ECLI:NL:RBOVE:2013:2206

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
17 september 2013
Publicatiedatum
17 september 2013
Zaaknummer
ak_zwo_13_259
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:7 AwbArt. 6:8 AwbArt. 6:11 AwbStaatsblad 2012, 666Staatsblad 2012, 313
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bezwaar tegen Ziektewetuitkering niet-ontvankelijk wegens overschrijding bezwaartermijn

Eiseres ontving op 20 juli 2012 een besluit tot toekenning van een Ziektewetuitkering. Zij stuurde op 16 augustus 2012 een brief aan de uitvoeringsafdeling waarin zij haar onvrede uitte over de hoogte van de uitkering, maar meldde daarin niet expliciet dat zij bezwaar maakte tegen het besluit. Verweerder reageerde op 17 augustus 2012 door eiseres te wijzen op de mogelijkheid een formeel bezwaarschrift in te dienen bij de afdeling Bezwaar en Beroep.

Eiseres stelde dat haar brief van 16 augustus 2012 als bezwaarschrift moest worden aangemerkt en dat de brief van 17 augustus 2012 als een besluit op bezwaar moest worden gezien, wat zou leiden tot een verschoonbare overschrijding van de beroepstermijn. De rechtbank oordeelde echter dat de brief niet als bezwaarschrift kon worden aangemerkt omdat het bezwaar niet expliciet werd gemaakt en de brief niet aan de juiste afdeling was gericht.

De rechtbank vond dat eiseres duidelijk was gemaakt dat haar brief niet als bezwaar werd gezien en dat zij na ontvangst van de reactie van verweerder in eerste instantie had berust in de situatie. Het formele bezwaarschrift werd pas op 14 januari 2013 ingediend, buiten de termijn. Er waren geen omstandigheden die een verschoonbare termijnoverschrijding rechtvaardigden. Het bezwaar werd daarom terecht niet-ontvankelijk verklaard en het beroep ongegrond.

Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard omdat het bezwaar niet tijdig en niet-ontvankelijk is ingediend.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Bestuursrecht
Zittingsplaats Zwolle
Registratienummer: Awb 13/259

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres] ,

wonende te Deventer, eiseres,
gemachtigde: mr. B. van Dijk,
en

de Raad van Bestuur van het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (UWV),

gevestigd te Amsterdam (kantoor Leiden), verweerder.
[jw.sys.1.proc_jaar]/[jw.sys.1.proc_vnr]
Procesverloop
Bij besluit van 20 juli 2012 heeft verweerder eiseres per 21 juli 2012 een uitkering ingevolge de Ziektewet (ZW) toegekend.
Het daartegen gemaakte bezwaar is bij het besluit van 17 januari 2013 niet-ontvankelijk verklaard. Eiseres heeft tegen dit besluit beroep ingesteld.
Het beroep is ter zitting van 24 mei 2013 behandeld. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door E. van den Brink.
Het onderzoek is ter zitting geschorst teneinde verweerder in de gelegenheid te stellen nadere inlichtingen te verstrekken.
Na ontvangst van deze inlichtingen en de reactie hierop van eiseres hebben partijen de rechtbank desgevraagd toestemming verleend voor het achterwege laten van behandeling van het beroep op een nadere zitting. De rechtbank heeft daarop het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Het beroep is ingediend bij de rechtbank Oost-Nederland.
Met ingang van 1 april 2013 is de zogeheten Splitswet (Staatsblad 2012, 666) in werking getreden. Hierdoor is het per 1 januari 2013 ingevolge de Wet herziening gerechtelijke kaart (Staatsblad 2012, 313) gevormde arrondissement Oost-Nederland gesplitst in de arrondissementen Gelderland en Overijssel. Als gevolg hiervan wordt deze uitspraak gedaan door de rechtbank Overijssel.
2. In geschil is of verweerder zich terecht op het standpunt stelt dat het bezwaar kennelijk niet-ontvankelijk is wegens overschrijding van de bezwaartermijn.
3. De rechtbank overweegt als volgt.
3.1
Ingevolge het bepaalde in artikel 6:7 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bedraagt de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift zes weken. Deze termijn vangt ingevolge het bepaalde in artikel 6:8, eerste lid, van de Awb aan met ingang van de dag na die waarop het besluit op de voorgeschreven wijze kenbaar is gemaakt.
Ingevolge het bepaalde in artikel 6:11 van Pro de Awb blijft niet-ontvankelijkverklaring ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend bezwaar achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.
3.2
Eiseres heeft het besluit van 20 juli 2012 ontvangen.
Zij heeft verweerder vervolgens op 16 augustus 2012 een brief geschreven, die als volgt aanvangt:
“Aangezien ik een herseninfarct heb gehad krijg ik momenteel een uitkering van de ZW. Nu krijg ik een uitkering die mijns inziens te weinig is. De dame die ik via de UWV telefoonlijn heb gesproken zei dat ik nog enkele gegevens moest doorgeven om voor eventuele aanvulling in aanmerking te komen. (…..)”
Verweerder heeft op deze brief gereageerd met een brief van 17 augustus 2012, waarin verweerder eiseres het volgende heeft meegedeeld:
“Wij ontvingen uw schrijven van 16 augustus 2012, waarin u aangeeft dat u het niet eens bent met de hoogte van uw dagloon.
Aangezien u gedeeltelijk aan het werk was, moeten we rekening houden met de verdiensten uit dit dienstverband over de laatste 4 weken. Hierop is dus uw dagloon gebaseerd. De uren die u werkelijk heeft gewerkt zijn niet van belang.
Mocht u het niet eens zijn met onze beslissing, raden wij u aan een bezwaarschrift in te dienen. (….)”
3.3
Eiseres stelt zich op het standpunt dat verweerder haar brief van 16 augustus 2012 had dienen op te vatten als een bezwaarschrift gericht tegen het besluit van 12 juli 2012, dan wel dat de brief alsnog als zodanig moet worden beschouwd en dat de brief van 17 augustus 2012 moet worden aangemerkt als een besluit op dit bezwaarschrift. In het laatste geval is volgens eiseres sprake van een verschoonbare overschrijding van de beroepstermijn, aangezien in de brief van 17 augustus 2012 niet is gewezen op de mogelijkheid van beroep.
3.4
De rechtbank is van oordeel dat de brief van 16 augustus 2012 terecht door verweerder niet als bezwaarschrift is aangemerkt. Eiseres heeft in de betreffende brief niet gemeld dat zij bezwaar maakt tegen het besluit van 20 juli 2012. De brief is verder gericht aan de afdeling uitvoering ZW, terwijl in het besluit van 20 juli 2012 is vermeld dat een bezwaarschrift gericht dient te worden aan de afdeling Bezwaar en Beroep.
Verweerder heeft na ontvangst van de brief van eiseres op 17 augustus 2012 direct gereageerd met het schrijven van 17 augustus 2012. Daarbij is eiseres (opnieuw) gewezen op de mogelijkheid om een bezwaarschrift in te dienen. Deze brief is door eiseres ontvangen. Eiseres moet dus duidelijk zijn geweest dat haar brief van 16 augustus 2012 door verweerder niet is opgevat als bezwaarschrift. Dat, zoals namens eiseres is betoogd, de melding in de brief van 17 augustus 2012 van verweerder dat bezwaar kon worden gemaakt een verwarrende tussenstap is geweest volgt de rechtbank niet, mede gezien het feit dat de bezwaartermijn tegen het besluit van 20 juli 2012 nog niet was verlopen.
Ter zitting heeft eiseres verklaard dat zij na ontvangst van verweerders brief van 17 augustus 2012 in eerste instantie in heeft berust in de inhoud daarvan. Pas later, nadat zij met anderen was gaan praten, is namens eiseres op 14 januari 2013 een brief ingezonden, die, voor zover daarbij bezwaar is gemaakt, buiten de bezwaartermijn ingediend. Daarbij zijn geen feiten en/of omstandigheden naar voren gebracht op grond waarvan verweerder had dienen te oordelen dat sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding als bedoeld in artikel 6:11 van Pro de Awb. Verweerder heeft het bezwaar daarom kennelijk niet ontvankelijk kunnen verklaren.
Met bovenstaande overwegingen is tevens gegeven dat de brief van 17 augustus 2012 niet is te zien als besluit op bezwaar.
4. Het verzoek om het besluit van 20 juli 2012 te herzien en het daarop genomen besluit vallen buiten de omvang van het geding.
5. Het beroep zal ongegrond worden verklaard.
6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D. Hardonk-Prins, rechter, en door haar en W. Veldman als griffier ondertekend. Uitgesproken in het openbaar op
Afschrift verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat voor een belanghebbende en het bestuursorgaan hoger beroep open. Dit dient te worden ingesteld binnen zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak door een beroepschrift en een kopie van deze uitspraak te zenden aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.