ECLI:NL:RBONE:2013:BZ0868
Rechtbank Oost-Nederland
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Vernietiging pauliaanse betalingen tussen schuldenaar en dochter wegens benadeling schuldeiser
De zaak betreft een geschil tussen de kerkelijke rechtspersoon [X] en de dochter [Y] en vader [Z], waarbij [X] pauliaanse vernietiging vordert van door [Z] aan [Y] verrichte girale betalingen ter waarde van €16.400,00. [Z] was penningmeester van de voorloper van [X] en werd veroordeeld wegens wederrechtelijke onttrekking van ruim €883.000 van de bankrekening van [X].
[X] stelt dat de betalingen door [Z] aan [Y] onverplichte rechtshandelingen zijn die de verhaalsmogelijkheden van [X] benadelen en op grond van artikel 3:45 BW Pro vernietigd kunnen worden. [Y] stelt dat zij te goeder trouw was en dat de betalingen een morele verplichting weerspiegelen, niet als schenkingen moeten worden gezien en dat zij niet hoefde te onderzoeken waar het geld vandaan kwam.
De rechtbank oordeelt dat de betalingen onverplichte rechtshandelingen zijn en rechtsgeldig zijn vernietigd. De vraag is of de vernietiging ook ten opzichte van [Y] werkt, waarbij zij moet aantonen dat zij te goeder trouw was en niet ten gevolge van de betalingen was gebaat op het moment van de vernietiging. De rechtbank stelt vast dat [Y] te goeder trouw wordt verondersteld, maar dat zij bewijs moet leveren over het feitelijk niet baat hebben bij de betalingen. De zaak wordt aangehouden voor bewijslevering en verdere beslissing.
De rechtbank bepaalt dat [Y] zich schriftelijk kan uitlaten over de wijze van bewijslevering en regelt de procedure voor het eventueel horen van getuigen. Tot die tijd worden verdere beslissingen aangehouden.
Uitkomst: De rechtbank vernietigt de betalingen rechtsgeldig en stelt [Y] in de gelegenheid bewijs te leveren over haar goede trouw en het feitelijk niet baat hebben bij de betalingen.