ECLI:NL:RBOVE:2021:161

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
12 januari 2021
Publicatiedatum
15 januari 2021
Zaaknummer
8617427 CV EXPL 20-1892
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:119 BW
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Betaling zorgverzekeringspremie en zorgkosten toegewezen zonder betalingsregeling

De zaak betreft een vordering van VGZ Zorgverzekeraar tegen de gedaagde tot betaling van zorgverzekeringspremie en zorgkosten over de periode maart tot en met september 2019. VGZ heeft een hoofdsom van € 846,65 aan premie, € 13,50 aan acceptgirokosten en € 29,86 aan zorgkosten gevorderd, totaal € 890,01. VGZ heeft haar vordering beperkt tot € 500,- om hogere griffierechten te voorkomen.

De gedaagde erkent de vordering maar voert aan dat hij geen identiteitspapieren heeft en daardoor geen inkomen kan regelen, waardoor hij niet kan betalen. Hij wil een betalingsregeling treffen zodra hij inkomsten heeft, maar kan geen exacte datum geven.

De rechtbank oordeelt dat VGZ niet verplicht is in te stemmen met een betalingsregeling en dat de kantonrechter deze ook niet kan opleggen. Daarom wordt de hoofdsom van € 500,- en de wettelijke rente toegewezen. De gevorderde BTW over de nakosten wordt afgewezen wegens gebrek aan wettelijke grondslag. De gedaagde wordt veroordeeld in de proceskosten en nakosten. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: Gedaagde wordt veroordeeld tot betaling van € 500,- plus wettelijke rente en proceskosten, zonder oplegging van betalingsregeling.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team kanton en handelsrecht
Zittingsplaats Almelo
Zaaknummer : 8617427 \ CV EXPL 20-1892
Vonnis van 12 januari 2021
in de zaak van
de naamloze vennootschap
VGZ ZORGVERZEKERAAR N.V.,
gevestigd en kantoorhoudende te Arnhem,
eisende partij, hierna te noemen VGZ,
gemachtigde: Inkassier Gerechtsdeurwaarders & Incasso,
tegen
[gedaagde],
wonende te [woonplaats] ,
gedaagde partij, hierna te noemen [gedaagde] ,
gemachtigde: M. Klein Onstenk.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 29 juni 2020 met producties,
- de conclusie van antwoord van 25 augustus 2020,
- de conclusie van repliek van 6 oktober 2020.
1.2.
[gedaagde] heeft hierna, hoewel daartoe behoorlijk in de gelegenheid gesteld, niet meer gereageerd.
1.3.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
[gedaagde] is een zorgverzekering aangegaan bij VGZ. Uit hoofde van deze zorgverzekering is [gedaagde] premie verschuldigd aan VGZ.
2.2.
VGZ heeft over de maanden maart tot en met september 2019 in totaal een bedrag van € 846,65 aan premie in rekening gebracht bij [gedaagde] .
2.3.
VGZ brengt op grond van de polisvoorwaarden een bedrag van € 1,50 aan kosten in rekening voor het aanmaken en verzenden van een factuur met aangehechte acceptgiro indien niet wordt gekozen voor één van de drie kosteloze betaalwijzen.
VGZ heeft in de periode van 23 maart tot en met 13 oktober 2019 een bedrag van in totaal € 13,50 aan acceptgirokosten in rekening gebracht bij [gedaagde] .
2.4.
Op 5 april 2019 heeft [gedaagde] zorg ondergaan, dan wel zorgkosten gemaakt in het ziekenhuis. Deze zorgkosten worden niet vergoed door VGZ. VGZ heeft op 22 juni 2019 een factuur, dan wel facturen gestuurd aan [gedaagde] voor deze kosten, ter hoogte van in totaal
€ 29,86.
2.5.
[gedaagde] heeft de onder 2.2., 2.3. en 2.4. genoemde bedragen, die in totaal een bedrag van € 890,01 behelzen, niet betaald.

3.Het geschil

Vordering

3.1.
VGZ vordert bij dagvaarding – samengevat – [gedaagde] te veroordelen bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, om te betalen een bedrag van € 500,- aan hoofdsom, vermeerderd met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW Pro over dit bedrag vanaf 29 juni 2020 tot aan de dag der algehele voldoening, alsmede [gedaagde] te veroordelen in de kosten van de procedure alsmede in de nakosten en de daarover verschuldigde BTW, een en ander als in de dagvaarding weergegeven.
3.2.
VGZ legt aan haar vordering ten grondslag dat tussen [gedaagde] en VGZ een zorgverzekeringsovereenkomst bestaat, op grond waarvan premie verschuldigd is. Ook stelt VGZ dat [gedaagde] acceptgirokosten verschuldigd is voor het aanmaken en verzenden van facturen met aangehechte acceptgiro door VGZ, en dat [gedaagde] zorgkosten verschuldigd is in verband met de zorg die op 5 april 2019 in het ziekenhuis heeft plaatsgevonden. Bij dagvaarding heeft VGZ gesteld dat [gedaagde] de verschuldigde bedragen ondanks herhaalde herinneringen en aanmaningen niet heeft voldaan en dat [gedaagde] als gevolg van de wanbetaling wettelijke rente verschuldigd is vanaf de vervaldata van de facturen. Volgens VGZ bedraagt de wettelijke rente tot 24 juni 2020 een bedrag van € 18,88. Daarnaast stelt VGZ dat zij en haar gemachtigde buitengerechtelijke werkzaamheden hebben verricht en dat [gedaagde] derhalve een bedrag van € 161,54 aan buitengerechtelijke incassokosten verschuldigd is. VGZ beperkt om haar moverende redenen haar vordering op [gedaagde] in het kader van deze procedure tot niet meer dan € 500,- aan hoofdsom ter voorkoming van een hoger bedrag aan griffierecht voor [gedaagde] . VGZ reserveert uitdrukkelijk al haar rechten met betrekking tot de invordering van het resterende deel van de vordering ad € 570,43.
Verweer
3.3.
[gedaagde] voert aan dat hij geen identiteitspapieren heeft, waardoor er geen inkomen geregeld kan worden middels een uitkering vanuit de gemeente [woonplaats] , omdat de gemeente niets doet zonder officiële documenten. [gedaagde] stelt dat al meer dan twee jaar gepoogd wordt het inkomen voor elkaar te krijgen, dat er bij het Marokkaanse consulaat een nieuw ID en paspoort is aangevraagd en dat het wachten is tot deze wordt uitgegeven. Volgens [gedaagde] kan hij, wanneer de documenten binnen zijn, zijn verblijfsvergunning opvragen bij de IND en vervolgens via de gemeente een spoeduitkering aanvragen. [gedaagde] wil een regeling treffen wanneer hij inkomsten heeft, maar stelt geen exacte datum te kunnen geven wanneer dit inkomen geregeld is.

4.De beoordeling

4.1.
[gedaagde] erkent de vordering en geeft aan een betalingsregeling te willen treffen. Nu VGZ niet verplicht is om met een betalingsregeling in te stemmen en de kantonrechter niet bevoegd is om een betalingsregeling op te leggen, dient de gevorderde hoofdsom ad
€ 500,- te worden toegewezen.
4.2.
De wettelijke rente zal als op de wet gegrond en verder niet weersproken worden toegewezen.
4.3.
[gedaagde] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten, tot op heden aan de zijde van VGZ begroot als volgt:
- dagvaardingsexploot: € 100,89
- verschotten:
BRP voor dagvaarden € 2,07
Informatie DBR € 2,13
- griffierecht: € 124,00
- salaris gemachtigde:
€ 144,00(2 punten x tarief € 72,00)
Totaal: € 373,09
4.4.
De door VGZ apart gevorderde nakosten worden toegewezen, nu de proceskostenveroordeling hiervoor reeds een executoriale titel geeft en de kantonrechter van oordeel is dat de nakosten zich reeds vooraf laten begroten. Die kosten worden zoals te doen gebruikelijk begroot op een bedrag gelijk aan een half salarispunt van het in de hoofdzaak toegewezen salaris, met een maximum van € 120,-. Dat leidt in dit geval tot toewijzing van een bedrag van € 36,-. De gevorderde BTW over de nakosten zal, voor zover die nakosten zien op het salaris gemachtigde, worden afgewezen nu hiervoor geen wettelijke grondslag bestaat.

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1.
veroordeelt [gedaagde] om tegen kwijting aan VGZ te betalen een bedrag van
€ 500,-, aan hoofdsom, vermeerderd met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW Pro over dit bedrag vanaf 29 juni 2020 tot aan de dag der algehele voldoening,
5.2.
veroordeelt [gedaagde] in de kosten van de procedure, tot op heden aan de zijde van VGZ begroot op € 373,09, en de nakosten begroot op € 36,- (½ punt liquidatietarief met max
€ 120,-),
5.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
5.4.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. F.E.J. Goffin, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 12 januari 2020. (BLd(O)