Uitspraak
RECHTBANK OVERIJSSEL
[verdachte] ,
- het onderzoek ter terechtzitting schorst voor
- de uiterste termijn waarbinnen het onderzoek ter terechtzitting moet worden hervat stelt op drie maanden om de klemmende reden dat hervatting van het onderzoek binnen één maand niet mogelijk is als gevolg van de omstandigheid dat gelet op het volle zittingsrooster van de rechtbank, binnen één maand geen zittingsruimte beschikbaar is;
- bepaalt dat de inhoudelijke behandeling zal plaatsvinden op 31 januari 2017 en 1 februari 2017, met een uitloopdag op 2 februari 2017;
- de stukken in handen stelt van de rechter-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in deze rechtbank, teneinde de nog niet gehoorde getuigen te horen;
- het verzoek tot opheffing van de voorlopige hechtenis c.q. schorsing van de voorlopige hechtenis afwijst, omdat de ernstige bezwaren tegen de verdachte en de gronden die aan het bevel tot voorlopige hechtenis ten grondslag liggen nog onverkort aanwezig zijn, en de rechtbank geen aanleiding ziet de voorlopige hechtenis van verdachte thans op te heffen op grond van artikel 67a, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering, gelet op de aard en de omvang van de feiten en de bedragen die ermee gemoeid zijn, en niet, althans onvoldoende, is gebleken van feiten en/of omstandigheden die een schorsing van de voorlopige hechtenis zouden kunnen rechtvaardigen. De aangeboden borgsom staat niet in verhouding tot het vluchtgevaar en het recidivegevaar. De rechtbank is van oordeel dat het strafvorderlijk belang bij voortduring van de voorlopige hechtenis zwaarder dient te wegen dan het persoonlijk belang van verdachte bij schorsing daarvan.