Eiseres ontving vanaf 1987 een bijstandsuitkering en had een niet gemelde ING-bankrekening waarop haar persoonsgebonden budget (pgb) werd gestort. Verweerder beëindigde haar WWB-uitkering per 1 oktober 2013 en vorderde een bedrag van €22.188,86 terug wegens schending van de inlichtingenplicht. Tevens werd een boete opgelegd van €18.429,42, later vastgesteld op €7.074,53.
De rechtbank oordeelde dat eiseres de bankrekening niet tijdig had gemeld en onvoldoende openheid van zaken gaf over haar onderhoud, wat een schending van de inlichtingenplicht oplevert. Dit rechtvaardigde de intrekking van de bijstand en terugvordering. De boete werd echter verminderd omdat opzet of grove schuld niet was aangetoond; de boete werd vastgesteld op €3.942,13.
Verder wees de rechtbank het beroep af tegen het besluit tot afwijzing van een nieuwe aanvraag om bijstand per 21 januari 2014, omdat eiseres onvoldoende controleerbare informatie had verstrekt over haar financiële situatie na beëindiging van de uitkering.
De rechtbank veroordeelde verweerder in de proceskosten en bepaalde dat het griffierecht aan eiseres wordt vergoed. Het hoger beroep kan binnen zes weken worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.