Uitspraak
RECHTBANK OVERIJSSEL
[B], gevestigd te [vestigingsplaats] ,
1.[gedaagde 1] ,
1.De procedure
- de dagvaarding
- de conclusie van antwoord
- de conclusie van repliek tevens houdende akte vermeerdering grondslag en wijziging van eis
- de conclusie van dupliek tevens houdende akte overlegging producties
- de akte uitlating producties van de curator
- de akte uitlating producties van [gedaagde 1] c.s.
2.De feiten
vernietigik hierbij de onder 9.1. vermelde rechtshandelingen. (…)
Ik stel u derhalve op grond van artikel 2:248 BW Pro en artikel 2:9 BW Pro aansprakelijk voor het tekort in de boedel.Het totaal van de crediteuren is gelijk aan het boedeltekort en bedraagt thans € 673.883,31. (…)
3.Het geschil
- dat de door de curator bij brief d.d. 6 juli 2016 ingeroepen vernietiging op grond van faillissementspauliana gegrond is;
- dat bij akten d.d. 19 september 2014 en 24 september 2014 geen pandrecht is gevestigd tussen [B] als pandgever en [gedaagde 1] als pandhouder;
- dat bij akte d.d. 28 september 2015 geen van artikel 3:251 lid 1 BW Pro afwijkende verkoop is overeengekomen tussen [B] , Quinteva Materieel B.V. en [gedaagde 1] ;
- dat de activa van [B] niet krachtens een koopovereenkomst is geleverd aan Quinteva Materieel B.V.;
- dat [gedaagde 1] zijn taak als bestuurder van [B] kennelijk onbehoorlijk heeft vervuld als bedoeld in artikel 2:248 BW Pro;
- dat deze kennelijk onbehoorlijke taakvervulling van gedaagde een belangrijke oorzaak van het faillissement van [B] is geweest;
- dat [gedaagde 1] voor het tekort in de faillissementsboedel van [B] aansprakelijk is;
- om binnen 14 dagen na betekening van het vonnis over te gaan tot afgifte aan de curator van al de activa en al de bedrijfsmiddelen, welke zijn vermeld in het taxatierapport d.d. 6 augustus 2015, opgesteld door de heer [D] en [E] , werkzaam bij [X] met een getaxeerde waarde van € 92.350,-- (exclusief BTW), welke zaken aan haar zijn geleverd krachtens de koopovereenkomst welke is vermeld in de ‘akte ex. art. 251 Wetboek Pro van Burgerlijke Rechtsvordering’;
- om binnen 14 dagen na dagtekening van deze brief over te gaan tot afgifte van de licenties Tekla en Liemar, aan de curator, welke licenties blijkens de factuur d.d. 1 oktober 2015 aan haar zijn verkocht voor het bedrag van € 45.000,--;
- om binnen 14 dagen na betekening van het in deze zaak te wijzen vonnis over te gaan tot afgifte aan de curator van de voorraad, welke blijkens de factuur d.d. 1 oktober 2015 is verkocht aan Quinteva Materieel B.V. voor het bedrag van € 20.000,--;
- ex artikel 6:203 BW Pro tot vergoeding van de waarde van de voorraad aan de curator, indien de voorraad door Quinteva Materieel B.V. is verbruikt en om die reden niet kan worden afgegeven, met dien verstande dat de waarde van de voorraad op het moment dat deze door Quinteva werd ontvangen wordt begroot op het bedrag van € 41.000,--, dan wel een in goede justitie te bepalen bedrag;
- betaling aan de curator van de schulden in het faillissement van [B] , voor zover deze niet door vereffening van de overige baten kunnen worden voldaan zoals deze schuldenlast zal blijken te zijn na verificatie in dit faillissement en te vermeerderen met de boedelschulden waaronder begrepen het salaris van de curator en de overige faillissementskosten;
- betaling aan de curator van een bedrag van € 500.000,-- (zegge: vijfhonderd duizend euro) bij wijze van voorschot op de betaling waartoe gedaagde op grond van het voorgaande zal zijn gehouden;
- betaling aan de curator van de proceskosten, de beslagkosten daaronder begrepen, vermeerderd met de nakosten en wettelijke rente.
4.De beoordeling
rechtshandelingenvan
[B]. Enkel deze rechtshandelingen komen dus (eventueel) in aanmerking voor vernietiging op grond van artikel 42 Fw Pro.
het faillissementen
een tekort daarinmet een redelijke mate van waarschijnlijkheid waren te voorzien (HR 22 december 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI8493, ABN AMRO Bank/mr. Van Dooren q.q. III). Van wetenschap van benadeling is ook sprake als partijen – bewust of onbewust – hun ogen hebben gesloten voor de benadeling. Daarnaast kan uit het arrest ABN AMRO/Van Dooren q.q. III worden afgeleid dat het 'behoorde te weten' onder omstandigheden een onderzoeksplicht voor partijen meebrengt.
dussteeds beter ging met [B] . Dit staat immers haaks op de overige stellingen van [gedaagde 1] c.s. in dit kader en op het hiervoor genoemde besluit van [gedaagde 1] in februari 2015 om een herstructurering door te voeren. Volgens de jaarrekeningen van 2013 en 2014 gaat het overigens slechts om een relatief beperkte schuldenreductie (van € 1.173.004,00 naar € 1.012.743,00). [gedaagde 1] c.s. heeft verder aangevoerd dat [gedaagde 1] , als bestuurder van [B] , de intentie en verwachting had om met alle crediteuren, waaronder [G] en [H] (de twee grootste), tot een vergelijk over het aflossen van de schulden te komen. Dat die verwachting gerechtvaardigd was is echter niet gebleken. De curator heeft gemotiveerd gesteld dat [H] slechts
overwooggenoegen te nemen met 10% van haar vordering, dat de door [A] verstrekte garantie/hoofdelijke aansprakelijkheid ten gunste van [G] en [H] hen in feite niets opleverde aangezien [A] geen verhaal bood en dat [gedaagde 1] de door hem (in privé) aan [G] verstrekte borgstelling – van overigens slechts € 25.000,00 – heeft vernietigd waarna hij en [G] ter zake een schikking hebben getroffen voor € 12.000,00. [gedaagde 1] c.s. geeft overigens zelf ook aan dat deze crediteuren het inlopen op de schulden verlangden. Het moet er gelet op het betalingsverzuim van [B] veeleer voor worden gehouden dat redelijkerwijs te verwachten viel dat crediteuren in toenemende mate minder soepel zouden omgaan met openstaande vorderingen. Ook het argument dat Coatinc Mook B.V. ten onrechte het faillissement van [B] heeft aangevraagd, aangezien zij een vordering had op één van de andere vennootschappen ( [C] ) wordt verworpen, alleen al aangezien de curator gemotiveerd – onder verwijzing naar het faillissementsverslag – heeft gesteld dat [B] ook in de tweede helft van 2015 nog opdrachten heeft verstrekt aan Coatinc Mook B.V. De omstandigheid dat de betreffende goederen zijn afgeleverd aan [C] doet in dit verband niet ter zake. Bovendien gaat het er in dit kader niet om of het faillissement (terecht) is aangevraagd, maar of het faillissement voorzienbaar was. De stelling dat de verpanding er juist toe strekte om [B] in staat te stellen door te gaan en dus om een faillissement te voorkomen is hetzelfde lot beschoren. Deze vermeende strekking, wat daarvan ook zij, laat onverlet dat in de gegeven – en [gedaagde 1] , als indirect bestuurder van [B] , bekende – omstandigheden het faillissement alleen kon worden voorkomen als [B] haar andere schuldeisers had kunnen betalen. De rechtbank oordeelt dat dit niet aannemelijk was, gezien het (geleidelijk) beëindigen van bedrijfsactiviteiten kort daarna en het uitblijven van overige verhaalsmogelijkheden. Dat [gedaagde 1] een bedrag van € 120.000,00 aan uit vastgoed verzilverde overwaarde heeft ingebracht in [B] kan [gedaagde 1] c.s. ook niet baten aangezien dit bedrag, zoals de curator terecht stelt, is opgenomen als vordering in rekening-courant (grootboek 2015 #730). Hier stond dus (ook) een directe vordering van [gedaagde 1] op [B] tegenover, zodat dit per saldo niet heeft bijgedragen aan de verhaalsmogelijkheden van [B] .
rechtshandelingten grondslag ligt. Vanaf datzelfde moment heeft [B] haar personeel, materieel en bedrijfsruimte verhuurd aan [C] In dat kader is wel sprake van een rechtshandeling. [gedaagde 1] c.s. heeft overigens aangevoerd dat het besluit hiertoe in februari 2015 is genomen en dat dit administratief is verwerkt per 1 maart 2015. Deze situatie heeft voortgeduurd tot 1 oktober 2015, aldus [gedaagde 1] c.s. Verder blijkt uit het over en weer gestelde dat [B] ook het onderhandenwerk ergens in de periode tussen 1 maart 2015 en 1 oktober 2015 – [gedaagde 1] c.s. stelt: in het voorjaar van 2015 – heeft overgedragen (verkocht) aan [C]
onderdelenvan de doorbelaste kosten – namelijk onderhandenwerk en loonkosten – maar hij heeft verzuimd (gemotiveerd) te stellen dat voor het totaal – en dus per saldo – onvoldoende is betaald door [C] aan [B] , terwijl dat gezien het hiervoor weergeven verweer van [gedaagde 1] c.s. dat wél betrekking heeft op het totaalbedrag wel op de weg van de curator lag. De curator is er dan ook niet in geslaagd voldoende onderbouwd te stellen dat de rechtshandeling van [B] strekkende tot verhuur van personeel, materieel en bedrijfsruimte en tot verkoop van het onderhandenwerk aan [C] in de periode van februari/1 maart tot 1 oktober 2015 tot benadeling van schuldeisers zou leiden.
onderhandszouden worden verkocht. Deze wijze van verkoop, waarop artikel 3:251 lid 2 betrekking Pro heeft, is een van artikel 3:250 BW Pro afwijkende executoriale verkoop. Niet is gesteld of gebleken dat [B] gehouden was met [gedaagde 1] een van artikel 3:250 BW Pro afwijkende wijze van verkoop overeen te komen. Het instemmen door [B] , de pandgever, met onderhandse verkoop betreft derhalve een onverplichte rechtshandeling van [B] .
betekening van het vonnisover te gaan tot afgifte van de licenties Tekla en Liemar (…)”, zodat de rechtbank dit dienovereenkomstig leest.
6.450,00(2,5 punten × tarief € 2.580,00)
5.De beslissing
- verpanding als bedoeld in de pandakten van 19 en 24 september 2014 en
- instemming met de onderhandse verkoop als bedoeld in de akte van 28 september 2015,
- bij akten d.d. 19 september 2014 en 24 september 2014 geen pandrecht is gevestigd tussen [B] als pandgever en [gedaagde 1] als pandhouder,
- bij akte d.d. 28 september 2015 geen van artikel 3:251 lid 1 BW Pro afwijkende verkoop is overeengekomen tussen [B] , Quinteva Materieel B.V. en [gedaagde 1] ,
- de activa van [B] niet krachtens een koopovereenkomst zijn geleverd aan Quinteva Materieel B.V.,
- [gedaagde 1] zijn taak als bestuurder van [B] kennelijk onbehoorlijk heeft vervuld als bedoeld in artikel 2:248 BW Pro,
- deze kennelijk onbehoorlijke taakvervulling van [gedaagde 1] een belangrijke oorzaak van het faillissement van [B] is geweest,
- [gedaagde 1] voor het tekort in de faillissementsboedel van [B] aansprakelijk is,
- om binnen 14 dagen na betekening van het vonnis over te gaan tot afgifte aan de curator van al de activa en al de bedrijfsmiddelen, welke zijn vermeld in het taxatierapport d.d. 6 augustus 2015, opgesteld door de heer [D] en [E] , werkzaam bij [X] met een getaxeerde waarde van € 92.350,00 (exclusief BTW), welke zaken aan haar zijn geleverd krachtens de koopovereenkomst welke is vermeld in de ‘akte ex. art. 251 Wetboek Pro van Burgerlijke Rechtsvordering’,
- om binnen 14 dagen na betekening van het vonnis over te gaan tot afgifte van de licenties Tekla en Liemar, aan de curator, welke licenties blijkens de factuur d.d. 1 oktober 2015 aan haar zijn verkocht voor het bedrag van € 45.000,00,
- om binnen 14 dagen na betekening van het vonnis over te gaan tot afgifte aan de curator van de voorraad, welke blijkens de factuur d.d. 1 oktober 2015 is verkocht aan Quinteva Materieel B.V. voor het bedrag van € 20.000,00,
- ex artikel 6:203 BW Pro tot vergoeding van de waarde van de voorraad aan de curator, indien de voorraad door Quinteva Materieel B.V. is verbruikt en om die reden niet kan worden afgegeven, ad € 41.000,00,
- betaling aan de curator van de schulden in het faillissement van [B] , voor zover deze niet door vereffening van de overige baten kunnen worden voldaan zoals deze schuldenlast zal blijken te zijn na verificatie in dit faillissement en te vermeerderen met de boedelschulden waaronder begrepen het salaris van de curator en de overige faillissementskosten,
- betaling aan de curator van een bedrag van € 500.000,00 bij wijze van voorschot op de betaling waartoe [gedaagde 1] op grond van het voorgaande zal zijn gehouden,
- de beslagkosten, tot op heden begroot op € 3.108,18, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW Pro over dit bedrag met ingang van veertien dagen na dit vonnis tot de dag van volledige betaling,
- de proceskosten, aan de zijde van de curator tot op heden begroot op € 8.086,97, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW Pro over dit bedrag met ingang van veertien dagen na dit vonnis tot de dag van volledige betaling,
- de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 131,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 68,00 en te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW Pro over de nakosten met ingang van veertien dagen na de betekening van dit vonnis tot aan de voldoening,