Uitspraak
[X] B.V.te
[Z](hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het
Gerechtshof te Arnhemvan 4 december 2012, nr. 12/00149, betreffende een boetebeschikking.
Hoge Raad
Belanghebbende kreeg een naheffingsaanslag en boete opgelegd over de jaren 2003-2005 en 2006 vanwege onjuiste loonbelastingaangiften. Na bezwaar en beroep werd de boete verminderd, maar het Hof Arnhem weigerde verdere matiging ondanks het negatieve eigen vermogen en beëindiging van bedrijfsactiviteiten.
De Hoge Raad oordeelde dat het Hof ten onrechte het negatieve vermogen buiten beschouwing liet, omdat dit volledig werd veroorzaakt door de naheffingsaanslagen. De financiële draagkracht moet bij boetetoemeting worden betrokken, waarbij de rechter rekening moet houden met de omstandigheden op het moment van het boetebesluit.
De Hoge Raad verwierp het standpunt van de Inspecteur dat het zakelijke karakter van loonbelastingschulden matiging in de weg staat. De zaak wordt terugverwezen naar het Hof ’s-Hertogenbosch voor een nieuwe beoordeling met inachtneming van deze overwegingen.
De Staat wordt veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten in cassatie.
Uitkomst: Hoge Raad vernietigt arrest Hof Arnhem en verwijst zaak terug voor nieuwe beoordeling van boetematiging rekening houdend met financiële draagkracht.