Uitspraak
RECHTBANK OVERIJSSEL
[naam 3], te Wierden, verzoeker,
Rechtbank Overijssel
De burgemeester van Wierden heeft op 22 december 2016 de drank- en horecavergunningen voor twee horecagelegenheden in Wierden ingetrokken, met ingang van 14 dagen na bekendmaking. Verzoeker, eigenaar en exploitant van deze horecagelegenheden, heeft hiertegen bezwaar gemaakt en verzocht om voorlopige voorzieningen. De voorzieningenrechter heeft op 12 januari 2017 de zaak behandeld en het verzoek afgewezen.
De intrekking van de vergunningen in Wierden is gebaseerd op het feit dat eerder de vergunning voor een horecagelegenheid in Hengelo, eveneens van verzoeker, was ingetrokken wegens overtredingen. De burgemeester van Wierden was op grond van de Drank- en Horecawet (DHW) en het Besluit eisen zedelijk gedrag verplicht de vergunningen in Wierden in te trekken. Verzoeker kon niet aannemelijk maken dat hem geen verwijt treft voor de sluiting van de horecagelegenheid in Hengelo.
De voorzieningenrechter oordeelde dat verzoeker als leidinggevende verantwoordelijk is voor het handelen van zijn personeel en dat het geven van instructies niet ontslaat van die verantwoordelijkheid. Ook was de koppeling van de intrekking niet in strijd met de DHW of het Besluit. Verder werd geoordeeld dat het feit dat bezwaar en beroep tegen de intrekking in Hengelo lopen, niet relevant is voor de intrekking in Wierden. Verzoeker’s argumenten over onrechtmatige gegevensverstrekking en schending van het fair-play-beginsel werden verworpen.
De voorzieningenrechter wees het verzoek om voorlopige voorziening af en liet de intrekkingsbesluiten onverkort van kracht. Tegen deze uitspraak is geen rechtsmiddel mogelijk.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de intrekking van de drank- en horecavergunningen wordt afgewezen.