ECLI:NL:RBOVE:2016:3681
Rechtbank Overijssel
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkverklaring beroep wegens misbruik van recht bij Wob-verzoek
Eiser heeft een beroep ingesteld tegen een besluit van de minister van Veiligheid en Justitie inzake een Wob-verzoek om informatie over een verkeersboete. De minister had het bezwaar van eiser aanvankelijk niet-ontvankelijk verklaard, maar dit besluit later herzien en het bezwaar alsnog gegrond verklaard. Eiser stelde vervolgens beroep in bij de rechtbank.
De rechtbank onderzocht of sprake was van misbruik van recht, omdat de minister in het verweerschrift stelde dat het beroep niet-ontvankelijk moest worden verklaard wegens misbruik van procesrecht. Uit het dossier bleek dat de gemachtigde van eiser veelvuldig gebruikmaakt van Wob-verzoeken en procedures, vaak met algemeen geformuleerde machtigingen. Het Wob-verzoek was ingediend in verband met een verkeersboete en had als doel de gegevens te verkrijgen om de boete aan te vechten, niet om informatie openbaar te maken.
De rechtbank oordeelde dat de gemachtigde bewust de Wob gebruikte als grondslag, terwijl er specifiekere wettelijke mogelijkheden zijn voor belanghebbenden in verkeerszaken. Het verzoek was vaag en onbegrensd, waardoor het bestuursorgaan onnodig werd belast en besluitvorming werd bemoeilijkt. Bovendien was het beroep tegen de verkeersboete niet ontvankelijk verklaard, maar werd de Wob-procedure toch voortgezet. De rechtsbijstand werd verleend op no cure no pay-basis, waardoor de gemachtigde direct baat had bij een proceskostenvergoeding.
De rechtbank concludeerde dat de bevoegdheid om Wob-verzoeken in te dienen en beroep in te stellen is misbruikt voor een ander doel dan waarvoor deze is gegeven, hetgeen blijk geeft van kwade trouw. Daarom verklaarde de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk en wees een proceskostenvergoeding af.
Uitkomst: Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens misbruik van recht bij het indienen van het Wob-verzoek.