De rechtbank Overijssel behandelde het beroep van eiser tegen de omgevingsvergunning die het college van burgemeester en wethouders van Hardenberg aan [bedrijf] had verleend voor de uitbreiding van een varkensbedrijf op een perceel te [plaats 2]. Eiser stelde dat de vergunning onrechtmatig was verleend omdat noodzakelijke verklaringen van geen bedenkingen ontbraken.
De rechtbank oordeelde dat eiser als belanghebbende kan worden aangemerkt vanwege de feitelijke gevolgen van de uitbreiding, zoals geur- en fijnstofemissies en gezondheidsrisico’s door nabijheid van agrarische bedrijven. Vervolgens werd vastgesteld dat de gemeenteraad van Hardenberg weliswaar een algemene verklaring van geen bedenkingen had afgegeven in 2010, maar deze niet voldeed als rechtsgeldige aanwijzing van categorieën gevallen zoals vereist in artikel 6.5 van het Besluit omgevingsrecht. Hierdoor was een specifieke verklaring van geen bedenkingen vereist en ontbrak deze.
Daarnaast werd vastgesteld dat Gedeputeerde Staten van Overijssel slechts een ontwerpverklaring van geen bedenkingen hadden afgegeven en geen definitieve verklaring, terwijl deze wel noodzakelijk was voor de natuurvergunning onder de Wet natuurbescherming. Dit leidde tot het oordeel dat de omgevingsvergunning onrechtmatig was verleend en vernietigd moest worden.
De rechtbank droeg het college op om een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak en veroordeelde het college tot vergoeding van het betaalde griffierecht aan eiser. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.