Uitspraak
20 maart 1998.
Hoge Raad
Eiser vorderde schadevergoeding wegens onrechtmatige detentie tegen de Nederlandse Antillen. Na afwijzing in eerste aanleg werd het vonnis vernietigd in hoger beroep en werd een deel van de immateriële schade toegewezen.
In cassatie stelde eiser dat zijn verzoekschrift tijdig was ingediend via fax, ondanks dat het pas een dag later fysiek bij de griffie aankwam. De Hoge Raad oordeelde dat de fax binnen de termijn was verzonden en dat de ontvangstproblemen niet voor rekening van eiser kwamen, waardoor hij ontvankelijk was.
Het beroep op toewijzing van materiële schade faalde omdat het hof deze schadeposten niet aannemelijk achtte. De Hoge Raad bevestigde dat het hof terecht geen verwijzing naar schadestaatprocedure deed en het beroep verwierp.
De Hoge Raad veroordeelde eiser in de kosten van het cassatiegeding, begroot op nihil aan de zijde van de verweerder.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en eiser wordt veroordeeld in de kosten van het cassatiegeding.