Uitspraak
RECHTBANK OVERIJSSEL
VONNIS IN DE STRAFZAAK VAN:
[verdachte],
wonende te [adres].
Rechtbank Overijssel
De rechtbank Overijssel behandelde een zaak waarin verdachte werd beschuldigd van het opzettelijk onjuist en onvolledig doen van aangiften omzetbelasting over de jaren 2006 en 2007. Het openbaar ministerie stelde dat verdachte en/of mededaders bewust een te laag belastbaar bedrag hadden opgegeven, waardoor te weinig belasting werd geheven.
Tijdens de terechtzitting op 25 juni 2013 heeft de verdediging primair betoogd dat verdachte het kwartaalbedrag correct had verantwoord en subsidiair dat er geen sprake was van (voorwaardelijk) opzet. De rechtbank verwierp de primaire verweren, maar stelde vast dat onvoldoende wettig bewijs bestond om te bewijzen dat verdachte wist of had moeten weten dat hij de vooraftrek van BTW onrechtmatig toepaste.
De rechtbank oordeelde dat aanwijzingen in het dossier niet tot ondubbelzinnig bewijs leidden dat verdachte te kwader trouw was. Ook was niet vastgesteld dat verdachte wist van onverklaarbare prijsvallen bij aankoop van auto’s of dat medeverdachte zijn intracommunautaire transacties niet aangaf. Daarom sprak de rechtbank verdachte vrij van het ten laste gelegde.
Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken wegens onvoldoende bewijs van opzettelijke BTW-fraude.