Uitspraak
RECHTBANK OVERIJSSEL
1.De procedure
- de dagvaarding,
- de incidentele conclusie tot onbevoegdheid,
- de akte van eisvermindering/eiswijziging,
- het vonnis in incident van 12 februari 2019, waarin de zaak door de kantonrechter is verwezen naar de rechtbank,
- de conclusie van antwoord,
- het tussenvonnis van 22 mei 2019, waarin een comparitie is gelast,
- het proces-verbaal van de comparitie van 11 september 2019,
2.De feiten
“haar beperkingen door een medisch adviseur worden vastgesteld”en b)
”de schadevergoeding door een onafhankelijke wordt vastgesteld”.
4.De beoordeling
het snelle ‘tikken’ van het licht”kan interpreteren als groen. Ter comparitie heeft [eiseres] weliswaar nog verklaard dat zij heeft gezien dat haar verkeerslicht op groen stond, maar zij heeft in antwoord op nadere vragen van de rechtbank hierover ook verklaard dat zij niet met zekerheid kan zeggen dat zij heeft gezien dat het groen was. Voor de stelling dat de getuigen [B] en [A] pas naar het verkeerslicht van [eiseres] zouden hebben gekeken nadat het ongeval had plaatsgevonden, kan de rechtbank geen aanknopingspunt vinden in de getuigenverklaringen van [B] en [A] , zodat de rechtbank hieraan voorbij gaat.
Zij ging behoorlijk hard en had kennelijk haast”en getuige [B] “
Ik zag vervolgens dat het later aangereden meisje langs mij heen kwam fietsen met een hoge snelheid”. [eiseres] heeft haar stelling dat zij slechts 10 km/u zou hebben gereden niet, althans onvoldoende gemotiveerd onderbouwd. In tegendeel, ter comparitie heeft zij verklaard:
“Ik reed op mijn fiets, ineens moest ik heel hard remmen en ben ik tegen een auto gebotst. Ik was de enige fietser, ik kwam met een snelheid”.
rechter/voorzijde”van de auto.