Eiser verzoekt om handhavend op te treden, omdat hij vreest voor precedentwerking.
Eiser stelt dat er geen sprake is van een geringe overtreding, gelet op de overschrijding
van de vergunningvrije hoogte met 86% en gelet op de geringe diepte van de voortuin. Verder is de belangenafweging volgens eiser niet correct geweest, omdat is volstaan met een afweging tussen eisers belangen en de belangen van [belanghebbende]. De afschermende beplanting heeft eiser zelf geplant om het zicht op het lelijke bouwwerk weg te nemen, dus die beplanting mag niet worden aangevoerd om te stellen dat de belangen van [belanghebbende] prevaleren boven eisers belangen. Het HUP 2014 is volgens eiser onverbindend, omdat daarin staat verwoord dat stelselmatig niet wordt opgetreden tegen bepaalde bouwovertredingen.
3.2.2.Tussen partijen is niet in geschil dat het bouwwerk, vanwege de situering voor de voorgevel en de hoogte (van meer dan 1 m), niet kan worden geduid als een vergunningsvrije erfafscheiding in de zin van artikel 2, onder 12, van bijlage II van het Bor. De rechtbank onderschrijft dit standpunt.
De bestemming van het deel van het perceel waarop de waaier/erfafscheiding is geplaatst is “Tuinen” volgens het bestemmingsplan “Colmschate-Zuid”. De rechtbank onderschrijft het gedeelde standpunt van partijen dat het bouwwerk, voor wat betreft de situering voor de voorgevel in combinatie met de hoogte van het bouwwerk, in strijd is met het bestemmingsplan. De rechtbank onderschrijft niet het standpunt van eiser dat het bouwwerk eveneens in strijd is met de gebruiksregels van het bestemmingsplan. Naar het oordeel van de rechtbank is een erfafscheiding in overeenstemming met gebruik als tuin.
Nu voor het plaatsen van de waaier/erfafscheiding een omgevingsvergunning voor de activiteiten ‘bouwen’ en ‘strijd met het bestemmingsplan’ is vereist en deze niet is verleend, heeft [belanghebbende] het bepaalde in artikel 2.1, eerste lid, onder a en c, van de Wabo overtreden. Verweerder is in beginsel bevoegd om hiertegen handhavend op te treden.
Gelet op het algemeen belang dat is gediend met handhaving zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met een last onder bestuursdwang of dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd dit niet te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet zicht op legalisatie bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.
Tussen partijen is niet in geschil dat er geen concreet zicht op legalisatie bestaat.
Tussen partijen is wel in geschil of handhavend optreden in de voorliggende situatie onevenredig is.
De rechtbank onderschrijft het standpunt van verweerder dat sprake is van een overtreding van zeer geringe aard en ernst. Ten eerste is er immers sprake van een bouwwerk van geringe omvang, in de vorm van een kwart cirkel, waarbij het langste deel ongeveer 1/3 van de voortuin bestrijkt. Hierdoor heeft het deel van het bouwwerk dat de vergunningsvrije hoogte van 1 m overschrijdt een oppervlakte van slechts 0,8 m². Ten tweede heeft het bouwwerk een geringe visuele uitstraling, zowel vanaf de openbare weg als vanaf het perceel van eiser.
Voorts is naar het oordeel van de rechtbank niet gebleken dat de belangen van derden worden geschaad door het achterwege blijven van handhavend optreden en heeft eiser naar het oordeel van de rechtbank niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn belangen door de aanwezigheid van de waaier worden geschaad.
Daartoe overweegt de rechtbank allereerst dat zowel eiser als [belanghebbende] tijdens de hoorzittingen afzonderlijk van elkaar hebben verklaard dat er 4,5 jaren geleden overleg is geweest over het plaatsen van de waaier. Eiser is met deze plaatsing akkoord gegaan, mits de waaier niet op de erfafscheiding zou worden geplaatst. [belanghebbende] heeft vervolgens de waaier op eigen terrein geplaatst. Er zijn destijds geen verzoeken om handhaving dan wel klachten van eiser of derden ingediend. Het verzoek om handhaving is blijkens de stukken kennelijk ingegeven door een (ruim) nadien gerezen geschil over een op te richten erfafscheiding aan de achterzijde tussen de percelen van eiser en [belanghebbende].
Voorts heeft eiser verklaard dat zijn verzoek om handhaving is ingegeven door de wens precedentwerking te voorkomen, onder meer in het licht van de onvrede over een schutting in de achtertuin. Dit heeft eiser ter zitting nader toegelicht. Eiser is van mening dat [belanghebbende] telkenmale bouwwerkzaamheden in zijn woning uitvoert. Eiser wil met zijn verzoek om handhaving het signaal aan [belanghebbende] afgeven dat hij moet ophouden met het uitvoeren van inpandige werkzaamheden zonder te beschikken over de vereiste omgevingsvergunningen. Verder stelt eiser dat [belanghebbende] gluurt, ook getuige de foto’s die zich in het dossier bevinden. De waaier zou gelegenheid bieden te gluren.
Het verwijderen of aanpassen van de waaier neemt naar het oordeel van de rechtbank de genoemde onvrede niet weg en kan de wens van eiser om de bedoelde precedentwerking te voorkomen niet vervullen. Eiser kan met zijn verzoek om handhaving ook niet afdwingen dat [belanghebbende] allerlei omgevingsvergunningen zal (moeten) aanvragen, die niet zien op de waaier. Daar komt bij dat ter zake afzonderlijke handhavingstrajecten kunnen worden gevolgd, zoals bijvoorbeeld ten aanzien van de schutting in de achtertuin.
Eiser heeft naar het oordeel van de rechtbank voorts niet aannemelijk gemaakt dat de hinder die hij van de waaier stelt te ondervinden groter is dan wanneer de gewraakte erfafscheiding in de voortuin volledig aan de voorschriften zou voldoen. Ook dan zou immers bijvoorbeeld nog kunnen worden gegluurd, wat daar verder van zij.
Dat eiser de waaier lelijk vindt, heeft verweerder onder de geschetste omstandigheden niet doorslaggevend behoeven te vinden, mede nu de waaier begroeid is. Dat eiser deze beplanting heeft aangebracht, maakt dit niet anders.
3.2.3.Desgevraagd heeft eiser verder meegedeeld dat er geen soortgelijke waaiers in de nabije omgeving van zijn woning zijn geplaatst. In zijstraten heeft eiser wel soortgelijke waaiers gezien. Hoe dan ook heeft eiser, voor zover hij heeft willen betogen dat verweerder in strijd met het gelijkheidsbeginsel niet handhavend is opgetreden, dit betoog niet voldoende onderbouwd.
3.2.4.Gelet op vorenstaande oordeelt de rechtbank dat verweerder zich in dit geval in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat hij niet behoefde op te treden.
4. Het beroep is ongegrond.
5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.