In deze civiele procedure staat centraal de vraag of Triscom haar Beneluxwoordmerk PRIMAVITA normaal heeft gebruikt in de periode van 3 juni 2003 tot 3 juni 2008. PrimaVita vordert vervallenverklaring van het merk wegens non-usus voor bepaalde warenklassen. Triscom voert aan dat zij het merk wel degelijk commercieel exploiteert, onder meer via binnen- en buitenlandse distributeurs.
De rechtbank verwijst naar jurisprudentie van het HvJEG omtrent normaal gebruik van merken en stelt dat gebruik met een werkelijk commercieel doel voldoende is. PrimaVita heeft onderzoeksrapporten overgelegd waaruit beperkt gebruik blijkt, maar de rechtbank acht deze rapporten onvoldoende betrouwbaar en onvolledig. Triscom heeft bewijs geleverd van aanzienlijke verkopen en merkgebruik, waaronder facturen en websiteprints.
Gelet op de feiten concludeert de rechtbank dat het recht op het merk PRIMAVITA niet is vervallen door non-usus. Vervolgens behandelt de rechtbank de reconventionele vordering van Triscom tot verbod van inbreuk op haar merk door PrimaVita, die de handelsnaam PrimaVita wil voeren. De rechtbank oordeelt dat Triscom recht en belang heeft bij dit verbod en legt een gematigde dwangsom op.
Ten slotte veroordeelt de rechtbank PrimaVita in de proceskosten, waarbij de gevorderde kosten worden gematigd tot een redelijk bedrag conform indicatietarieven. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad en is gewezen door drie rechters te Almelo op 25 juni 2014.