BALR B.V., houdster van het BALR-merk, ontdekte via een controle dat een kledingwinkelier namaak BALR-t-shirts verkocht. Ondanks meerdere sommatiebrieven weigerde de winkelier de inbreuk te staken en geen informatie te verstrekken over leveranciers en afnemers.
BALR vorderde in kort geding een verbod op het gebruik van het merk, dwangsommen bij overtreding, en opgave van inkoop- en verkoopgegevens vanaf 1 januari 2017. De winkelier erkende de inbreuk, maar stelde onwetend te zijn over de namaak en verzweeg zijn leverancier uit vrees voor inkoopproblemen.
De voorzieningenrechter oordeelde dat het spoedeisend belang voldoende was aangetoond en dat de inbreuk vaststond. Het gevorderde verbod en de dwangsommen werden toegewezen, evenals de opgaveplicht over de periode vanaf 1 januari 2017. De winkelier werd veroordeeld in de proceskosten. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad en de termijn voor een bodemprocedure werd vastgesteld op zes maanden.