Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBOVE:2014:6437

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
25 juni 2014
Publicatiedatum
4 december 2014
Zaaknummer
C-08-152652 - HA ZA 14-113
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevoegdheidsincident mediationclausule in vennootschapsovereenkomst afgewezen

In deze zaak stond een bevoegdheidsincident centraal waarbij partijen een mediationclausule in hun vennootschapsovereenkomst hadden opgenomen. De gedaagde partij stelde dat de rechtbank zich onbevoegd moest verklaren omdat eerst mediation moest worden geprobeerd volgens de overeenkomst.

De rechtbank oordeelde dat mediation geen bindende geschilbeslechting inhoudt zoals arbitrage, maar een vrijwillig bemiddelingsproces is. Hierdoor blijft de rechter bevoegd om kennis te nemen van het geschil indien een partij dat wenst.

De rechtbank verwees naar een arrest van de Hoge Raad waarin is bevestigd dat partijen te allen tijde hun medewerking aan mediation kunnen weigeren. Daarom kon de exceptie van onbevoegdheid niet slagen en werd deze afgewezen.

De gedaagde partij werd veroordeeld in de proceskosten van het incident. De hoofdzaak zal worden voortgezet met een nieuwe termijn voor conclusie van antwoord.

Uitkomst: De rechtbank verklaart zich bevoegd en wijst de exceptie van onbevoegdheid af.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team kanton en handelsrecht
Zittingsplaats Zwolle
zaaknummer / rolnummer: C/08/152652 / HA ZA 14-113
Vonnis in incident van 25 juni 2014
in de zaak van

1.[A],

wonende te [plaats 1],
2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
SENANG B.V.,
gevestigd te Almelo,
eisers in de hoofdzaak,
verweerders in het incident,
advocaat mr. H.G.M. van Zutphen te Almelo,
tegen

1.[B],

wonende te [plaats 2],
2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
ACTIVE MOTION B.V.,
gevestigd te Zwolle,
gedaagden in de hoofdzaak,
eisers in het incident,
advocaat mr. J. Bisschop te Zwolle.
Partijen zullen hierna [A] c.s. en [B] c.s. en in persoon [A] en [B] genoemd worden.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • de dagvaarding
  • de incidentele conclusie tot onbevoegdverklaring van [B] c.s.
  • de incidentele conclusie van antwoord van [A] c.s.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald in het incident.

2.De beoordeling in het incident

2.1.
[B] c.s. vorderen dat de rechtbank zich onbevoegd verklaart. [A] c.s. voeren verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
2.2.
[B] c.s. concluderen tot onbevoegdheid van de rechtbank met een beroep op artikel 23 van Pro de overeenkomst van vennootschap onder firma die [A] en [B] op 21 november 2000 hebben gesloten c.q. op het, voor zover van belang, inhoudelijk, identieke – artikel 22 van Pro de nadien tussen Senang B.V. en Active Motion B.V. gesloten overeenkomst van vennootschap onder firma. In dit (eerstgenoemde) artikel is bepaald:
“Indien de partijen in de toekomst van mening verschillen omtrent de interpretatie of uitvoering van deze overeenkomst zullen zij trachten door middel van onderling overleg tot een regeling te komen. Mocht dit niet gelukken, dan spreken zij de intentie uit dat zij zich zullen wenden tot een mediator (….) teneinde te trachten de gerezen geschilpunten door bemiddeling tot een oplossing te brengen. Eerst indien deze bemiddeling niet tot resultaat leidt, zullen de partijen zich elk tot een advocaat wenden die dan het geschilpunt eventueel aan de bevoegde rechter kan voorleggen.”
2.3.
Uit de verwoorde standpunten van partijen leidt de rechtbank af dat beide partijen op enig moment overeenkomstig voornoemd artikel de toepassing van mediation voor ogen heeft gestaan om het tussen hen gerezen geschil te beslechten, maar dat zij, daargelaten door wiens handelen of nalaten dat is veroorzaakt, er niet in zijn geslaagd om het zover te doen komen.
2.4.
Aangezien beide partijen de contractuele weg van mediation willen volgen, is er geen plaats voor een gerechtelijke procedure zodat de rechtbank onbevoegd is, zo onderbouwen [B] c.s. hun exceptie van onbevoegdheid.
2.5.
Daargelaten of het eerste deel van deze stelling van [B] c.s. feitelijk (nog) wel juist is – het standpunt van [A] c.s. als verwoord in de incidentele conclusie van antwoord getuigt daar niet van – is de rechtbank ten aanzien van de onderbouwing van de exceptie van oordeel dat deze faalt.
Anders dan in geval van arbitrage of een bindendadvies-procedure, brengt het inschakelen van een mediator niet mee dat als alternatief voor de rechter een door partijen gekozen derde een geschil op een bindende wijze beslist, maar dat gepoogd gaat worden om via bemiddeling tot een minnelijke oplossing van het geschil tussen partijen te geraken. Daarbij blijft de rechter onverminderd bevoegd om kennis te nemen van een geschilpunt, indien hij daartoe door één van partijen wordt geroepen.
2.6.
Naar het oordeel van de rechtbank volgt het voorgaande ook in dit geval uit de aard en strekking van de betreffende bepaling uit de overeenkomst. Het volgen van een mediationtraject kan louter op basis van vrijwilligheid c.q. bereidheid hiertoe bij partijen bij het geschil en waar die ontbreekt kan dit niet onbevoegdheid van de rechtbank meebrengen ingeval de ene partij de andere toch in rechte wil betrekken. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking het arrest van de Hoge Raad van 20 januari 2006 (ECLI:NL:HR:2006:AU3724), waarin is overwogen dat het partijen, gelet op de aard van het middel mediation, te allen tijde vrij staat om daaraan alsnog hun medewerking te onthouden, dan wel die om hen moverende redenen te beëindigen.
2.7.
De rechtbank is derhalve van oordeel dat de incidentele vordering moet worden afgewezen, omdat de aangevoerde gronden die vordering niet kunnen dragen.
2.8.
[B] c.s. zullen als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten van het incident worden veroordeeld.

3.De beslissing

De rechtbank
in het incident
3.1.
wijst het gevorderde af,
3.2.
veroordeelt [B] c.s. in de kosten van het incident, aan de zijde van [A] c.s. tot op heden begroot op € 452,00,
3.3.
verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad,
in de hoofdzaak
3.4.
bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van
6 augustus 2014voor conclusie van antwoord van [B] c.s.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.H.S. Lebens-de Mug en in het openbaar uitgesproken op 25 juni 2014.