11.1.De verplichting ingevolge artikel 9, eerste lid, van de Arbowet om direct melding te doen bij de inspectie van SZW is een verplichting voor de werkgever. Het is voor eigen rekening en risico om deze melding door een derde te laten verrichten. Daarnaast had eiseres voor vervanging kunnen zorgen tijdens vakantie van de bevoegde persoon om meldingen te doen of moeten toezien op de mogelijkheid om dergelijke meldingen te laten doen door de bevoegde persoon tijdens zijn vakantie. Dit valt onder de verantwoordelijkheid van eiseres. Niet is gebleken dat de te late melding niet aan eiseres verweten kon worden.
12. Eiseres heeft aangevoerd dat de fabrikant de machine heeft aangepast en eiseres inmiddels ook beschikt over een aangepaste machine. Bij brief van 16 augustus 2019 heeft eiseres een viertal foto’s ingezonden waarop te zien is dat er aanpassingen zijn gedaan. Hoewel uit vaste jurisprudentie blijkt dat ook inspanningen na overtreding aanleiding kunnen vormen voor matiging, zie onder meer de uitspraak van de Afdeling van 29 augustus 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2831, is het aan de hand van de overgelegde foto’s niet voldoende duidelijk wanneer de aanpassingen zijn gedaan en hoe lang verweerder al beschikt over een aangepaste sealmachine. Naar het oordeel van de rechtbank bestond ten tijde van het bestreden besluit geen grond om de boete om die reden lager vast te stellen. 13. Ter zitting heeft verweerder het standpunt ingenomen dat alsnog matiging van de boete aan de orde is, vanwege de nieuwe beleidsregel van 23 juli 2019. Conform deze nieuwe beleidsregel wordt het letsel aangemerkt als een licht blijvend letsel. Uit artikel 1, tiende lid, onder b, volgt dat bij een arbeidsongeval dat leidt tot licht blijvend letsel de boetenormbedragen voor de daaraan ten grondslag liggende overtredingen worden vermenigvuldigd met drie. Hieruit volgt dat de boete om die reden vastgesteld moet worden op € 13.500,- vanwege overtreding van artikel 16, tiende lid, van de Arbowet, juncto artikel 7.4, derde lid van het Arbobesluit.
14. Eiseres heeft zich verder op het standpunt gesteld dat de beslistermijn waarbinnen op het bezwaarschrift had moeten worden beslist ruim is overschreden. Voor zover zij nu het standpunt inneemt dat de redelijke termijn is overschreden, oordeelt de rechtbank als volgt.
Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling, de Centrale Raad van Beroep en de Hoge Raad hanteert de rechtbank hierbij het uitgangspunt dat de berechting van de zaak niet binnen een redelijke termijn heeft plaatsgevonden als niet binnen twee jaar na de aankondiging van de boetes door de rechtbank uitspraak is gedaan. Hiervan kan worden afgeweken indien sprake is van bijzondere omstandigheden, zoals bijvoorbeeld bijzondere complexiteit van de zaak of vertragend optreden van de zijde van eiser(es).
De rechtbank is van oordeel dat de redelijke termijn in dit geval is aangevangen met het voornemen van 24 juni 2016. Dat betekent dat de redelijke termijn van twee jaar eindigde op 25 juni 2018 en daarom is overschreden als de rechtbank uitspraak doet in deze zaak. Geconstateerd dient te worden dat de redelijke termijn in deze fase is overschreden met ruim 12 maanden.
Bij overschrijding van de redelijke termijn wordt de boete in beginsel gematigd met 5% per half jaar afgerond naar boven (uitspraak van 16 januari 2017 van het College van beroep voor het bedrijfsleven, ECLI:NL:CBB:2017:32). De rechtbank ziet geen aanleiding om in het onderhavige geval van dit uitgangspunt af te wijken. Naar het oordeel van de rechtbank is de redelijke termijn overschreden met meer dan 1 jaar, zodat de boete in totaal dient te worden gematigd met 15%. De rechtbank gaat daarbij uit van een boetebedrag van € 13.500,- vanwege overtreding van artikel 16, tiende lid, van de Arbowet, juncto artikel 7.4, derde lid van het Arbobesluit, vermeerderd met het boetebedrag van € 750,- vanwege overtreding van artikel 9, eerste lid, van de Arbowet.
15. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen is er grond om het beroep gegrond te verklaren, het bestreden besluit voor wat betreft de hoogte van de boete te vernietigen, de boete vast te stellen op € 12.112,50 en te bepalen dat voor wat betreft de vaststelling van de boete deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het bestreden besluit.
16. De rechtbank vindt aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten die eiseres in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het Bpb voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 1024,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 512,- en een wegingsfactor 1). Van overige voor vergoeding in aanmerking komende kosten is de rechtbank niet gebleken.
17. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht van € 345,- vergoedt.