ECLI:NL:RBOVE:2016:3128
Rechtbank Overijssel
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing bestuurdersaansprakelijkheid na ontzenuwing vermoeden onbehoorlijk bestuur in faillissement
De curator vorderde bestuurdersaansprakelijkheid wegens kennelijk onbehoorlijk bestuur dat het faillissement van de vennootschap zou hebben veroorzaakt. De rechtbank bevestigde het vermoeden van onbehoorlijk bestuur op grond van artikel 2:248 lid 2 BW Pro, maar gaf gedaagde de gelegenheid tegenbewijs te leveren.
Gedaagde voerde aan dat het intrekken van de exploitatievergunning door de gemeente Almelo een belangrijke oorzaak van het faillissement was. Hij toonde aan dat hij en zijn dochter diverse maatregelen hadden genomen om geluidsoverlast te beperken en aan de eisen van de gemeente te voldoen. Getuigen bevestigden deze inspanningen en het feit dat het café voldeed aan de normen.
De rechtbank concludeerde dat gedaagde geen verwijt kan worden gemaakt en dat het faillissement onvermijdelijk was door het intrekken van de vergunning. Het wettelijk vermoeden van onbehoorlijk bestuur werd ontzenuwd, waardoor het bewijsrisico bij de curator terugkeert. De curator kon geen aanvullende feiten aanvoeren om bestuurdersaansprakelijkheid te onderbouwen.
De vorderingen van de curator tot bestuurdersaansprakelijkheid werden daarom afgewezen. Wel werden de vorderingen met betrekking tot pauliaanse rechtshandelingen toegewezen. De vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke kosten werd afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing. Proceskosten werden gecompenseerd.
Uitkomst: De bestuurdersaansprakelijkheidsvorderingen werden afgewezen omdat gedaagde het vermoeden van onbehoorlijk bestuur ontzenuwd had.