Eiser had op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) een indicatie voor huishoudelijke hulp in de vorm van een persoonsgebonden budget (pgb) voor 4 uur per week. Na een herindicatie besloot verweerder deze indicatie te beëindigen, omdat eisers inwonende zoon en dochter in staat werden geacht de zorgtaken te verrichten. Op verzoek van eiser werd vervolgens een indicatie voor 3 uur huishoudelijke hulp per week toegekend in de vorm van zorg in natura (zin), vanwege dreigende overbelasting van zijn dochter.
Eiser maakte bezwaar tegen de vorm van de hulpverlening en wilde een pgb in plaats van zin, stellende dat de Verordening 2011 keuzevrijheid bood. Verweerder handhaafde het besluit op grond van de Verordening 2011 en de Wmo, waarbij een zorgvuldig onderzoek door Scio Consult de medische situatie van eiser en de belastbaarheid van zijn dochter in kaart bracht. Het rapport concludeerde dat de dochter dreigde overbelast te raken en dat huishoudelijke hulp in natura passend was.
De rechtbank oordeelde dat het onderzoek zorgvuldig was en dat de toekenning van huishoudelijke hulp in natura op goede gronden was gebaseerd. Het beroep van eiser werd daarom ongegrond verklaard. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.