ECLI:NL:RBOVE:2020:392

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
4 februari 2020
Publicatiedatum
31 januari 2020
Zaaknummer
8169548 \ CV EXPL 19-6816
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • S.J.S. Groeneveld – Koekkoek
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 33 Wck (oud)Artikel 13 Algemene voorwaarden Doorlopend Krediet Rabobank 2010
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vordering Rabo wegens niet-rechtsgeldige ingebrekestelling bij kredietovereenkomst

Rabo Financieringsmaatschappij B.V. vordert betaling van een kredietschuld van [gedaagde]. De kantonrechter toetst ambtshalve of Rabo heeft voldaan aan haar zorgplicht en of de ingebrekestelling rechtsgeldig is uitgebracht.

Rabo stelt dat zij de kredietwaardigheid van [gedaagde] heeft getoetst op basis van bewijsstukken en dat zij de ingebrekestelling en opeisingsbrief tijdig heeft verzonden. De kantonrechter oordeelt dat Rabo inderdaad aan haar zorgplicht heeft voldaan, maar dat de ingebrekestelling van 25 maart 2019 niet voldoet aan de eisen van artikel 33 Wck Pro (oud).

De ingebrekestelling moet een schriftelijke aanmaning zijn met een redelijke termijn en expliciete waarschuwing over de gevolgen van niet-betaling, gericht op een achterstand van ten minste twee maanden. Dit was niet het geval. Hierdoor is het krediet niet rechtsgeldig opgeëist en blijft de overeenkomst onder dezelfde voorwaarden doorlopen. De vordering wordt afgewezen en Rabo wordt veroordeeld in de proceskosten.

Uitkomst: De vordering van Rabo wordt afgewezen wegens een niet-rechtsgeldige ingebrekestelling.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team kanton en handelsrecht
Zittingsplaats Enschede
Zaaknummer : 8169548 \ CV EXPL 19-6816
Vonnis van 4 februari 2020
in de zaak van
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
RABO FINANCIERINGSMAATSCHAPPIJ B.V.,
gevestigd te Eindhoven,
eisende partij, hierna te noemen Rabo,
gemachtigde: Syncasso Gerechtsdeurwaarders,
tegen
[gedaagde],
wonende te [plaats] ,
gedaagde partij, hierna te noemen [gedaagde] ,
niet verschenen.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 10 december 2019
- de akte van Rabo.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De verdere beoordeling

2.1.
De kantonrechter blijft bij hetgeen in voormeld vonnis is overwogen en beslist.
2.2.
Bij tussenvonnis van 10 december 2019 heeft de kantonrechter Rabo in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over de vraag of zij heeft voldaan aan haar zorgplicht. Verder is zij in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over de vraag wanneer het krediet vervroegd is opgeëist en kon zij de ingebrekestellingen overleggen.
2.3.
Bij akte heeft Rabo gesteld dat zij heeft voldaan aan haar zorgplicht doordat zij de kredietwaardigheid van [gedaagde] heeft getoetst op basis van door haar opgevraagde stukken, zoals informatie over het inkomen en de vaste lasten, alsmede stukken over andere consumptieve financieringen of alimentatie. Rabo heeft gesteld dat zij deze stukken niet meer voorhanden heeft, omdat de bewaartermijn van deze stukken is verstreken. Verder heeft Rabo gesteld dat [gedaagde] in verzuim was met de betaling van een aantal termijnen, waarna partijen een betalingsregeling zijn aangegaan. Rabo heeft gesteld dat zij de aanmaningen voor deze periode niet kan overleggen. Volgens Rabo werd de betalingsregeling niet nagekomen en heeft Rabo [gedaagde] bij brief van 25 maart 2019 in gebreke gesteld en het krediet vervolgens bij brief van 24 april 2019 vervroegd opgeëist. De ingebrekestelling van 25 maart 2019 en opeisingsbrief van 24 april 2019 had Rabo reeds bij dagvaarding overgelegd. Volgens Rabo mag deze ingebrekestelling zien op achterstanden in de betalingsregeling. Daarbij heeft ze verwezen naar een uitspraak van het Gerechtshof Arnhem van 24 juni 2008 (ECLI:NL:GHARN:2008:BD5799).
Rabo heeft voldaan aan haar zorgplicht.
2.4.
De kantonrechter is van oordeel dat Rabo heeft voldaan aan haar zorgplicht doordat zij de kredietwaardigheid heeft getoetst op grond van door [gedaagde] overgelegde bewijsstukken.
De ingebrekestelling van 25 maart 2019 voldoet niet.
2.5.
Op grond van het bepaalde in artikel 33 aanhef Pro en onder c sub 1 Wck (oud) kan het uitstaande saldo bij een kredietovereenkomst als hier aan de orde enkel rechtsgeldig worden opgeëist indien de kredietnemer, die gedurende ten minste twee maanden achterstallig is in de betaling van een vervallen termijnbedrag, na in gebreke te zijn gesteld, nalatig blijft in de nakoming van zijn verplichtingen. De kantonrechter stelt vast dat partijen in artikel 13 aanhef Pro en sub a van de Algemene voorwaarden Doorlopend Krediet van de Rabobank 2010, die volgens de schriftelijke kredietovereenkomst mede op de overeenkomst van toepassing zijn, een opeisingsbeding zijn overeengekomen dat voldoet aan deze wettelijke bepaling.
2.6.
De vraag, die de kantonrechter ambtshalve dient te beantwoorden, is of voorafgaand aan de algehele opeising van het krediet door Rabo een rechtsgeldige ingebrekestelling is uitgebracht. De voor een rechtsgeldige opeising vereiste ingebrekestelling behelst een schriftelijke aanmaning waarbij de schuldenaar een redelijke termijn voor de nakoming wordt gesteld met een expliciete vermelding dat alleen met betaling van een duidelijk aangegeven bedrag binnen die termijn verzuim en algehele opeising kan worden voorkomen. Die schriftelijke aanmaning moet betrekking hebben op een betalingsachterstand van ten minste twee maanden van een vervallen termijnbedrag. De kantonrechter is van oordeel dat de brief van 25 maart 2019 niet een rechtsgeldige ingebrekestelling is. Niet gebleken is namelijk dat [gedaagde] op dat moment twee maanden nalatig is geweest in de betaling van het maandbedrag. Bovendien wordt [gedaagde] in deze brief niet gewaarschuwd voor de gevolgen die niet-betaling met zich meebrengt. Dat het mag gaan om ‘een ingebrekestelling waarin wordt aangemaand tot het voldoen van achterstanden in een met de kredietnemer getroffen betalingsregeling’ is juist, maar ook deze ingebrekestelling dient te voldoen aan alle criteria genoemd in artikel 33 aanhef Pro en onder c lid 1 Wck (oud).
Wat is hiervan het gevolg?
2.7.
Hetgeen hiervoor is overwogen brengt met zich dat niet is gebleken dat het saldo rechtsgeldig is opgeëist. Dit betekent dat de kredietovereenkomst onder dezelfde voorwaarden nog steeds doorloopt, maar dat de grondslag van de onderhavige vordering komt te vervallen. De vordering zal dan ook worden afgewezen.
2.8.
Rabo zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [gedaagde] worden begroot op nihil.

3.Beslissing

De kantonrechter:
3.1.
wijst de vordering af,
3.2.
veroordeelt Rabo tot betaling van de proceskosten, aan de zijde van [gedaagde] begroot op nihil.
Dit vonnis is gewezen door mr. S.J.S. Groeneveld – Koekkoek, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 4 februari 2020. (SK)