ECLI:NL:RBOVE:2019:2830
Rechtbank Overijssel
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Weigering jachtakte op grond van dwingende weigeringsgrond Wet natuurbescherming
Eiser verzocht om een jachtakte, maar de korpschef weigerde deze op grond van artikel 3:28, derde lid, onder e, van de Wet natuurbescherming (Wnb), omdat eiser in de acht jaar voorafgaand aan de aanvraag onherroepelijk was veroordeeld voor een strafbaar feit. Eiser stelde dat deze weigeringsgrond niet absoluut is en dat zijn belangen meegewogen hadden moeten worden. Tevens voerde hij aan dat de terugkijktermijn onredelijk lang is en dat het besluit een punitief karakter heeft, wat strijdig zou zijn met het EVRM.
De rechtbank oordeelde dat artikel 3:28 lid 3 onder Pro e Wnb dwingend recht is en geen beoordelings- of beleidsruimte laat. De belangen van eiser mogen daarom niet worden meegewogen. De rechtbank wees ook het beroep af dat het besluit kennelijk onredelijk zou zijn, omdat zij niet bevoegd is om wetten aan algemene rechtsbeginselen te toetsen. Daarnaast stelde de rechtbank vast dat het administratief beroep ten onrechte is afgehandeld door verweerder, omdat bezwaar had moeten worden gemaakt bij de korpschef, maar passeerde dit bevoegdheidsgebrek omdat eiser daardoor niet werd benadeeld.
Ten slotte oordeelde de rechtbank dat het afzien van een hoorzitting gerechtvaardigd was, omdat het beroep feitelijk alleen het dwingende karakter van de weigeringsgrond bestreed en geen nieuwe feiten bevatte. Het beroep werd ongegrond verklaard, verweerder werd veroordeeld in de proceskosten en moest het griffierecht vergoeden.
Uitkomst: Het beroep tegen de weigering van de jachtakte wordt ongegrond verklaard.