ECLI:NL:RBOVE:2014:487

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
31 januari 2014
Publicatiedatum
4 februari 2014
Zaaknummer
Awb 13/1676
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 220d GemeentewetArt. 2 Uitvoeringsregeling Wet WOZArt. 4 Verordening onroerende zaakbelastingen gemeente Zwolle 2013Art. 8:75 Awb
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Geen kerkenvrijstelling voor perceel grond wegens onvoldoende gebruik voor openbare eredienst

Eiseres, eigenaar van een perceel grond te Zwolle, maakte bezwaar tegen de waardebepaling en aanslag onroerendezaakbelasting, stellende dat de kerkenvrijstelling van toepassing zou moeten zijn. Deze vrijstelling houdt in dat onroerende zaken die hoofdzakelijk worden gebruikt voor openbare eredienst buiten de heffingsmaatstaf worden gelaten.

Verweerder stelde dat de vrijstelling alleen geldt voor gebouwen die voor meer dan 70% worden gebruikt voor de openbare eredienst en betwistte dat het perceel grond hiervoor in aanmerking komt. De rechtbank stelde vast dat grond ook als onroerende zaak wordt aangemerkt, maar dat het gebruik voor de eredienst moet worden beoordeeld.

De rechtbank concludeerde dat het perceel slechts sporadisch wordt gebruikt, namelijk zes feestdagen per jaar en incidenteel na het vrijdaggebed, wat onvoldoende is om te spreken van hoofdzakelijk gebruik (minstens 70%). Hierdoor is de kerkenvrijstelling niet van toepassing en is de aanslag terecht opgelegd.

De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees proceskostenveroordeling af wegens ontbreken van gronden.

Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard omdat het perceel niet hoofdzakelijk voor openbare eredienst wordt gebruikt.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Bestuursrecht
Zittingsplaats Zwolle
Registratienummer: AWB ZWO 13/1676
uitspraak van de meervoudige belastingkamer in het geschil tussen
Stichting [eiseres],
gevestigd te Zwolle,
eiseres,
gemachtigde: [naam],
en
het hoofd van de sectie Belastingen & Invordering van de gemeente Zwolle,
verweerder.

1.Ontstaan en loop van het geding

Ingevolge de Wet waardering onroerende zaken (hierna: de Wet WOZ) heeft verweerder de waarde van de onroerende zaak [adres] te Zwolle vastgesteld bij beschikking van
28 februari 2013. Daarbij is de waarde vastgesteld op € 258.000,-- per waardepeildatum
1 januari 2012 voor het tijdvak 1 januari 2013 tot en met 31 december 2013. Tegelijk met deze beschikking heeft verweerder aan eiseres een aanslag onroerendezaakbelastingen voor het belastingjaar 2013 opgelegd van € 706,15.
Bij uitspraak op bezwaar van 19 juni 2013 heeft verweerder het tegen de beschikking gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak op bezwaar is op 23 juli 2013 beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het beroep is op 4 november 2013 ter zitting behandeld. Eiseres heeft zich doen vertegenwoordigen door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. L.J. Luigies.
De rechtbank heeft vervolgens het onderzoek gesloten.

2.De feiten

Eiseres is eigenares van de onroerende zaak aan de [adres] te Zwolle. Deze onroerende zaak betreft een perceel grond van 2.065 m².

3.Het geschil

In geschil is het antwoord op de vraag of de toepassing van de zogenoemde kerkenvrijstelling als bedoeld in artikel 2, onderdeel g, van de Uitvoeringsregeling uitgezonderde objecten Wet WOZ (hierna: de Uitvoeringsregeling) ertoe moet leiden dat de waarde van de gehele onroerende zaak buiten beschouwing moet blijven.

4.Beoordeling van het geschil

De zogenoemde kerkenvrijstelling is neergelegd in verschillende wettelijke bepalingen voor zowel de onroerendezaakbelastingen als de waardering van onroerende zaken.
In artikel 220d, eerste lid, onderdeel c, van de Gemeentewet is bepaald dat bij de bepaling van de heffingsmaatstaf voor de onroerendezaakbelastingen buiten aanmerking wordt gelaten de waarde van onroerende zaken die in hoofdzaak zijn bestemd voor de openbare eredienst of voor het houden van openbare bezinningssamenkomsten van levensbeschouwelijke aard, een en ander met uitzondering van delen van zodanige onroerende zaken die dienen als woning.
Deze kerkenvrijstelling is eveneens opgenomen in artikel 4, eerste lid, onderdeel c, van de Verordening op de heffing en de invordering van onroerende zaakbelastingen 2013 van de gemeente Zwolle.
In artikel 2, eerste lid, onderdeel g, van de Uitvoeringsregeling is bepaald dat bij de bepaling van de waarde buiten aanmerking wordt gelaten de waarde van onroerende zaken die in hoofdzaak zijn bestemd voor de openbare eredienst of voor het houden van openbare bezinningssamenkomsten van levensbeschouwelijke aard, een en ander met uitzondering van delen van zodanige onroerende zaken die dienen als woning.
Eiseres heeft zich op het standpunt gesteld dat artikel 220d, eerste lid, onderdeel c, van de Gemeentewet geen onderscheid maakt tussen de onroerende zaken “grond” en “gebouwen”.
De vrijstelling van artikel 220d, eerste lid, onderdeel c, van de Gemeentewet is dan ook van toepassing op het perceel grond van eiseres.
Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat de kerkenvrijstelling, waar eiseres een beroep op doet, uitsluitend ziet op gebouwen, die bestemd zijn voor openbare erediensten of voor het houden van openbare bezinningsbijeenkomsten van levensbeschouwelijke aard. Of het gebouw dat bestemd is voor openbare erediensten of voor het houden van openbare bezinningssamenkomsten van levensbeschouwelijke aard ook in aanmerking komt voor toepassing van de vrijstelling is vervolgens afhankelijk van het feitelijk gebruik. Het gebouw dient dan hoofdzakelijk, dus voor meer dan 70 %, gebruikt te worden overeenkomstig de bestemming. Daaruit is af te leiden dat vanaf het moment dat het gebouw in gebruik is, beoordeeld kan worden of aan de criteria voor het toepassen van de kerkenvrijstelling is voldaan. Nu op de toestandsdatum 1 januari 2013 geen sprake was van gebruik overeenkomstig de bestemming, is niet voldaan aan de criteria om conform de kerkenvrijstelling van artikel 2, onderdeel g, van de Uitvoeringsregeling, gelezen in samenhang met artikel 220d, eerste lid, onderdeel c, van de Gemeentewet, de waarde van de onroerende zaak buiten aanmerking te laten.
Ter zitting heeft de gemachtigde van verweerder aangegeven dat volgens het Burgerlijk Wetboek ook grond als een onroerende zaak dient te worden aangemerkt en dat beoordeeld dient te worden hoeveel grond daadwerkelijk voor de eredienst wordt gebruikt. Gelet hierop houdt de rechtbank het ervoor dat verweerder het hiervoor ingenomen standpunt niet langer handhaaft en dat verweerder van mening is dat de kerkenvrijstelling ook op een perceel grond betrekking kan hebben.
De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 4 december 1991 (zaaknr. 27 661; gepubliceerd in Belastingblad 1992/72 en BNB 1992/47) geoordeeld dat een onroerende zaak in hoofdzaak voor de openbare dienst is bestemd indien het voor ten minste 70 % daarvoor wordt gebruikt.
De rechtbank ziet zich dan ook voor de vraag gesteld of het perceel grond in hoofdzaak voor de openbare eredienst of voor het houden van openbare bezinningssamenkomsten van levensbeschouwelijke aard wordt gebruikt. De rechtbank beantwoordt deze vraag ontkennend en acht voor dit oordeel van belang de mededeling van eiseres ter zitting dat het perceel grond zes feestdagen per jaar wordt gebruikt voor een bijeenkomst en dat er daarnaast na het vrijdaggebed wel eens mensen naar het perceel gaan die daar gaan bidden. Met het door eiseres aangevoerde acht de rechtbank niet aannemelijk gemaakt dat de onroerende zaak in hoofdzaak, hetgeen dus wil zeggen voor 70 % of meer, voor de openbare eredienst of voor het houden van openbare bezinningssamenkomsten van levensbeschouwelijke aard wordt gebruikt en dat de kerkenvrijstelling voor de onderhavige onroerende zaak op eiseres van toepassing is.
Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen komt de rechtbank tot de slotsom dat verweerder bij de bepaling van de heffingsmaatstaf voor de onroerendezaakbelastingen de waarde van de onroerende zaak terecht niet buiten beschouwing heeft gelaten.
Het beroep is ongegrond.

5.Proceskosten

De rechtbank acht geen termen aanwezig voor het uitspreken van een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van Pro de Awb.

6.Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. W.F. Bijloo, voorzitter, mr. L.E.C. van Rijckevorsel-Besier en mr. H.R. Schimmel, rechters, en door de voorzitter en H. Blekkenhorst als griffier ondertekend. Uitgesproken in het openbaar op
Afschrift verzonden op: