Eisers ontvingen een bijstandsuitkering op grond van de Wet werk en bijstand (WWB). Verweerder vorderde de uitkering terug over de periode 13 april 2012 tot en met 30 april 2013 en legde boetes op wegens schending van de inlichtingenplicht. Eisers maakten bezwaar tegen deze besluiten, waarna de rechtbank uitspraak deed.
De rechtbank oordeelde dat het beroep van eiseres gegrond is omdat het besluit over haar hoofdelijk aansprakelijk stellen en boete niet gehandhaafd kon worden. De primaire besluiten werden voor zover zij eiseres betroffen herroepen. Het beroep van eiser werd ongegrond verklaard. De rechtbank stelde vast dat eiser zijn hoofdverblijf niet had op het opgegeven adres en bewust verkeerde informatie had verstrekt, wat een schending van de inlichtingenplicht opleverde.
De boete werd vastgesteld op €3.634,28, bestaande uit het bedrag van €734,28 over de periode tot 1 januari 2013 en €2.900,- over de periode daarna, waarbij afronding naar beneden werd toegepast. De rechtbank wees het beroep van eiser af en legde hem de boete op. Verweerder werd veroordeeld in de proceskosten van eiseres en moest het griffierecht aan haar vergoeden.