De zaak betreft een geschil over het gebruik van een woonboerderij en bijbehorende opstallen na afloop van een kortdurende pachtovereenkomst van drie jaar tussen eiser en gedaagde. De pachtovereenkomst liep van mei 2011 tot oktober 2014 en was goedgekeurd door de grondkamer. Na afloop is het gebruik door gedaagde voortgezet met instemming van eiser, die sinds december 2019 een koper voor de boerderij heeft.
Eiser vordert ontruiming van de woonboerderij binnen zeven dagen na betekening van het vonnis, met een dwangsom bij niet-naleving, en betaling van een gebruiksvergoeding. Gedaagde stelt dat de pacht is voortgezet of is overgegaan in huur, en dat hij passende woonruimte nog niet heeft gevonden.
De rechtbank oordeelt dat er geen sprake is van een huurovereenkomst of voortgezette pacht, maar slechts van een gebruiksrecht. De pachtovereenkomst is niet stilzwijgend verlengd en een nieuwe mondelinge pachtovereenkomst is niet aannemelijk. De voortzetting van gebruik zonder recht van pacht of huur leidt tot toewijzing van de ontruimingsvordering. De ontruimingstermijn wordt vastgesteld op drie maanden, gelet op de omstandigheden en onderhandelingen tussen partijen.
De rechtbank veroordeelt gedaagde tot ontruiming binnen drie maanden, betaling van een gebruiksvergoeding van €650 per maand, en in de proceskosten. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.