In deze beschikking van 20 mei 2016 behandelt de kantonrechter van de Rechtbank Overijssel een verzoek tot het stellen van prejudiciële vragen aan de Hoge Raad over de mogelijkheid en voorwaarden van voorwaardelijke ontbinding van een arbeidsovereenkomst.
De procedure betreft een geschil tussen Mediant, een geestelijke gezondheidszorgstichting, en een werknemer die een verzoek tot vernietiging van een ontslag op staande voet heeft ingediend. De kantonrechter weegt de standpunten van partijen en recente arresten van het hof ’s-Hertogenbosch en het hof Arnhem-Leeuwarden, die uiteenlopende visies geven op de mogelijkheid van voorwaardelijke ontbinding in dergelijke situaties.
De kantonrechter concludeert dat ondanks de wens van werkgever voor een snelle afhandeling, het stellen van prejudiciële vragen aan de Hoge Raad noodzakelijk is om rechtszekerheid te verkrijgen over de ontvankelijkheid van een verzoek tot voorwaardelijke ontbinding, de toepasselijkheid van het bewijsrecht en de voorwaarden waaronder ontbinding kan plaatsvinden.
De vragen betreffen onder meer de ontvankelijkheid van een werkgever in een dergelijk verzoek, de gevolgen van lopende verzoeken tot vernietiging van ontslag op staande voet, en de relevantie van verschillende ontbindingsgronden. De beschikking draagt de griffier op een afschrift aan de Hoge Raad te zenden en houdt verdere beslissingen aan.