ECLI:NL:RVS:2018:2831
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- A.B.M. Hent
- E. Steendijk
- Rechtspraak.nl
Vermindering bestuurlijke boete wegens matiging na onderbetaling werknemers
Appellante kreeg een bestuurlijke boete van €22.750 opgelegd wegens overtreding van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag. De rechtbank matigde deze boete tot €16.750, maar appellante stelde hoger beroep in tegen deze beslissing.
De Raad van State oordeelde dat de redelijke termijn van behandeling niet was overschreden, ondanks overschrijding van de dertienwekentermijn voor het opleggen van de boete. Verder werd overwogen dat de inspanningen van appellante, waaronder een investering in een nieuw salarissysteem, aanleiding geven tot verdere matiging van de boete.
De Afdeling bestuursrechtspraak vernietigde de uitspraak van de rechtbank voor zover deze de boete vaststelde op €16.750 en matigde de boete verder tot €12.562,50. Tevens werd bepaald dat deze uitspraak in de plaats treedt van het eerdere besluit van 17 oktober 2016. Vergoeding van het griffierecht werd toegekend aan appellante.
Uitkomst: De bestuurlijke boete wordt gematigd tot €12.562,50 en eerdere uitspraak vernietigd.