Eiser ontving vanaf 2011 een bijstandsuitkering en werkte sinds 2016 bij een werkgever met vaste uren vanaf 1 maart 2019. Verweerder trok de uitkering per 1 maart 2019 in wegens vermeende schending van de inlichtingenplicht, gebaseerd op observaties dat eiser buiten afgesproken werktijden aanwezig was en geen melding maakte van extra inkomsten.
Verweerder voerde aan dat eiser niet aan zijn meldingsplicht voldeed en dat dit recht gaf tot intrekking en terugvordering van bijstand. Eiser betwistte dit, stelde dat de observaties onrechtmatig waren en dat hij geen extra uren werkte. De rechtbank oordeelde dat het onderzoek van verweerder gerechtvaardigd was en dat observaties niet onrechtmatig waren, maar dat eiser voldoende aannemelijk had gemaakt dat hij buiten de afgesproken uren geen werk verrichtte.
Ook was de verklaring van eiser over ontvangen giften van zijn broer onvoldoende concreet om schending van de inlichtingenplicht aan te tonen. De rechtbank concludeerde dat verweerder onvoldoende bewijs had geleverd voor de schending van de inlichtingenplicht en vernietigde het bestreden besluit. Tevens werd het primaire besluit herroepen en verweerder veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten.