Uitspraak
RECHTBANK OVERIJSSEL
in kort geding van 17 juni 2015
1.[eiser 1],
[eiser 2],
1.[gedaagde 1],
2.[gedaagde 2],
1.De procedure
2.De feiten
‘de gezamenlijke uitoefening van het agrarisch bedrijf annex veehandelsbedrijf in de ruimste zin van het woord’. De maatschap is gevestigd te [plaats] aan de [adres] (hierna: de maatschap).
‘op alle voor zodanig beslag vatbare gelden, vorderingen, waardepapieren en/of roerende zaken (niet zijnde registergoederen), die de derde-beslagene onder zich heeft en/of uit een reeds nu bestaande rechtsverhouding rechtstreeks zal verkrijgen van de schuldenaar (…)’voor onder meer een hoofdsom van € 3.773,94 en een pro memoriepost van de alimentatie van € 1.886,97 per maand. Het exploit is op 20 april 2015 aan gedaagde sub 1 overbetekend.
‘Met de prestatietoeslag die op 30 april op de vrije ledenrekening gestort wordt zullen wij€ 4.143,373 (plus bijkomende rente) afdragen aan de beslaglegger. Daarnaast zal maandelijks met het melkgeld € 1.886,97 aan de beslaglegger afgedragen worden’.