Uitspraak
RECHTBANK OVERIJSSEL
wonende te [woonplaats] ,
wonende te [woonplaats] ,
Rechtbank Overijssel
Partijen sloten per 1 november 2019 een huurovereenkomst voor een kamer tegen €700 per maand. De huurder betaalde de huur voor april, mei en juni 2020 niet, wat leidde tot een huurachterstand van €2.100. De verhuurder vorderde ontruiming en betaling van de achterstallige huur.
De huurder stelde dat hij de huur niet betaalde vanwege gebreken aan het gehuurde, waaronder tocht en lekkage, en dat hij hierover telefonisch had geklaagd. Foto's werden overgelegd ter onderbouwing. De kantonrechter oordeelde dat de gebreken onvoldoende aannemelijk waren gemaakt en dat de verhuurder niet op de hoogte was gesteld van de klachten.
De kantonrechter achtte het spoedeisend belang aanwezig, maar wees de ontruimingsvordering af omdat de huurder door de coronacrisis zijn baan verloor en binnen een maand een nalatenschap verwacht waarmee hij de huurachterstand kan voldoen. Gezien het grote woonbelang en het ontbreken van voldoende bewijs van gebreken achtte de rechter ontbinding van de huurovereenkomst niet waarschijnlijk.
De huurder werd veroordeeld tot betaling van de huurachterstand, wettelijke rente en proceskosten. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
Uitkomst: Vordering tot ontruiming afgewezen, huurder veroordeeld tot betaling huurachterstand en rente.