ECLI:NL:RBOVE:2017:1765

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
29 maart 2017
Publicatiedatum
25 april 2017
Zaaknummer
08/130309-14
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 591a SvArt. 9a SrArt. 348 SvArt. 350 Sv
Verwijzingen
6 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek vergoeding kosten verdediging na sepot strafzaak

De rechtbank Overijssel behandelde een verzoek op grond van artikel 591a Sv van een verdachte die vergoeding vroeg voor kosten van rechtsbijstand na een strafzaak die definitief werd geseponeerd.

De zaak was beëindigd met een beleidssepot vanwege een geregeld conflict tussen twee families, waarbij de verdachte zelf mede verantwoordelijk werd gehouden voor de escalatie. De officier van justitie stelde dat geen sprake was van een onmiskenbare vrijspraak en dat het verzoek tot vergoeding daarom moest worden afgewezen.

De raadkamer stelde vast dat het verzoek tijdig en ontvankelijk was, maar oordeelde dat geen billijkheidsggrond bestond om de kosten van de verdediging te vergoeden. Wel werd een vergoeding toegekend voor het opmaken en indienen van het verzoekschrift, conform de normbedragen van het LOVS, omdat een soortgelijk verzoek eerder deels was gehonoreerd.

De beschikking werd uitgesproken door voorzitter Hendriks op 29 maart 2017. De vergoeding van €280,- wordt betaald uit de staatsschuld.

Uitkomst: Verzoek tot vergoeding kosten verdediging afgewezen, wel vergoeding voor opmaken en indienen verzoekschrift toegekend.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Afdeling Strafrecht
Zittingsplaats Almelo
Parketnummer: 08/130309-14
Verzoekschriftnummer: 17/363
Beschikking van de enkelvoudige raadkamer op het verzoekschrift op grond van artikel 591a Sv van:
[verzoeker] ,
geboren op [geboortedatum] 1956 in [geboorteplaats] ,
wonend te [woonplaats] .

1.Het verloop van de procedure

Het verzoekschrift, gedateerd 17 januari 2017, is op 17 januari 2017 op de griffie van de rechtbank ontvangen. Het is ondertekend en ingediend door verzoeker, bijgestaan door
mr. J.W. Stegeman, advocaat te Almelo.
Het verzoek strekt tot het op grond van artikel 591a Sv toekennen van een vergoeding van € 974,78 en € 205,22 (totaal € 1180,=) voor de kosten van de raadsman en € 550,- voor de kosten van het opstellen, indienen en bijwonen van de behandeling ter zitting van het verzoekschrift en een bedrag van € 280,- in het geval verschijning niet nodig is.
Het verzoekschrift is behandeld op de openbare zitting van de raadkamer van 29 maart 2017.
Bij de behandeling zijn de officier van justitie mr. J.R. Klunder, veroordeelde en de raadsman gehoord.
De raadkamer heeft kennis genomen van de door de officier van justitie overgelegde schriftelijke reactie d.d. 7 februari 2017.

2.De standpunten van verzoeker en de raadsman en de officier van justitie

Het standpunt van de officier van justitie luidt samengevat als volgt. De strafzaak tegen verzoeker is op 22 december 2015 voorwaardelijk geseponeerd en op 12 januari 2017 definitief geëindigd met een sepotbeslissing van het Openbaar Ministerie. Niet tijdsverloop maar het feit dat de verhouding met de benadeelde partij goed geregeld was, gaf aanleiding tot dit beleidssepot. Aangezien geen sprake was van een zaak die onmiskenbaar zou hebben geleid tot vrijspraak en het aldus aan verzoeker zelf te wijten is, dat hij als verdachte is aangemerkt, dient het verzoek tot vergoeding van de kosten van rechtsbijstand te worden afgewezen.

3.De ontvankelijkheid

Het verzoekschrift is tijdig ingediend. De raadkamer stelt vast dat het verzoekschrift ook overigens ontvankelijk is. De raadkamer heeft daarbij acht geslagen op jurisprudentie van de Hoge Raad, NJ 2013/402, bevestigd in HR 22-9-2015, NJ 2016/6. Daaruit volgt dat de in art. 591a, tweede lid, Sv neergelegde voorwaarde voor het toekennen van een vergoeding voor de kosten van een raadsman dat de zaak is geëindigd zonder oplegging van straf of maatregel en zonder dat toepassing is gegeven aan art. 9a Sr, naar de bedoeling van de wetgever niet betekent dat de zaak dient te zijn geëindigd door een rechterlijke einduitspraak in de zin van art. 348 en Pro 350 Sv. Ook na andere wijzen van beëindiging van de zaak bestaat op de voet van art. 591a, tweede lid, Sv de mogelijkheid tot het toekennen van een vergoeding voor de kosten van de verdediging.

4.De beoordeling

Op grond van de stukken en de behandeling op de zitting stelt de raadkamer het volgende vast.
Het verzoek op grond van artikel 591a Sv
Vast staat dat het Openbaar Ministerie op 12 januari 2017 aan verzoeker een sepotbeslissing heeft gestuurd waarmee de strafzaak tegen verzoeker definitief geëindigd is.
Uit de onderliggende stukken blijkt dat het een conflict betreft tussen twee families.
Uit de verklaring van een onafhankelijke getuige, genaamd [getuige] , kan worden afgeleid dat verzoeker en zijn familie provocerend gedrag heeft vertoond in de richting van de familie [naam] en aldus een rol heeft gehad in het escaleren van het conflict. Daaruit volgt dat het mede aan verzoeker zelf te wijten is geweest dat hij als verdachte is aangemerkt. Louter vanwege opportuniteitsoverwegingen gelegen in het feit dat de verhouding tot de benadeelde zou zijn geregeld, heeft de officier van justitie besloten de strafzaak tegen verzoeker voorwaardelijk te seponeren met een proeftijd van één jaar. Onder die omstandigheden acht de raadkamer geen gronden van billijkheid aanwezig om aan verzoeker een vergoeding toe te kennen voor de kosten van de verdediging.
Wel kent de raadkamer in dit geval op grond van billijkheid een vergoeding toe voor de kosten voor het opmaken en indienen van het verzoekschrift, volgens de normbedragen zoals die voor dit soort verzoeken door het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) zijn vastgesteld, zijnde een bedrag van € 280,- in plaats van € 550,=. De reden daarvan is dat aan verzoeker bij beschikking van 25 mei 2016 ook al een bedrag van € 280,= was toegekend in verband met het opstellen van een soortgelijk verzoek als het onderhavige waarbij verzoeker destijds niet ontvankelijk verklaard werd omdat op dat moment in verband met het voorwaardelijk sepot nog niet gezegd kon worden dat de zaak was geëindigd zonder oplegging van straf of maatregel. Noch verzoeker noch zijn raadsman waren op 25 mei 2016 verschenen zodat in dat geval een bedrag van € 280,= is toegekend.

5.De beslissing

De raadkamer:
  • kent op grond van artikel 591a Sv aan verzoeker ten laste van de Staat een vergoeding toe van € 280,-;
  • beveelt dat na het onherroepelijk worden van deze beschikking de schadevergoeding door de griffier betaald wordt, door overboeking van het bedrag op de bankrekening met het nummer [rekeningnummer] ten name van De Stichting Beheer Derdengelden Daniels Huisman Advocaten;
- wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. B.W.M. Hendriks, voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. J.A. Krooshof, griffier, ondertekend door de voorzitter en de griffier en in het openbaar uitgesproken op 29 maart 2017.