ECLI:NL:RBOVE:2017:4672

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
1 december 2017
Publicatiedatum
19 december 2017
Zaaknummer
C/08/182542 / FA RK 16-346
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:266 lid 1 sub a BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beëindiging ouderlijk gezag moeder en benoeming gecertificeerde instelling tot voogd

De rechtbank Overijssel heeft op 1 december 2017 uitspraak gedaan in een zaak betreffende de beëindiging van het ouderlijk gezag van de moeder over haar minderjarige kind, geboren in 2015 in het buitenland. De Raad voor de Kinderbescherming had verzocht het gezag te beëindigen en de gecertificeerde instelling Leger des Heils Jeugdbescherming & Reclassering (GI) tot voogd te benoemen.

Uit het onderzoek van de raad bleek dat de moeder instabiel is, slecht bereikbaar en onbetrouwbaar in het verstrekken van informatie over het kind. Zij verleent geen medewerking aan noodzakelijke onderzoeken, zoals het DNA-onderzoek voor het vaststellen van het vaderschap. De minderjarige woont sinds juni 2016 in een pleeggezin waar zij zich goed ontwikkelt. De moeder onttrekt zich aan hulpverlening en er is geen passende omgangsregeling tot stand gekomen.

De rechtbank onderschrijft de bevindingen van de raad en oordeelt dat aan de wettelijke gronden voor gezagsbeëindiging is voldaan. Het belang van de minderjarige vereist duidelijkheid en continuïteit in de zorg. Daarom wordt het gezag van de moeder beëindigd en wordt de GI benoemd tot voogd. De rechtbank benadrukt het belang van het opbouwen van een vertrouwensband tussen het kind en haar ouders en andere belangrijke personen, waarvoor het vaderschap zo spoedig mogelijk moet worden vastgesteld.

Uitkomst: Het ouderlijk gezag van de moeder wordt beëindigd en de gecertificeerde instelling wordt benoemd tot voogd over de minderjarige.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team Familierecht en Jeugdrecht
Zittingsplaats Almelo
zaaknummer: C/08/182542 / FA RK 16-346
beschikking van de meervoudige kamer voor burgerlijke zaken d.d. 1 december 2017
inzake
Raad voor de Kinderbescherming,
gevestigd te Almelo,
verzoeker,
hierna ook de raad te noemen,
met betrekking tot de minderjarige
[minderjarige], geboren op [2015] te [geboorteplaats] , [land 1] ,
verder [minderjarige] te noemen.
Belanghebbende is:
[X] ,
verder te noemen: de moeder,
wonende te [woonplaats] ,
advocaat: mr. J.D. Onland.
Als overige belanghebbende is aangemerkt:
de gecertificeerde instelling stichting Leger des Heils Jeugdbescherming & Reclassering, verder te noemen de GI.

1.Het procesverloop

De rechtbank heeft kennisgenomen van de inhoud van de navolgende stukken:
de beschikking van 24 juni 2016;
het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 17 februari 2017;
de beschikking van 28 februari 2017;
het rapport van de raad, ontvangen op 10 februari 2017;
de brief met bijlagen van mr. E.C. Weijsenfeld, bijzondere curator, ontvangen op
14 september 2017.
De voortzetting van de mondelinge behandeling van de onderhavige zaak heeft plaatsgevonden ter zitting met gesloten deuren 3 november 2017 ten overstaan van de meervoudige kamer voor burgerlijke zaken.
Ter zitting zijn verschenen en gehoord:
 mevrouw J. Slot namens de raad;
 mr. Onland namens de moeder;
 mevrouw A. Bekke en mevrouw L. Koop namens de GI;

2.Nadere vaststaande feiten

Uit de bijlagen bij de brief van mr. Weijsenfeld blijkt dat de minderjarige is genaamd:
[minderjarige], geboren op [2015] te [geboorteplaats] , [land 1] .
Zij is staatsburger van de republiek [land 1] .

3.De verdere beoordeling

3.1.
De rechtbank neemt hier over al hetgeen is vastgesteld, overwogen en beslist in de beschikking van 28 februari 2017.
3.2.
De rechtbank is van oordeel dat uit de stukken en uit hetgeen tijdens de zitting naar voren is gebracht, voldoende is gebleken dat in het geval van [minderjarige] sprake is van een situatie waarin wordt voldaan aan de wettelijke gronden voor gezagsbeëindiging en waarin gezagsbeëindiging ook in haar belang is te achten.
3.3.
De raad heeft een nader onderzoek verricht naar de situatie van [minderjarige] . Gebleken is dat moeder instabiel, slecht bereikbaar is en onbetrouwbaar is in het geven van informatie over [minderjarige] . Grote zorgen zijn er op dit moment over het functioneren van moeder, waarbij zij op geen enkele wijze invulling geeft aan het ouderlijk gezag. Gebleken is ook dat het niet lukt om tot een passende omgangsregeling tussen moeder en [minderjarige] te komen. Tijdens de zitting van 3 november 2017 is gebleken dat moeder al langere tijd niet bereikbaar is voor de GI en voor haar advocaat. Wel is bekend dat moeder zwanger is en het vermoeden bestaat dat zij in [land 1] of [land 2] verblijft. Belangrijke beslissingen voor [minderjarige] kunnen niet genomen worden, waaronder het aanvragen van verblijfsdocumenten en een burgerservicenummer. Een onderzoek naar het vaderschap van [minderjarige] is niet van de grond gekomen omdat moeder geen medewerking verleent aan een DNA-onderzoek.
3.4.
[minderjarige] woont sinds 3 juni 2016 in haar huidige pleeggezin. De raad constateert dat [minderjarige] zich binnen dat pleeggezin goed en leeftijdsadequaat ontwikkelt en dat zij een positieve ontwikkeling laat zien. De raad is van mening dat de huidige plaatsing op korte en op lange termijn tegemoet komt aan wat [minderjarige] nodig heeft. De verwachting is niet dat moeder de opvoeding en verzorging van de [minderjarige] zelfstandig weer ter hand kan nemen, zeker niet binnen een voor [minderjarige] aanvaardbare termijn. Moeder onttrekt zich aan iedere vorm van hulpverlening. De rechtbank onderschrijft de bevindingen en conclusies van de raad en maakt deze tot de hare. Naar het oordeel van de rechtbank is voldaan aan het bepaalde in artikel 1:266 lid 1 onder Pro a van het Burgerlijk Wetboek (BW) en daarom zal het verzoek van de raad tot gezagsbeëindiging van de moeder worden toegewezen.
3.5.
Met de gezagsbeëindiging ontstaat voor alle betrokkenen duidelijkheid. [minderjarige] heeft er recht op en belang bij dat vastgesteld wordt dat zij verder mag opgroeien in het pleeggezin.
3.6.
De rechtbank zal eveneens het verzoek van de raad om de GI als voogd te benoemen toewijzen. Nu de GI zich bereid heeft verklaard de voogdij op zich te nemen, wordt dienovereenkomstig beslist.
3.7.
De rechtbank vertrouwt erop dat de GI blijvend oog zal hebben voor het vormgeven van een vertrouwensband tussen [minderjarige] en haar ouders en andere belangrijke mensen uit haar leven. Met het oog daarop is het van belang dat zo spoedig mogelijk helderheid ontstaat over het vaderschap van [minderjarige] , zodat duidelijk wordt wie die andere belangrijke mensen zijn.

4.De beslissing

De rechtbank:
4.1.
beëindigt het ouderlijk gezag van
[X], geboren [1992] , geboorteplaats onbekend, over de minderjarige:
[minderjarige], geboren op [2015] te [geboorteplaats] , [land 1] .
4.2.
benoemt tot voogd over de minderjarige de gecertificeerde instelling Leger des Heils Jeugdbescherming & Reclassering;
4.3.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven te Almelo door mr. J.H. Olthof, mr. C. Verdoold en
mr. I. Sumner, allen tevens kinderrechter, en is in het openbaar uitgesproken op
1 december 2017 in tegenwoordigheid van H.E. Abbink, griffier.