Uitspraak
RECHTBANK OVERIJSSEL
wonende te [woonplaats] ,
wonende te [woonplaats] ,
Rechtbank Overijssel
Partijen zijn betrokken bij een huurovereenkomst voor bedrijfsruimte die per 1 april 2015 is ingegaan. De verhuurder heeft de huurovereenkomst opgezegd met inachtneming van een opzegtermijn van drie maanden en vordert ontruiming van het gehuurde. De huurder betwist de opzegging en stelt dat hij een investering van € 25.000,- in het pand heeft gedaan en dat de verhuurder tekortschiet in het herstel van gebreken, waardoor hij een deel van de huur heeft opgeschort.
In kort geding vordert de verhuurder ontruiming binnen drie dagen, maar de voorzieningenrechter stelt dat een dergelijke vordering alleen kan worden toegewezen als het zeer waarschijnlijk is dat de huurovereenkomst in de bodemprocedure wordt ontbonden en ontruiming wordt toegewezen. Dit is niet het geval, mede omdat de bodemprocedure nog loopt en daar een uitgebreider onderzoek kan plaatsvinden.
De voorzieningenrechter overweegt dat de huurachterstand op zichzelf geen voldoende grond is voor ontruiming in kort geding. Gezien het ingrijpende karakter van ontruiming en de onherstelbare gevolgen daarvan, is het niet passend om in kort geding een beslissing te nemen die mogelijk strijdig is met de bodemuitspraak.
Daarom wordt de vordering afgewezen en wordt de verhuurder veroordeeld in de proceskosten van de huurder. De uitspraak is gedaan door kantonrechter P.L. Alers op 28 juni 2017.
Uitkomst: De vordering tot ontruiming van de bedrijfsruimte wordt afgewezen wegens onvoldoende spoedeisend belang.