ECLI:NL:RBOVE:2015:4112

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
7 september 2015
Publicatiedatum
7 september 2015
Zaaknummer
3536273 CV EXPL 14-8524
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Aangehouden
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:89 BWArt. 3:305a BWArt. 3:316 BWArt. 128 lid 3 RvArt. 128 lid 5 Rv
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Effectenleaseovereenkomsten en vernietiging op grond van ontbrekende toestemming

Dexia Nederland B.V. heeft de rechtbank verzocht om een verklaring voor recht dat zij ten aanzien van vier effectenleaseovereenkomsten met [gedaagde] aan al haar verplichtingen heeft voldaan en dat zij niets meer verschuldigd is. [gedaagde] verzet zich hiertegen en stelt dat de echtgenote van [gedaagde] tijdig vernietiging van twee van deze overeenkomsten heeft ingeroepen wegens ontbrekende toestemming, op grond van artikel 1:89 BW Pro.

De kantonrechter constateert dat het beroep op vernietiging op grond van artikel 1:89 BW Pro reeds verjaard is en dat [gedaagde] geen reconventionele vordering heeft ingesteld. Daarnaast is er een lopende prejudiciële procedure bij de Hoge Raad over de stuitende werking van verjaringstermijnen bij collectieve vorderingen en vernietiging van rechtshandelingen.

De kantonrechter wijst het procesrechtelijke bezwaar van Dexia af en oordeelt dat het antwoord op de prejudiciële vragen van de Hoge Raad moet worden afgewacht voordat inhoudelijk op de vernietiging kan worden beslist. Daarom wordt de zaak verwezen naar een rolzitting op 27 oktober 2015 voor verdere behandeling en uitlating van partijen.

Uitkomst: De zaak wordt aangehouden in afwachting van het antwoord van de Hoge Raad op prejudiciële vragen en verwezen naar een rolzitting op 27 oktober 2015.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL
Team kanton en handelsrecht
Locatie Zwolle
Zaaknr. : 3536273 CV EXPL 14-8524
Datum : 12 mei 2015

Vonnis in de zaak van:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
DEXIA NEDERLAND B.V.,
gevestigd te Amsterdam,
eisende partij,
verder te noemen Dexia,
gemachtigde USG Legal Professionals,
tegen

[gedaagde],

wonende te [woonplaats],
gedaagde partij,
verder te noemen [gedaagde],
gemachtigde mr. G. van Dijk.

Procedure

De kantonrechter heeft kennisgenomen van de volgende processtukken en uit die stukken blijkt het procesverloop:
  • dagvaarding van 10 oktober 2014
  • conclusie van antwoord
  • conclusie van repliek
  • conclusie van dupliek.

Geschil

Dexia vordert de verklaring voor recht dat zij ten aanzien van de tussen haar en [gedaagde] gesloten overeenkomsten van effectenlease met nummers [nummer 1], [nummer 2], [nummer 3] en [nummer 4] aan al haar verplichtingen heeft voldaan en derhalve niets meer aan [gedaagde] verschuldigd is, met veroordeling, uitvoerbaar bij voorraad, van [gedaagde] in de proceskosten.
[gedaagde] heeft geconcludeerd tot afwijzing van de vordering, met veroordeling van Dexia, uitvoerbaar bij voorraad, in de proceskosten.

Beoordeling

1.1.
Het volgende staat vast.
Tussen (de rechtsvoorganger van) Dexia en [gedaagde] zijn in de periode 1995-2000 de volgende vier effectenleaseovereenkomsten gesloten:
nummer datum naam eindsaldo
[nummer 1] 30-01-1995 Spaarleasen [eindsaldo 1]
[nummer 2] 07-04-1995 Legio-Jubileumplan [eindsaldo 2]
[nummer 3] 25-09-1997 Feestplan [eindsaldo 3]
[nummer 4] 17-10-2000 Legio Feestplan [eindsaldo 4].
1.2.
Bij brief, ontvangen door Dexia op 17 april 2007, heeft de echtgenote van [gedaagde] de vernietiging van de overeenkomsten genummerd [nummer 3] en [nummer 4] ingeroepen vanwege haar (vermeende) ontbrekende toestemming (artikel 1:89 BW Pro).
1.3.
Bij brief van 25 januari 2012 heeft [gedaagde] aan Dexia laten weten zich alle rechten jegens Dexia voor te behouden.
1.4.
Bij brief van 20 augustus 2014 heeft Dexia aan [gedaagde] verzocht haar te berichten dat zij aan al haar verplichtingen jegens hem heeft voldaan (een zogeheten
waiver). Bij gebreke van een tijdige reactie zal een procedure volgen, aldus deze brief. In de brief staat ook, dat [gedaagde] geen recht heeft op schadevergoeding vanwege het door hem per saldo genoten voordeel.
2.1.
Dexia wenst dat aan haar geschil met [gedaagde] nu definitief een einde komt. Zij wenst zekerheid over haar rechtspositie ten opzichte van [gedaagde] en niet tot in lengte van dagen te wachten of hij nog een claim bij haar zal indienen.
Het op artikel 1:89 BW Pro rustende beroep op vernietiging was reeds verjaard en daarom tardief. [gedaagde] heeft nagelaten een op die vernietiging gebaseerde, reconventionele vordering in te stellen. In zijn conclusie van antwoord heeft [gedaagde] artikel 128 lid 5 Rv Pro. niet in acht genomen.
2.2.
[gedaagde] stelt dat zijn echtgenote tijdig de vernietiging heeft ingeroepen. Verder voert [gedaagde] aan dat aan de Hoge Raad in het arrest van het Hof Amsterdam d.d. 20 januari 2015 (ECLI:NL: GHAMS:2015:105) de volgende prejudiciële vragen zijn gesteld:
- strekt de stuitende werking op de voet van art. 3:316 BW Pro van een collectieve vordering in de zin van art. 3:305a BW zich uit tot de verjaring van de buitengerechtelijke bevoegdheid tot vernietiging van rechtshandelingen krachtens art. 1:89 BW Pro?;
en bij een bevestigend antwoord op die vraag:
- leidt alsdan een buitengerechtelijke vernietigingsverklaring van voor het tijdstip waarop de in art. 3:316 lid 2 BW Pro bedoelde termijn van zes maanden is verstreken tot hetzelfde rechtsgevolg als het instellen van een nieuwe eis in de zin van die bepaling?
Het antwoord op deze vragen is met name van belang voor het leasecontract dat op 17 oktober 2000 is afgesloten. Op 13 maart 2003 is door Stichting Eegalease namelijk een collectieve procedure gestart, gericht op artikel 1:89 BW Pro, welke procedure heeft geleid tot het, inmiddels onherroepelijke, vonnis van 25 augustus 2004. Binnen de termijn van drie jaren gerekend vanaf de datum van dit vonnis, heeft de echtgenote van [gedaagde] door middel van de brief de overeenkomst vernietigd.
3.1.
De kantonrechter oordeelt als volgt.
Het aan artikel 128 lid 5 Rv Pro. ontleende, processuele bezwaar van Dexia wordt verworpen. De conclusie van antwoord bevat een in algemene termijnen vervat bewijsaanbod, in die zin dat [gedaagde] heeft gesteld dat zijn verweer kan worden bewezen door het doen horen van getuigen, te weten zijn echtgenote en [gedaagde] zelf. Ook heeft [gedaagde] stukken overgelegd ter onderbouwing van zijn standpunt.
Voor zover Dexia zich (ook) op artikel 128 lid 3 Rv Pro. heeft willen beroepen volgt de kantonrechter haar niet in haar verweer. Uit dit artikellid volgt niet, dat [gedaagde] op straffe van verval van het recht daartoe álle principale verweren in de conclusie van antwoord moet vermelden. Deze conclusie dient wel principaal verweer te bevatten, maar als dat het geval is, kan bij dupliek ander/meer principaal verweer worden gevoerd. Dat is in casu het geval.
Geen rechtsregel verplicht [gedaagde], anders dan Dexia stelt, een reconventionele vordering in te stellen.
3.2.
Het gaat, wat het standpunt van [gedaagde] betreft, in deze zaak uitsluitend om de vraag of de vernietigingsbrief van zijn echtgenote effect heeft gesorteerd. Om die vraag correct te kunnen beantwoorden dient het antwoord van de Hoge Raad op de aan hem door het Hof Amsterdam voorgelegde prejudiciële vragen te worden afgewacht. De kantonrechter zal de zaak daarom in afwachting van dat antwoord naar de hierna genoemde rolzitting verwijzen. Alsdan mag Dexia zich eerst uitlaten, zodat zij tevens in staat is te reageren, voor zover nodig, op het bij dupliek gestelde. Vervolgens mag [gedaagde] reageren, waarna opnieuw vonnis zal worden gewezen.
3.3.
Indien het antwoord van de Hoge Raad langer op zich laat wachten, zal uiteraard desgevraagd uitstel worden verleend. Komt het antwoord eerder, dan kan Dexia verzoeken de zaak bij vervroeging op de rol te doen plaatsen.

De beslissing

De kantonrechter:
1. verwijst de zaak naar de rolzitting van
dinsdag 27 oktober 2015 te 09.30 uurvoor uitlating partijen, eerst door Dexia en op een latere rolzitting door [gedaagde];
2. houdt elke andere beslissing aan.
Gewezen door mr. C.H. de Haan, kantonrechter, en in het bijzijn van de griffier uitgesproken in de openbare terechtzitting van 12 mei 2015.