Uitspraak
2 mei 2012, 12/1298 (aangevallen uitspraak)
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Centrale Raad van Beroep
Appellante ontving een WW-uitkering en meldde wijzigingen in haar werkzaamheden en vakantie aan het UWV. Het UWV stelde echter vast dat appellante niet alle gewerkte uren en de aan haar uitbetaalde vakantie-uren via Randstad had doorgegeven. Hierdoor werd een boete van €52,- opgelegd wegens overtreding van de inlichtingenplicht.
Appellante tekende bezwaar aan tegen de boete, maar trok dit bezwaar later in. De rechtbank verklaarde het beroep tegen de boete ongegrond, omdat vaststond dat appellante niet juist had geïnformeerd en dat de boete niet onevenredig was. Appellante stelde in hoger beroep dat er geen sprake was van verwijtbaarheid.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat appellante de inlichtingenplicht had overtreden door niet te melden dat zij op bepaalde dagen had gewerkt en dat zij loon had ontvangen tijdens haar vakantieperiode. Het UWV had haar hierover geïnformeerd via een brochure en een besluit. De Raad stelde vast dat er geen sprake was van verminderde verwijtbaarheid en dat de opgelegde boete proportioneel was.
Het hoger beroep werd verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. De Raad zag geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De boete van €52,- wegens het niet correct informeren van het UWV wordt bevestigd.