat verdachte zich van meet af aan en meerdere keren bezig heeft gehouden met het verhandelen van onveraccijnsde sigaretten. Het is niet geloofwaardig dat deze goederen afkomstig waren van een vriend van medeverdachte [medeverdachte] , er zijn ook geen feiten of omstandigheden aangedragen die dit enigszins onderbouwen. Ook is het ongeloofwaardig dat de goederen bedoeld zouden zijn geweest voor eigen gebruik en/of voor het uitdelen aan familieleden, dit alleen al vanwege de zeer grote hoeveelheden sigaretten waar het om gaat.
De rechtbank concludeert dan ook dat verdachte redelijkerwijs steeds geweten heeft dat hij voor een veel te goedkope prijs sigaretten kocht en deze daarna met een winstoogmerk zelf heeft willen verkopen. Logischerwijs heeft hij zich dan ook steeds gerealiseerd dat de door hem gekochte sigaretten niet veraccijnsd waren. Dit betekent dat verdachte steeds opzet heeft gehad op zijn betrokkenheid bij het voorhanden hebben van de onveraccijnsde sigaretten en waterpijptabak.
Medeplegen.
Op grond van de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen oordeelt de rechtbank dat ten aanzien van feit 1 en feit 2 zonder meer sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en zijn medeverdachte [medeverdachte] . Deze nauwe en bewuste samenwerking bestaat in de kern uit een gezamenlijke uitvoering. Daarmee acht de rechtbank het tenlastegelegde medeplegen bewezen.
De rechtbank acht onvoldoende wettig en overtuigend bewijs aanwezig dat verdachte ten aanzien van feit 3 en feit 4 met een ander nauw en bewust heeft samengewerkt. Dit betekent dat de verdachte van dit onderdeel van de tenlastelegging wordt vrijgesproken.
Het onderzoek naar de sigaretten.
Door de raadsvrouw is bepleit dat ten aanzien van feiten 1, 2 en 3 onvoldoende wettig en overtuigend is vast komen te staan dat de aangetroffen goederen daadwerkelijk accijnsgoederen zijn in de zin van de Wet op de Accijns.
De rechtbank heeft geen reden om aan de bevindingen van de verbalisanten te twijfelen en komt op grond van die bevindingen tot het oordeel dat de in de tenlastelegging vermelde hoeveelheden sigaretten en waterpijptabak tabaksproducten zijn in de zin van de Wet op de Accijns. De rechtbank wordt gesterkt in dat oordeel, omdat tegen de achtergrond van de hiervoor weergegeven omstandigheden door de verdediging zelf ook niet is gesteld dat de aangetroffen goederen iets anders (kunnen) betreffen dan waterpijptabak en om die reden niet als “rooktabak” kunnen worden aangemerkt.
Omdat de aangetroffen goederen zijn aan te merken als rooktabak, hadden deze in de accijns moeten worden betrokken. Dat is niet gebeurd, gelet op het feit dat de verpakkingen niet waren voorzien van accijnszegels.
Ambtshalve merkt de rechtbank op dat op een deel van de op 12 november 2024 inbeslaggenomen sigaretten een Poolse accijnszegel is aangetroffen. Niet uitgesloten kan worden dat deze sigaretten wel degelijk veraccijnsd zijn. De rechtbank zal de sigaretten met een Poolse accijnszegel daarom in het voordeel van verdachte niet meenemen in haar bewezenverklaring.
Slotconclusie.
Op grond van de inhoud van de bewijsmiddelen in onderling verband en samenhang bezien met wat hiervoor is overwogen, acht de rechtbank de onder 1, 2, 3 en 4 tenlastegelegde feiten bewezen zoals hierna zal worden omschreven.