Uitspraak
RECHTBANK OVERIJSSEL
uitspraak van de meervoudige kamer in de zaak tussen
het college van burgemeester en wethouders van Tubbergen, verweerder,
de staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat, hierna te noemen: de staatssecretaris.
Procesverloop
A. Uijtdewilligen, vergezeld door dr. ir. N.W.M. Ogink, werkzaam bij Wageningen University & Research (WUR).
Overwegingen
artikel 3 van Pro de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) moet worden geweigerd, omdat de geurbelasting van de aangevraagde activiteit op twee nabij gelegen geurgevoelige objecten
- met toepassing van de verhoogde geuremissiefactoren - is berekend op meer dan 14,0 odour units per m³ lucht. Daarbij is - eveneens op basis van de verhoogde geuremissiefactoren - vastgesteld dat in de nu vergunde situatie voor deze twee geurgevoelige objecten al niet aan de norm voor geurbelasting wordt voldaan en dat de geurbelasting in de aangevraagde situatie aanzienlijk toeneemt. De vergunning voor de activiteiten ‘bouwen van een bouwwerk’ en ‘gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan’ moet eveneens worden geweigerd, aldus verweerder.
.Volgens eisers moet de Regeling onverbindend worden verklaard, omdat deze onrechtmatig is wegens strijd met verschillende algemene beginselen van behoorlijk bestuur. De aangevraagde vergunning had dan ook niet mogen worden geweigerd wegens strijd met artikel 3 van Pro de Wgv, aldus eisers.
18 december 2019, ECLI:NL:RVS:2019:4210). Daarnaast betreft de vraag of de combi-wassers het vereiste rendement kunnen behalen naar het oordeel van de rechtbank een technisch complexe aangelegenheid. Gelet hierop en op het onder 5 weergegeven toetsingskader, zal de rechtbank de Regeling terughoudend toetsen.
21 november 2018) is vastgelegd dat de staatssecretaris heeft verklaard dat ondernemers die te goeder trouw hebben geïnvesteerd, daar gewoon op moeten kunnen vertrouwen (Kamerstukken II 2018/19, 28 089, nr. 96, blz. 20-21).